Foto Ben Van Duin

Rob de Graaf

Leestijd 15 — 18 minuten

Pavlov

Spel en dans: Frieda Pittoors, Pauline Daniels

regie/Tom Jansen

beeld/Jan Joris Lamers

uitgebracht door Nationaal Fonds

première: Haarlem, Toneelschuur, 2 november 1989

y Jij… Wat doe je ?

x lk speel.

y Je bent.

x lk speel dat ik ben. y Maar je bent er toch ? x Waar ben ik?

y Gewoon… hier. Hier waar we zijn.

x Maar dit hier is toch alleen maar gespeeld ?

y Ik dacht dat het echt was.

x Wanneer dacht je dat ?

y Tot nu toe.

x Maar nu zie je dat het zo niet is.

y lk zie het niet, maar ik hoor het. Ik hoor het jou zeggen.

x ‘t Is maar de vraag of ik het ben die het zegt.

y Maar je zegt het toch ? Wie zegt het anders ?

x lemand die ik speel, die zegt het. Die zegt het tegen jou, of tegen wie je speelt dat je bent.

y lk ben het zelf.

x Wie zegt dat ?

y lk.

x Wie?

y Ben jij altijd zo ?

x lk ben altijd, maar niet altijd zo. En ik ben ook niet altijd ‘ik’, natuurlijk, maar dat heb ik je al uitgelegd.

y Maar… als jij niet zeggen kunt wie ik ben

en als ik niet weet of jij het bent, of een ander, of een ander die speelt dat jij het bent, een ander die denkt dat ik ook een ander ben… -als ik je tenminste goed begrepen heb, als dat het is wat je bedoelt- hoe is het dan nog mogelijk dat wij tegen elkaar praten?

x Dat is ook niet mogelijk, denk ik.

y Maar toch doen we het.

x Of we denken dat we het doen, of we doen alsof we denken dat we het doen… Het is allemaal heel eenvoudig te beschrijven.

y Heeft het nog zin dat we verder praten ?

x Nee… denk ik. Denk ik dat ik denk. Maar we kunnen wel iets anders doen, misschien. We kunnen terug gaan naar dat punt in ruimte en tijd dat jij zojuist ‘hier’ hebt genoemd, en dan kunnen alles wat we tot nu toe gezegd hebben nog eens doen, en dan niet echt maar gespeeld. Dus dat we het niet zeggen – we spelen dat we het zeggen. Snap je ?

y Ja. Nee. Of is er geen verschil tussen die twee ?

x Begin dan maar. Zeg het maar. De naam, de data, al het andere dat iemand van je zou willen weten.

Daniëls, Pauline, 1951. Ach, hoe is het gegaan… groot gezin, klein huis, grote stad. Veel verkeerd gegaan, kon niemand iets aan doen. Kinderbescherming, jeugdtehuizen, vroegrijp -je kent het wel. En toen is ze gaan dansen… uit woede, en drift. En daar is ze niet meer mee op gehouden, ze weet zelf niet waarom.

y Pittoors, Frieda, 1947.

x Groot gezin, maar – gelukkig gezin. Armoede, aanvaarding, tevredenheid. Talent ontdekt. Trotse ouders, hebben er alles aan gedaan. Was een vreemd kind, kon vreemd doen. Kon anderen nadoen. Een speelster, dat is er uit haar geworden. Een toneelspeelster, het kon niet anders.

Beiden Wij zijn nu bijna vijftig jaar oud.

x Hoe was het ? Wat was het ?

y lk had verwacht dat het gemakkelijk zou gaan…

x…Dat ik niets anders zou hoeven te doen dan me voort te laten bewegen door de wind; licht en moeiteloos zou ik deinen, als het witte schuim dat rust op de donkergrijze golven van de zee. Als zo’n lichte schuimvlok zou ik zachtjes neer geblazen worden op het door de ochtendzon verwarmde gouden zand van een strand waar nog niemand ooit een voet gezet had, en daar zou ik me koesteren, in de stilte en de leegte…

y Begrijp je me?

