Foto’s Herman Sorgeloos

Klaas Tindemans

Leestijd 6 — 9 minuten

1983-1984: Het voordeel van de twijfel

Het nieuwe repertoire van de Vlaamse gezelschappen

In het toneelseizoen ’83-’84 wordt er bespaard en bezuinigd. Wordt er met het resterende kleine beetje geld ook nog theater gemaakt? Klaas Tindemans leest u voor uit de programmabrochures.

Een repertoireanalyse is dit niet. Het is een poging om, encyclopedisch en anekdotisch, krachtlijnen te vinden in het repertoire van de Vlaamse gezelschappen, voor het seizoen 1983-84. Dit overzicht is niet wetenschappelijk opgezet, dat is mijn taak niet, en wil integendeel – onder andere – aantonen dat de behoefte aan een wetenschappelijke repertoireanalyse groot is. Vooraf is immers duidelijk geworden dat een toetsing van de accenten in het repertoire van het nieuwe seizoen aan de repertoire- en opvoeringsgeschiedenis van het Vlaamse theater (nog) niet mogelijk is. Daarvoor ontbreekt wetenschappelijk verantwoord studiemateriaal en zelfs de bronnen – op basis waarvan die geschiedenis kan geschreven worden – zijn onvoldoende ontgonnen. Het beschikbare materiaal – het sinds 1966 verschijnende Teaterjaarboek, Alfons Van Impes ‘Over toneel’ (1978) en Daan Bauwens ‘Kan iemand ons vermaken’ (1980) – zijn ofwel niet genoeg gesystematiseerd en bovendien onvolledig (Teaterjaarboek), wetenschappelijk van zeer bedenkelijk niveau (Van Impe) of ideologisch eenzijdig (Bauwens). Meer materiaal gebruiken – o.a. tijdschriftartikels, recensies, archieven van theaters, … – is binnen dit opzet onbegonnen werk. Het is volstrekt onmogelijk, ook voor een theaterrecensent die ongeveer weet waar hij moet zoeken, over het Vlaamse theater te schrijven in een juist historisch perspectief. Toch een artikel, al was het maar om puur encyclopedisch opvallende breuken (of het ontbreken daarvan) vast te stellen. Deze reserves zijn geen verontschuldigingen, wel een aanmoediging om er werk van te maken.

Een aantal gezelschappen ontbreken in dit overzicht: Arena (Gent), Fakkel- en Meirtheater, RVT, EWT, Raamtheater en Bent (Antwerpen), Teater 19, Korrekelder en De Kelk (Brugge). Van hen ontving ik geen repertoireoverzicht voor 1983-84. Maar de bereidheid van de andere gezelschappen om aan dit artikel mee te werken was groot genoeg om dit overzicht representatief te kunnen noemen.

Qua indeling verkies ik de categorieën van het theaterdecreet omdat, zoals zal blijken, de repertoirekeuze vaak afgestemd is op de functie die men, als gezelschap, overeenkomstig dit officiële theaterbestel meent te moeten vervullen. Een vrij conformistische houding (zeker in de A- en B-categorie) die echter niet zo dwaas is als ze lijkt. Het decreet geeft in zijn hoogste categorieën aanleiding tot een burgerlijk, attitude-bevestigend repertoire, en onze theaters voelen zich daar goed bij. Ook nog dit: hernemingen laat ik buiten beschouwing. De meeste reprises zijn duidelijk commerciële en geen artistieke beslissingen.

NTG, KNS, KVS

Het NTG is het enige gezelschap dat consequent zijn taak als groot repertoiretheater au sérieux neemt: Molière (Le Malade Imaginaire) Schnitzler (Reigen), Tsjechov (Oom Wanja), Büchner (Dantons Tod) vallen op. Belangrijke teksten, stuk voor stuk, en enkele interessante confrontaties, met name Oom Wanja, in een regie van Jean-Pierre De Decker, dat hoe dan ook vergeleken zal worden met Jan Decortes versie, die totaal verschillend zal zijn, en opnieuw Ulrich Greiff met een Büchner, na diens memorabele Woyzeck, drie jaar terug. Bedenking: de actualiteitswaarde van schandaalstukken (bij hun creatie alleszins) als Reigen en Mrs. Warren’s Profession (G.B. Shaw) zal nog moeten blijken, en de Theater Heute-invloed (Reigen, Dantons Tod en vooral Eduardo de Filippos De kunst van de komedie) is een beetje te opvallend. Of deze veelzijdigheid dramaturgisch te verantwoorden is, is een open vraag.

