Blab – Sonja Jokiniemi

Een roze, niet-functionele trekkersrugzak ofwel een baarmoederobject

Met haar recentste voorstelling Blab brengt de Finse choreografe, beeldend kunstenares en danseres Sonja Jokiniemi een eigenzinnige performance op NEXT. In eerder werk legde Jokiniemi al een interesse aan de dag voor de ‘politieke ecologie van dingen’ en alternatieve vormen van communicatie. In Blab worden die twee wegen verder bewandeld. Jokiniemi schuwt hier elke vorm van herkenbaarheid en narrativiteit en in plaats daarvan stoot ze ‘blab’ uit: onverstaanbaar gekwebbel. Ze spreekt in een hybride taal, die een nieuwe en bijzondere zijnsorde van gelijke entiteiten tot stand brengt op de scène.

De scène is een wit vlak, een white cube, waarop de verschillende objecten zijn uitgestald. Blab is dan ook een voorstelling die het midden houdt tussen performance en beeldende kunst. Centraal op het witte vlak ligt een voorwerp dat door zijn grootte de meeste aandacht naar zich toe trekt: een roze massa die enigszins vergelijkbaar is met een niet-functionele trekkersrugzak waar touwen en kettingen omheen gespannen zijn. Ook de andere voorwerpen in de ruimte vallen maar moeilijk thuis te brengen. Het gaat om amorfe samenstellingen en enkele fallus-achtige vormen, bestaand uit rubberen slangen, wol, stofjes, houten planken, ijzeren kettingen,… Jokiniemi’s white cube is in die zin een performatieve verwant van het werk van beeldend kunstenares Louise Bourgeois. Aan de zijkanten van het podium hangen drie schilderijen van Jokiniemi, die erotische taferelen afbeelden. De stijl en het onderwerp van de doeken doen denken aan een kruising van de abstractie en de frontaal weergegeven seksualiteit in Picasso’s Les Demoiselles d’Avignon met de huiselijkere, doch taboeloze seksualiteit van Japanse houtsneden.

De drie performers functioneren als begeleiders van de sculpturen op scène. Door hun toedoen ontstaat er dynamiek: zij activeren de objecten door ze (weliswaar emotieloos) aan te raken en te verplaatsen. Hun activiteit richt zich bijna uitsluitend tot die voorwerpen. Objecten en subjecten zijn in Blab dus wederzijds afhankelijk van elkaar. Er wordt een sfeer gecreëerd van mens-dingen, die schijnbaar zonder hiërarchie en doel met elkaar interageren. Je zou je in de beleving van een baby kunnen wanen, die de wereld subjectloos ervaart en dus ook geen onderscheid maakt tussen het ‘ik’ en de wereld en tussen dingen onderling. Een kind dat, anders gezegd, geen toegang heeft tot talige categorieën en enkel een brabbeltaaltje (blab) ter beschikking heeft om zich uit te drukken.

Aanvankelijk raken de performers de objecten vooral aan met hun handen, maar in de loop van de voorstelling zetten ze meer en meer hun hele lichaam in. Wat opvalt is dat ze de voorwerpen ook in hun mond nemen. Zij ‘penetreren’ de objecten als het ware met hun speeksel (hoewel je evengoed kan stellen dat de penetratie tweerichtingsverkeer is). Het hele gebeuren krijgt dus een seksuele geladenheid, getuige ook de talrijke aanwezigheid van de fallusvormige fetisjen en de geschilderde taferelen. Uit de roze massa halen de performers bovendien nog meer kettingen, rubberen slangen en stoffen en spreiden die uit over de ruimte, terwijl ze verbonden blijven met het (baar)moederobject, alsof ze met een navelstreng vasthangen.