x Natuurlijk begrijp ik je. Al jaren lang vraag je me of ik je begrijp, maar al jaren lang ben je voor mij geen raadsel meer. Als ik je toch steeds weer dezelfde vragen stel, dan is het omdat ik graag die zoete geur van je meisjesdromen op mag snuiven. Die herinnert me aan iets. Ik heb nooit willen weten wat het verschil is tussen een droom en het andere. Misschien bestaan we alleen maar omdat we in eikaars dromen voorkomen. Dat is voor mij al genoeg. Jouw dromen herinneren me aan de mijne. Aan wat ik ooit allemaal wilde en toch niet gedaan heb. Bij ons in de straat, toen ik een kind was, woonden in een gewoon huis vier vrouwen die blauwe rokken droegen van een grove stof, vrouwen die altijd lachten en zongen en hard gingen werken in de ziekenhuizen en de wasserijen… Dat waren de Kleine Zusters van Jezus, en zoals zij waren wilde ook ik worden: arm en nederig en altijd blij.

Maar ja… er is iets tussen gekomen.

y Wat?

x Mijn leven is er tussen gekomen. Mijn leven staat tussen mij en mijn dromen. En nu…

y Ja, zeg eens iets over nu.

x Ach… wat kan ik zeggen ? Het uitzicht is beperkt geworden, de muren zijn zo dichtbij. Ik wil je wel beschrijven wat ik zie, maar dat zijn zulke kleine dingen… Het grotere, dat zijn enkel de schimmen van dingen die je daar achter die muren kunt vermoeden.

Wat ik zie, als ik naar jou kijk, en naar mezelf, en naar dit hier om ons heen… Hoe moet ik het noemen? Hoe noem je een vuur dat is opgebrand, hoe noem je een verhaal dat verteld is, een reis die is afgelopen ? Ik kan wel spreken over ‘nu’, maar dan nog heb ik het over de verleden tijd – het nu is alleen maar dit : wij tweeën tussen de half uitgewiste sporen van wat we vroeger waren, en hadden, en wilden. Het nu, dat ben jij, die niet luistert naar dat wat ik niet zeg. Wat we samen delen verbergen we samen.

y Ik weet niet zeker of ik je wel begrijp.

x lk weet heel zeker dat je me niet begrijpt. Maar dat is geen reden om niet gewoon door te praten. We doen ons best om datgene op te vullen wat je niet hoeft te benoemen, omdat het er toch altijd is, altijd en overal…

y De leegte ?

x Ja, als je het dan toch iets noemen wil, dan zou dat het goede woord zijn. Maar waarom, vraag ik dan, waarom moeten we die leegte delen ? Leegte is niets, en wat niets is kun je toch net zo goed alleen ondergaan. Misschien wordt het tijd voor meer afstand tussen ons. Ik mijn ontluistering, en jij die van jou – zonder dat we elkaar erbij hinderen. Kijk, daar is een deur en hier is een deur. Wat houdt ons tegen om er allebei een te kiezen ?

y (…)

x lk versta je niet. Ik geloof dat je iets gezegd hebt, maar ik heb het niet verstaan. Of had je het soms niet tegen mij ? Nee ? O… En tegen wie dan wel ? Het is toch nogal rustig, hier om ons heen. Ik weet niet beter of we zijn alleen. Maar misschien zie jij… dingen, en mensen, die voor mij verborgen blijven. En daar praat je dan tegen, dat kan. Dat schijnt te kunnen.

Jij bent – en dat wil je me natuurlijk laten merken – jij bent zo bijzonder gevoelig, zo sensitief… In contact met de verborgen krachten sta je, en ik niet. Dat bedoel je toch ? Ik versta je niet, maar ik hoef je ook niet te verstaan, ik kan jou helemaal niet verstaan – dat is toch wat je bedoelt ? Jij hoort en jij ziet alles, maar ik ben niets anders dan een huis zonder ramen, een radio zonder antenne : blind en doof…-

y Dat zeg ik helemaal niet.

x Wat dan wel ? Wat heb je dan wel gezegd ? Ik zei toch dat ik je niet verstaan had ?

y lk heb niets gezegd.

x Niets ? O, dat is gemakkelijk, denk jij. Als ik niets zeg, dan kan ik ook niets verkeerds zeggen, denk jij. Als ik niets zeg dan heb ik altijd gelijk. Dat denk jij. Zo ben jij… ‘t Is goed om het te weten, ik bedoel: ‘t is goed om er aan herinnerd te worden, dat jij zo bent, want ik wist het natuurlijk al, daar ken ik je lang genoeg voor. Jij laat mij maar praten en praten, je laat me net zo lang praten totdat ik me een keer vergis en dan hoef jij alleen maar zo’n beetje te lachen en dan heb je weer gewonnen. Makkelijk.