Zowel de KNS als de KVS spelen veilig, vanzelfsprekend en risicoloos. Bij de KNS betekent dat de tandem Tillemans-Kohout (De Speler naar Dostojewski), een Antwerpse klucht (Op Marode van Jan Christiaens en Anton Peters, naar Nestroy), enkele Russen (Molière van Mikail Boelgakov en De Zelfmoordenaar van Nikolaj Erdman), maar toch ook twee interessante Vlaamse creaties: Le Nombril van Jean Anouilh en The American Clock van Arthur Miller. Bij de KVS slechts twee interessante teksten: Edward Bonds laatste stuk, Summer, en het nooit bij ons gespeelde La folie de Chaillot van Jean Giraudoux, maar voor de rest, Broadway en Parijse Boulevards (Bernard Miles, Barillet & Grédy). Een repertoire dat nergens kansen biedt tot belangrijke produkties, dat angstaanjagend conformistisch is.

MMT, WTA, TIL

Het MMT heeft zijn lessen getrokken uit de mislukte pogingen zich als repertoiretheater te profileren: geen Ibsens of Haïms meer, terug naar het succesvollere sociaal naturalisme. De Moeder van David S. van Yvonne Keuls wordt gecreëerd, en ook Walter Van den Broecks De rekening van het kind staat op de affiche. Plus de obligate West End: In en uit van Derek Benfield. Een elk-wat-wils-repertoire, zowel politiek als artistiek, maar geen megalomanie meer. Hetzelfde geldt min of meer voor WTAntigone Kortrijk, met een repertoire dat van een amateurgezelschap zou kunnen zijn: René Verheezen (Onder ons, een Claus-epigoon), Alexej Arbusov (Romance in Leningrad) en zowel een Amerikaanse (Neil Simons Chapter Two) een Duitse (Hans Gmürs Lady Pang (?)) als een Franse komedie (André Roussins Hélène ou la joie de vivre). Het begrip spreidingsgezelschap heeft, zoals blijkt, enkel een eng-commerciële betekenis (verkopen en zalen vullen) en nergens een artistieke. Ook hier dus angstige behoudsgezindheid, zelfgenoegzaamheid. Maar ze missen ook de essentiële artistieke potenties om meer te willen en te kunnen. Ongeveer hetzelfde geldt ook voor het onofficiële spreidingsgezelschap van Ivonne Lex (TIL) dat brave komedies (Pierette Brunos Paar of onpaar) gewoontegetrouw afwisselt met ouderwets existentialisme (tenminste in de opvoering, de tekst kan goed zijn: dit seizoen De gebroken vrouw van Simone de Beauvoir) en, schrik niet, koningin Fabiola’s Indische waterlelies. Niets nieuws onder de zon, ambachtelijkheid als norm.

Kamers

Bij de kleine gezelschappen zijn er de regisseurstroepen en de kamertheaters, en die indeling valt niet samen met resp. D- en C-gezelschappen in het decreet. Ook de niet-gesubsidieerde groepen moeten hier behandeld worden: bij groepen als de Witte Kraai is er een tendens naar het ‘grote’ repertoire en de professionele eisen zijn evenwaardig (zowel bij de makers als bij de kritiek). Er is het voorzichtige kamertheater: Vertikaal Gent brengt Eric Idles Pass the butler – Monty Python is wel pikant, maar ligt goed in de markt – en Albees Zoo Story, waar regisseur Jan Devos zijn concept uit een vroegere Conservatorium-voorstelling in Brussel kan herhalen. Niets indrukwekkends dus. Ook niet bij Malpertuis Tielt met Eddy Vereyckens Werther-bewerking, de laatste Pinter (A kind of Alaska) en Dickens’ Christmas Carol. Enkel het NVT Ankerruitheater zet zijn kruistocht voor het Vlaamse drama na een zeer oubollig seizoen iets gedurfder verder: drie debuten, nl. het schrijverscollectief ‘t Akkoord (met o.a. BRT-journalist Daniël Buyle) met Tapes, Ludo De Ravets Perron en een tekst van de nogal geruchtmakende Studio-abituriënt Luk Wyns, De wonderbaarlijke wereldreizen van Billy Bols, part 737, op zoek naar Lucas Windtgat.