De kracht van deze voorstelling is de ongrijpbaarheid, die inherente queerness, die zich op geen enkele mogelijke manier laat ‘onderbrengen’ of monddood maken door talige categorieën. Zo vallen de amorfe objecten buiten de gekende identiteiten en overstijgt ook het seksuele verlangen elke vorm van classificatie. Het woord ‘penetratie’ zou misschien doen vermoeden dat Blab een vleselijke voorstelling is, maar dat is zeker niet het geval. De materie die op de scène aanwezig is alsook de omgang ermee, zijn minder vloeibaar dan ook de titel van de voorstelling suggereert (op één blauwe, blubberige substantie na, die bijna letterlijk de incarnatie van ‘een blab’ zou kunnen zijn). De eerder mechanische en abstracte handelingen en de ‘wolligheid’ van sommige objecten werken de queerness van de voorstelling alleszins verder in de hand.

“De kracht van deze voorstelling is de ongrijpbaarheid, die inherente queerness, die zich op geen enkele mogelijke manier laat ‘onderbrengen’ of monddood maken door talige categorieën.”

Deze nieuwe zijnsorde is niet helemaal vrij van geweld, nog zo’n onderhuidse kracht die niet-categorisch is. Wat het geweld in dit geval zo ondoorgrondelijk maakt, is de onduidelijkheid omtrent de afkomst en het doelwit ervan. Soms porren de performers nogal hardhandig met een stang in het roze object of gooien ze andere objecten op de speelvloer. Door de boxen weerklinkt enkele minuten lang een vervaarlijk, monsterlijk geluid. Het mechanische van de handelingen op scène lijkt tijdens die minuten minder onschuldig dan de initiële associatie met een babybeleving insinueerde. De handelingen krijgen zelfs iets dreigends. Naar het einde van de voorstelling toe verandert ook het gedrag van de performers: plots beginnen zij schokkerig te bewegen. Het is alsof iets bezit van hen neemt, alsof ook zij op hun beurt gepenetreerd worden door iets dat buiten hen ligt en alsof zij zich daar tevergeefs tegen proberen te verzetten. Blab zou om al die redenen vergeleken kunnen worden met de uitvoering van een ritueel, waarbij de performers trachten om hun nieuw gevestigde orde te bestendigen door steeds gelijkaardige handelingen uit te voeren. Het is ook een manier om bepaalde krachten op te roepen of net te bezweren.

Blab is een geslaagde poging om voorbij de mens als maat van alle dingen te denken en duurzame relaties aan te gaan met omgeving en objecten. De vraag is echter of de toeschouwer, vanop de toeschouwersstoel, effectief deel begint uit te maken van de hiërarchieloze orde der dingen door enkel te kijken. Een mogelijk antwoord is dat dat niet gelukt is omdat er nog een te conventionele ruimtelijke opdeling was tussen scène en publiek. De objecten, performers en handelingen vormen bovendien in Blab, net als bij een ritueel, een zeer in zichzelf besloten, autonoom geheel, waarin buitenstaanders niet betrokken worden. De zintuiglijke omgang tussen mensen, het fetisjistische verlangen en het geweld slaan namelijk onvoldoende over op de zintuigen van de toeschouwers. Er zijn althans maar weinig momenten waarop Blab de andere zintuigen prikkelt en werkelijk visceraal wordt, daarvoor had de voorstelling misschien nog vleziger, vloeibaarder en vervaarlijker moeten zijn. Om helemaal queer te kunnen zijn, had élk onderscheid moeten wegvallen, ook dat tussen scène en publiek. Doordat de immersie onvolledig is, wordt de toeschouwer misschien net zelfs teruggeworpen op zichzelf (als maat van alle dingen). Toch draagt ook dat ultieme verzet tegen conceptuele smoothness weer bij tot de koppige ongrijpbaarheid of onleesbaarheid van de voorstelling, die zich dus als een geweld(dad)ige kracht tegen het toeschouwerschap keert.

 

 

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Elke Huybrechts

Elke Huybrechts studeert aan de Universiteit Antwerpen en loopt stage bij Etcetera.