y Toen wij samen…

x Ja, toen! Toen! Daar zegje wel iets. Toen, dat is nu niet! Dat het vroeger allemaal anders geweest is tussen ons, dat weet ik ook wel, daar hoef je niet iedere keer weer over te beginnen. Je zei toch zelf al dat we niet steeds over vroeger moeten beginnen? Vroeger kon jij gewoon luisteren. Vroeger was er ook wanneer we niets zeiden een gesprek tussen ons tweeën aan de gang, een gesprek dat nooit ophield, omdat we elkaar begrepen en omdat de een altijd wist waar de ander aan dacht… Dat hadden we toen. En dat hebben we niet meer.

Ja, ja, zeg maar niets meer. Wat jij je af vraagt, dat vraag ik me precies zo af. Je vraagt je af hoe het allemaal gelopen is. Hoe het zover heeft kunnen komen… zover dat wij nu niet eens meer weten wie we zijn, wie we voor elkaar zijn. Dat wil je weten. En dat is waar ik ook steeds over loop na te denken.

Wat is er gebeurd, wat is er mis gegaan, wat is het dat we kwijt zijn geraakt en hoe is dat gebeurd… Heb ik het verkeerd gedaan ? Dat geloof ik toch niet.

y Maar…

x Maar ? Maar wat ? Je doet me pijn met zulke vragen, weet je dat ? Je moet niet altijd aan mij vragen ‘waarom’, je moet ook je eigen gezicht maar eens bekijken. Ook aan jou mankeert iets, maar dat vergeet jij. Het is dat ik me altijd zo bij jou weet aan te passen, anders ging het helemaal niet meer met ons.

y (…)

x Wat ? Wat heb je nu weer te zeggen? Ik versta je niet.

Als ik naar jou kijk erger ik me zoals ik me ook erger wanneer ik in de spiegel naar mezelf zou kijken. Ik herken wat ik zie en ik herinner me die vroegere beelden, die minder grauw waren en minder scherpe hoeken hadden.

Die deuren waar we doorheen zouden kunnen gaan ? Nee, dat ben ik alweer vergeten. Ik zou het niet willen. Bij gebrek aan echt gezelschap en een echt gesprek kunnen we voor elkaar een spiegelbeeld en een echo zijn. We zien wat we al wisten, we horen wat al bekend was. Maar het is te verdragen, het is beter te verdragen dan een nog vollediger duisternis en een nog completere stilte.

x lk zoek al heel lang een man. En zolang ik die niet vind, moet jij hem maar zijn.

Ja, nee, het gaat me heus niet om wat jij denkt, of zo. Dat is het echt niet. Het gaat mij erom… ik zoek een man, want een man kun je beschuldigen, die kun je aanwijzen en dan kun je zeggen: ‘jij bent het, het komt allemaal door jou.’ Dat trekken ze zich aan. Vrouwen niet, met vrouwen valt weinig te beginnen, die gaan klagen of zich verontschuldigen als je iets tegen ze zegt. Die begrijpen je nooit.

y (…)

x Zie je wel. Ik kan zeggen wat ik wil, maar het is allemaal voor niets, je begrijpt me toch niet. En daarom wil ik dat je nu eens een man bent, al is het maar voor even. Stel je voor… Je bent koel, en sterk, je kunt helder denken… Jij bent -hè, toe nou- jij bent een man en ik, natuurlijk, een vrouw. En nu gaan we… ga ik…

Ja, wat ga ik … ? Wat heb ik net gezegd? Ik ga jou, die man, ik ga jou de schuld geven. Ik kijk in de spiegel en daar zie ik een armzalig wezen met een van pijn vertrokken gezicht -ja, dat kan niemand anders dan ik zijn. En ik kijk naar jou, jij die man met dat tevreden lachje, en ik weet dat jij de oorzaak bent van die armoede en die pijn die ik gezien heb… En ik sper mijn mond open en ik schreeuw een woord in jouw richting, zo hard en gemeen en gemeend dat je in elkaar krimpt… Ja, echt leuk.

Ik schreeuw wie ik ben en waarom ik zo ben en waarom dat allemaal door jou komt. Het is haat die me drijft bij alles wat ik zeg, en je weet dat haat bevrijdt net zoals liefde je een gevangene maakt. In de vrijheid van mijn haat zoek ik jou zwakke plekken en daar steek ik in je, en jij luistert blind en je zegt…

y lk begrijp nu echt niet meer wat je bedoelt.

x Ja, dat zeg je : jij, die man die ik gezocht heb, jij zegt natuurlijk datje me niet begrijpt.

y (…)

x Eh… Ik had liever dat je wat zei, geloof ik.

Je moet goed begrijpen, ik heb het over hele gewone en concrete dingen,

niets abstracts, gewoon de pijn en de werkelijkheid van iedere dag. Kijk, jij…- laat ik een voorbeeld geven, dan begrijp je het wel.

Ik… ik word wakker, het is op een ochtend, ik moet opstaan… en naast me ligt die man. Die man waar ik het steeds over heb, die man die jij nu even voor me moet zijn. Ik ben wakker en ik kijk en ik kan me alleen maar afvragen hoe het ook al weer gegaan is -hoe is het mogelijk dat hij daar ligt, naast mij ? Ik heb weerzin van hem, zijn huid hangt bleek en zonder spanning om hem heen, ik weet dat als ik hem aan zou raken een plakkerige warmte zou voelen. Ik ben al zoveel ochtenden wakker geworden met dat lichaam naast me waaraan ik ontsnappen wil – en iedere keer, op dit moment, denk ik: vandaag doe ik het. Vandaag ga ik van hem weg of ik zeg hem dat hij van mij weg moet gaan, ik zal hem uitleggen dat het niet verder kan gaan omdat het al lang is opgehouden tussen ons – ik doe het vandaag omdat ik het niet langer verdragen kan. Maar ik weet ook hoe het verder zal gaan, vandaag net als al die vorige dagen : we zullen opstaan van dat bed, hij zal zich aan gaan kleden zodat ik die huid van hem niet meer hoef te zien en te voelen; ik zal ook de dingen doen die ik doen moet – en mijn overtuiging zal wegsmelten : ik kan er nog niet mee stoppen, zal ik denken, het kan niet – vandaag nog niet. Ik weet dat hij het niet wil, en ik weet niet zo zeker meer of ik het zelf wel wil omdat ik bang ben voor wat ik mis als ik hem niet meer zal hebben. Hij – jij dus, zeg jij dan wat hij zou zeggen…-

y Hij zegt: je moet bij me blijven, want zonder jou kan ik niet leven.

x Hij zegt: je moet niet vergeten dat ik ooit voor jou gekozen heb, en zoiets duurt een leven lang. Hij zegt: Het zal steeds mooier worden tussen ons. En hij zegt: wat heb je toch ? Je kijkt soms zo bedrukt…

y Hij zegt : Is er iets waarnaar je verlangt ?

x Iets wat ik had moeten doen ? Je zegt soms zo weinig terwijl ik weet dat je van alles denkt. Je bent soms zo ver weg…

En ik voel hoe ik ril, maar ik mag het niet laten merken. Kan iemand schuldig zijn terwijl hij zelf niet eens weet dat hij iets verkeerd heeft gedaan ? Kan ik er hem de schuld van geven dat ik hem ontmoet heb en dat ik hem toen wilde ? Vroeger was het allemaal zoveel eenvoudiger, zegt hij, vroeger hoefde we niet eens iets te zeggen en toch wisten we allebei wat we bedoelden; en nu moet ik tegen je praten en praten, zonder dat ik geloof dat je me verstaat. We slapen in hetzelfde bed, maar waar is je lichaam ? Waar ben jij ? Ben jij het met wie ik praat, ben jij het die ik aanraak ? Koud heb ik het als ik dat hoor, want ik merk dat hij hetzelfde weet als ik, maar net zo min als ik durft hij alles te zeggen. Begrijp je?

Daarom zoek ik een man, want ik weet dat een man dat voor mij kan zijn : een bron voor het verdriet dat ik nodig heb.

Als je vindt dat ik langdradig word, dan moet je het maar zeggen, hoor. Niet dat ik geloof dat ik dan iets anders zou gaan zeggen… het is een lange draad, dat leven van mij, en ik zou niet weten hoe ik het op iets anders zou kunnen laten lijken… Dat spelen wat ik doe, ik heb lang gedacht dat dat een uitweg zou zijn, dat ik op die manier zou kunnen wegkomen van wat ik ben en iets bereiken wat ik zou willen zijn… Maar hoe langer ik het doe, hoe beter ik weet dat ik alleen maar kan spelen wie ik al was.

Je bent, of je speelt, of je speelt dat je bent… ik heb gedacht dat in zulke zinnetjes iets belangrijks zat verborgen, dat er een soort waarheid in school die ik zou kunnen ontdekken… maar inmiddels interesseren ze me niet meer. Ik speel, ik ben – ik zoek het verschil niet meer. Wat ik jou nu alleen nog duidelijk zou willen maken, dat is…-Heb jij wel eens volledig willen zwijgen ? Nee, nee, zeg maar niets – je antwoord hoef ik niet te horen. Ik vraag me alleen maar af of ik de enige ben die zulke dingen overkómen-Zwijgen, alleen maar zwijgen – ik heb het gewild omdat de woorden me in verwarring brachten… Ik heb me verdwaald gevoeld, verdwaald in een bos van woorden die als dikke oude bomen het licht wegnamen. En ik zocht de rand van dat bos, het einde, daar waar je de hemel weer zou kunnen zien – maar ik heb het niet gevonden. Ik zocht naar iets eenvoudigs om te zeggen, iets dat iedereen meteen zou begrijpen omdat het waar was, iets dat iedereen meteen herkennen zou als de simpele waarheid… maar ik heb het niet gevonden. Wat ik gevonden heb zijn enkel die bomen, die zware logge zinnen vol verwikkelingen en complexiteiten… en daar kreeg ik genoeg van en toen heb ik het zwijgen gezocht.

y lk

ben bang

bedroefd

verdrietig

er was een man

heel boos

heeft mij betoverd

in een zwaan veranderd

maar wacht

als er een man is

die van mij houdt

en me trouw zweert

dan kan de betovering

verbroken worden.

x Maar nee ! Ook die stilte waartoe ik verviel heeft me natuurlijk geen rust en geen tevredenheid gegeven, want al zei ik zelf niets meer, dan nog gingen de anderen gewoon door – en te moeten luisteren naar wat er door hen gezegd werd vond ik nog erger dan zelf te spreken… De onwaarheden die je uit vreemde monden aan moet horen… Wie ik zelf ben, dat zal ik zelf toch wel het beste weten. Toch zijn het die anderen die denken dat zij je dat vertellen moeten… Als je stil bent hoor je hun stemmen, de stemmen van de mensen die je beweegredenen beter kennen dan je zelf doet. ‘Waarom doet ze zo moeilijk, die vrouw ? ‘ – hoor je ze zeggen. ‘Ze is natuurlijk van alles te kort gekomen, vroeger. Ze heeft – het kan niet anders of zo is het – ze heeft als zuigeling in een wiegje gelegen en haar dekentjes waren te dun en het raam stond open en buiten was het winter… Toen heeft ze zich hees geschreid maar haar moeder was uit werken gegaan dus die heeft dat stemmetje niet gehoord en dat…’ Ik draai om een huis heen, ik weet waar de deur zit maar ik durf er niet binnen te gaan. Dat huis… er is daar zoveel licht dat je door alles heen kunt kijken en dan, als alles doorzichtig is, zijn de vragen geen vragen meer.

En zonder die vragen kan ik niet, ik heb vragen nodig omdat ik bang ben voor de antwoorden. Wat me beweegt en waarom ik hier ben en wat ik hier doe – en met jou -ik kan het maar beter vragen dan weten, omdat ik wel weet dat er niet veel te weten valt.

En zolang ik nog vragen heb, alleen maar vragen… zolang kan ik alles doen wat ik wil en kan ik blijven geloven dat er banden zijn tussen mij en de dingen om me heen, dat het iets uit maakt wat ik doe en wat ik nalaat. Er is een huis waar zoveel licht is dat de vragen er verbleken en de antwoorden zich opdringen en waar alles wat ik zeggen kan eindigt in een paar voortdurend herhaalde woorden: “nee… nee… ik niet..”. Voor dat huis ben ik bang. Als jij dat huis zou kunnen zijn… Ik nader voorzichtig en ik kijk door een kier van je raam naar wat daar binnen gebeurt…

Ik leg mijn oor tegen je muren van steen en ik luister.

Jij… – jij zegt het, niet ik, ik hoor het uit jouw binnenste komen – Jij zegt dingen tegen mij die ik liever niet zou horen.

“Weet je nog…”, zeg jij, “weet je nog waarmee je begonnen bent?” En je gaat door, je geeft zelf het antwoord en ik luister en ik weet dat het waar is wat je zegt.

“Je bent begonnen met te geloven dat de dingen vanzelfsprekend met elkaar verbonden waren. Dat het verschillende manifestaties van dezelfde kracht waren. Je lichaam, de dingen die je deed en de wereld daaromheen, het hoorde bij elkaar en dat stelde je gerust. Je bent gaan spelen, niet om een ander te zijn maar om iemand te zijn, om te laten zien dat je er was – en omdat je dacht dat je wist wat je vond van de wereld en dat het allemaal anders zou kunnen. Zo ben je begonnen -‘een speelster is er uit haar geworden…’ –

en je werd steeds mooier en je deed het steeds beter en het kon niet anders, dacht je, of dat was goed, goed voor jou en goed voor die wereld. Maar ‘wereld’ is een groot woord, te groot voor jou, dat heb je gemerkt. De wereld bereik je niet, de wereld is geen plek waar je heen kunt lopen, de wereld is niet iets wat ligt te wachten om door jou verbeterd te worden… Dat waar je mee te maken hebt dat heeft kleinere namen : een man, een minnaar, een moeder, een kind… die heb je, of je hebt ze niet…” Jij, jij zegt deze dingen. Jij, dat huis waar de waarheid woont die blind is en verblindend tegelijk… Ik wil het niet horen en ik kan me er toch niet los van maken. Ik kan wat jij zegt proberen te overstemmen – maar de verhalen die ik vertellen kan bevestigen alleen maar wat jij al van me weet.

Ik zit stil en rustig in een goed verwarmde kamer en daar, tegenover me… daar zit jij. Ik denk aan die middag toen wij elkaar gezien hebben. Jij stond druk te praten in een groep mensen en ik deed hetzelfde – en toen hebben we elkaar gezien en we vielen allebei stil en ik wist opeens dat ik ergens was aangekomen, ergens op een plek die ik gezocht had zonder dat ik het zelf wist. Op dat moment hebben de dingen hun belang verloren. Hebben alle andere dingen hun belang verloren. Vanaf dat moment was de buiging van een stem, de beweging van een hand – of een ooglid, van een groter gewicht dan een eeuw geschiedenis zou kunnen zijn.

Ik zit in die warme kamer en in de blik van jou, tegenover me, lees ik mijn eigen gedachten… Dit zou eeuwig moeten duren, blijf ik denken, maar ergens in een hoekje begint al iets te groeien, het plantje van de ontevredenheid.

Dat ik jou heb, dat wij elkaar volledig bezitten, dat maakt ons zwak. Afhankelijkheid is zwakte. Jij weet waar ik bang voor ben. Ik ben bang voor het onopzienbarende waar alles waar ik me mee bezig houd toe leidt. Het begint breed en groot, maar het blijkt een soort trechter te zijn en tenslotte wordt het een traag straaltje van alledaagsheid. We praten en praten en praten en waar komt al praten op neer ? Het komt er op neer dat we moe zijn en een beetje teleurgesteld en dat we verlangen naar een man maar ook naar het alleen zijn… Nou, nou, wat een verrassing. Zijn dat niet dezelfde dingen waarover het al gaat vanaf de dag dat de eerste vrouw haar mond heeft open gedaan ?

Ik zoek iets… oorspronkelijks… maar ik ontsnap niet aan wat iedereen bekend is : als ik praat dan moet ik praten over het verdriet dat ik voel omdat er een hoogtepunt voorbij is gegaan, zonder dat ik het herkend heb toen het er was. En nu wordt het niets meer, niets groters, niets hogers. Ik droom van een kip die weet dat ze geen kraanvogel worden kan.

theatertekst
Leestijd 15 — 18 minuten

#29

15.03.1990

14.06.1990

Rob de Graaf

theatertekst