Arca, BKT

De term regisseurstheater gebruiken voor theatermakers als Jan Decorte, Ivo Van Hove, Pol Dehert en Herman Gilis, is niet juist, omdat duidelijk is geworden dat hun werk staat of valt met een specifieke acteermentaliteit: bij Jan Decorte in positieve zin, bij Dehert en Gilis in negatieve. Het repertoire van Arca is b.v. veelbelovend: Büchners Léonce und Lena, zijn moeilijkste stuk omdat de verschillende niveaus (komedie-politiek-filosofie) alle even inzichtelijk moeten worden, Alfred Hegenscheidts Starkadd, het sinds lang niet meer opgevoerde lijfstuk van Jan-Oscar De Gruyter (zowel opgevoerd bij het Fronttoneel als bij het eerste Vlaams Volkstoneel) en Pirandellos Zes personages op zoek naar een auteur. Maar uit het voorbije seizoen is gebleken dat er een discrepantie bestaat tussen de regieaanpak van Dehert en Gilis en de bereidheid van de Arca-acteurs om daaraan een even belangrijke bijdrage te leveren als de regisseur zelf. Twijfel is hier op zijn plaats, Arca dreigt zich, om toch maar eigentijds te zijn, te overtillen. Het resultaat zijn modieuze oppervlakkigheden. Idem voor het BKT, zeker met Luc De Smet als artistiek leider. Georges Kaisers Von Morgen bis Mitternachts en Botho Strauss’ Bekannte Gesichter, gemischte Gefühle staan indrukwekkend op een affiche, maar zijn de artistieke voorwaarden – en dan bedoel ik vooral de bereidheid tot dramaturgische arbeid van de acteurs – aanwezig om dit geloofwaardig te maken? Ik vrees er voor, en dan is ‘de eerste Botho Strauss in Vlaanderen’ een bedenkelijke reclamestunt. Hoewel Dirk Buyse als regisseur van b.v. Kalisky’s Op de puinen van Carthago getoond heeft dit soort neo-existentialisme wel aan te kunnen.

En de rest

Er zijn groepen, vooral niet-gesubsidieerde, die dit beter aankunnen, omdat hun artistiek overleven precies bepaald wordt door deze eenheid tussen intentie en resultaat en deze ‘dramaturgische democratie’. Bij de Witte Kraai kan Gombrowicz Yvonne, prinses van Bourgogne, in zijn grimmige, morbide fantasie in het beste geval perfect overeenstemmen met Sam Bogaerts’ wild associatievermogen. Hetzelfde voorde Oom Wanja van Jan Decorte en de Ivanov (Tsjechovs nooit in Vlaanderen gespeelde eerste ‘groot’ stuk) van Paul Peyskens. Beiden hebben, resp. bij HTP en ‘t Stuc de luxe over een lange werktijd te beschikken zodat ze in de eerste plaats kunnen werken aan acteerhoudingen, waardoor strak regisseren zelfs overbodig wordt. Een twijfelend gezelschap in dit opzicht zijn de Mannen van den Dam: door hun acteurs aan sterk uiteenlopende teksten (Wolfgang Deichsels Een gat in de kop en Racines Britannicus) en regisseurs (resp. Sam Bogaerts en Moshe Leiser) bloot te stellen, riskeren zij stuurloosheid. De bereidheid bestaat wel, de duidelijkheid echter niet. Ook het Kollektief INS maakt zo’n moeilijke periode door: zij spelen Wij betalen niet van Dario Fo, dat in 1980 door Arturo Corso zelf al bij het NTG opgevoerd werd en over hun eigen creatie Bij valavond is nauwelijks iets bekend. Ivo Van Hoves AKT kan zich herpakken met Marguérite Duras’ De villa Agatha: de hyperrealistische loszand-teksten van Duras zullen Van Hove wel liggen. Maar over Marlowes The Massacre at Paris beweren dat het zowat het slechtst geschreven drama uit de geschiedenis is, dat is het jezelf moeilijk maken: het zal er alleszins weinig Elisabethaans uitzien.

Tenslotte de zekerheden: Tiedrie zal zich met Thea Doelwijts Prisiri Stari politiek duidelijker kunnen profileren. De Surinaamse sergeantenrevolutie gecombineerd met Caraïbische mythologie, zoiets ligt Tone Brulin. En Tentakel, dat volgend jaar Gif te geef (opnieuw van Perry Dijkstra) creëert, koestert zich verder in abstract en intellectualistisch sociaal realisme, bijna een contradictio in terminis.

Het repertoiretheater heeft geen repertoire, en het ‘experimenteel- en vormingstheater’ kan geen repertoire aan: alle overzichtsbrochures die ik toekreeg leiden tot deze conclusie. In de niet-tekst-sector komen Jan Fabre (waarschijnlijk) en het Epigonentheater met nieuw werk, maar dit kan natuurlijk geen absoluut alternatief zijn. Bij de ‘groten’ heerst een akelige dramaturgische inteelt, enkel het NTG breekt daar wat uit, en de ‘kleinen’ moeten uitkijken voor megalomanie, enkel HTP, ‘t Stuc, de Witte Kraai en AKT wapenen zich daartegen. De kloof tussen Theater en theater is groter dan ooit en per definitie is er niemand die de stukken op dit schaakbord wil of kan verplaatsen: iedereen is immers partijdig. Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat meer dan 30 gezelschappen kunnen overleven in deze sfeer van navelstaarderij en zelfoverschatting.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#4

15.09.1983

14.12.1983

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

artikel