Liefde – (Tekening van F. Garcia Lorca)

Leestijd 19 — 22 minuten

Zonder Titel – Federico Garcia Lorca

(Comedia sin titulo) – Vertaling: Tonny Holtrust

Personages in volgorde van opkomst (1)

Schrijver (theatermaker)
Toeschouwer 1

Bediende
Toeschouwster 1
Jongeman
Souffleur
Actrice
Nick Bottom
Toeschouwster 2
Toeschouwer 3
Man in het zwart (eigenaar van het theater)
Houthakker (die “maan” speelt)
Toeschouwer 2
Toneelknecht
Vrouw 1
Vrouw 2
Toeschouwster 3
Fee
Elf
Arbeider

 

(Grijs doek)

Schrijver Dames en heren, Ik ga het doek niet ophalen om het publiek met een woordenspel te verblijden, of met een panorama waar een huis te zien is waarin niets gebeurt, en waarop het theater zijn schijnwerpers richt om te amuseren en u te doen geloven dat dat nu het leven is. Nee. De dichter, met al zijn vijf zintuigen in volmaakte conditie zal u vanavond, niet tot zijn genoegen, maar tot zijn spijt een stukje werkelijkheid tonen. In alle bescheidenheid moet ik erop wijzen dat niets verzonnen is. Engelen, schaduwen, stemmen, sneeuwliedjes en dromen bestaan en ze bewegen zich onder jullie, even echt als ontucht, de munten die jullie in je zak hebben, of de latente kanker in de mooie vrouwenborst of de vermoeide tong van de koopman. Jullie komen naar het theater met als enige wens je te vermaken en jullie hebben schrijvers die je betaalt, zeer terecht, maar vandaag zet de dichter jullie klem want hij is er beslist op uit jullie hart te raken door de dingen te tonen die jullie niet willen zien, door de simpelste waarheden uit te schreeuwen, die jullie niet willen horen. Waarom? Als jullie in God geloven en ik geloof, waarom zijn jullie dan bang voor de dood? En als jullie in de dood geloven, waarom dan die wreedheid, die onverschilligheid voor het vreselijke lijden van jullie medemensen? Ha ha ha ha! Jullie zullen zeggen dat dit een preek is. Nou en, is een preek lelijk? Bijna al degenen die naar me luisteren hebben ooit de deur dichtgegooid en zijn vertrokken, hun vader of hun moeder achterlatend op een moment dat die ze voor hun bestwil kapittelden, en op dit moment zouden ze alles geven wat ze hebben, tot hun ogen toe, om opnieuw die zachte verklonken stemmen te horen. Zo ook nu. Maar de werkelijkheid onder ogen zien is moeilijk. En haar onderrichten zoveel te meer. Het is prediken in de woestijn. Maar het doet er niet toe. Bovenal voor jullie, stadsmensen, met het armste en ellendigste leven dat je je kunt voorstellen. Alles wat jullie doen is wegen zoeken om niets te weten te komen. Als de wind huilt, speel je pianola om niet te verstaan wat hij zegt; om de eindeloze stroom van tranen om ons heen niet te zien, hang je de ramen vol kantwerk; om rustig te kunnen slapen en het onophoudelijke getsjirp van je geweten het zwijgen op te leggen, vinden jullie verzorgingstehuizen uit. Een preek! