‘Duizend rozen’ (Arca) Foto Luk Monsaert

Luk Van den Dries

Leestijd 4 — 7 minuten

1000 rozen

Arca Gent

Een arbeider komt thuis. Zwaai-handje voor het raam. Opgezette lach. Ik help je uit je jas lieverd. De tafel is al gedekt. De soep wordt uitgeschept. En vloeit even later op het vloerkleed. Gevolgd door het gekletter van een bord. De hand trekt zich langzaam terug. De mond vertrekt in afschuw. En begint te spuwen. Ik heb er genoeg van, zegt hij. Ik heb genoeg van je. Je verplettert me. Je verplettert de kamer. Je neemt alle lucht weg. Zelfs de meubels hebben je geur. Ik heb genoeg van je mond. Van je tanden. Van je borsten. Van je schuur. Ik wil weg. Onverstoorbaar dekt de vrouw terug de tafel. Strijkt de plooien van het tafelkleed glad. Schept de soep uit. Trekt hem af. Hij lepelt zijn bord uit, doet zijn broek toe, en gaat terug naar de fabriek. Haar opgezette lach trekt weg. Verandert in een grimas. Wordt pijn. Schreeuw.

Is dit het ? Is dit ons leven, vraagt Allen in Noréns Nachtwake te midden van scherven, opgekropt leed, bergen frustraties. Zo is het, toont Gustav Ernst in 1000 rozen, en onderstreept nog eens de banaliteit. De vale vlakheid van uitgedoofde relaties. De bewusteloze blik van lege mensen. De gore platheid van een zinloos bestaan. De mens herleid tot twee functies : arbeid en drift. Hij wordt uitgebuit in een werksituatie waarin hij totaal vervreemd is van het produktieproces. Hij is slaaf van zijn driftleven waarin hij op zoek gaat naar eenheid en geborgenheid, maar botst op jaloezie en afstand. In beide gevallen krijgt het individu niet de kans zich te ontplooien. De buitenwereld treedt op emotioneel vlak, zowel als in het arbeidsproces, verminkend en censurerend op. Wat blijft is walg. Walg die zich richt tegen plaatsvervangende objecten : dikke kleffe cocktailworstjes kunnen b.v. plotseling onuitstaanbaar worden. Walg die zich ontlaadt in agressie : de hierboven beschreven scène is een voorbeeld van verbaal geweld, op andere momenten gaat die over in fysieke terreur en moord. 1000 rozen dampt en kookt van walging. Niet de nausée van Sartre die tot bewustzijn en vrijheid leidt, maar een walg die zich verstopt in verstikking en verstomming.

Dit stuk is een wonderlijke paring van freudiaans en marxistisch gedachtengoed. Het onvermogen waarmee de personages relationeel met elkaar omgaan – van sublimatie tot een letterlijk in mekaar opgaan -en de extreme destructie die ze t.o.v. zichzelf aan de dag leggen, komen voort uit hun psychische desoriëntatie én het ideologisch beheer van het bewustzijn. Vervormd op psycho-sexueel gebied door een schizofrene scheiding tussen bewustzijn en onderbewustzijn (geïncarneerd door de man Harry) en bestuurd door een haast blinde produktiviteitsdwang (dit geldt m.n. voor de vrouw Gina), slagen deze personages er niet in een evenwichtige identiteit, laat staan een relatie te ontwikkelen. De in het stuk allegorisch voorgestelde moederfiguur koppelt deze psychoanalytische en ideologische dimensies : ze vertegenwoordigt tegelijk het autoritaire principe van een louter op produktiviteit gerichte maatschappij, en de aliniëring van het gevoelsleven. Het andere koppel is er niet beter aan toe : Kernstock, een keffende en geniepige bediende, wordt platgedrukt, ook sexueel in de versie van de Trust, door werkgever Gina; onderdrukking die hij op zijn beurt zal doorzetten in zijn relatie met zijn vrouw Rita. De neurotische personages van Lars Norén zijn even dichtbij als de maatschappelijke verklaringen van het politiek theater.

Het kan niet anders of zo’n vreemd koppel vraagt om problemen. De psychologisch realistische traditie van een O’Neill of een Norén laat zich moeilijk inpassen in het expliciet politieke discours van het vormingstheater. Zo wel De Trust in Nederland (regie Theu Boermans) als Arca in Vlaanderen(regie Ronnie Comissaris) kozen voor een lichtjes ontwricht naturalisme. Bijna hyperrealistisch oogden decor en aankleding : De Trust speelde op lokatie in wat voor een tuinbouw-groothandel kon doorgaan, Arca imiteerde het tuincenter binnen de theatermuren. Daarin worden uitvergrote types neergezet. Bij De Trust gebeurt dat met typische agressiviteit en eendimensionaliteit : de dubbele moord aan het einde vindt plaats in ware Texas Chainsaw Massacre-stijl; en de figuren spreiden op enkele karakterimpulsen een fysiek geaccentueerd typegedrag uit. Bij Arca helt de uitvergroting naar groteske over : in al hun tragisch onvermogen krijgen de personages ook iets onnozel-komisch. Vooral Herman Gilis slaagt erin zich op dit glibberige terrein recht te houden : tegelijk een gevaarlijke gek en een kind dat bedelt om wat genegenheid, kantelt hij voortdurend van luciditeit in plompheid, van tederheid in bruutheid, van platvloersheid in filosofie. In de veelhoekige contouren waarmee hij vorm geeft aan zijn personage, krijgt het vreemde jargon van Gustav Ernst met zijn combinatie van politieke analyse, sociale milieuschets, psychisch portret, en dat alles gedrenkt in een directe, harde taal, een vanzelfsprekende invulling. Op andere momenten knarst en wringt het stuk : het hyperrealisme van het decor botst op tegen de bijna filosofische dimensie, de dialogen fladderen de eng getekende personages als een te groot pak om het lijf. In de opstuivende wind ontsnapt terzelfdertijd de afkeer die als turbulente werking van het stuk zou kunnen fungeren. Maar het is moeilijk om de windrichting juist te bepalen : ligt het aan de acteurs die de uitvergroting niet aandurven of juist overslaan in makkelijk schmieren; aan de regie die de smaak van het gedoseerd groteske mist; of aan de schrijver die geen woorden voor zijn walg vindt ?

Auteur : Gustav Ernst;

vertaling: R. Maekelberg;

regie: R. Comissaris;

decor : J. Herbosch;

kostuums: A. Haerden; spelers : H. Gilis, P. Pinoy, E. Asselbergs, M. Cnudde, R. Verschaeren.

Gezien in Area te Gent op 1 november 1990.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.  

recensie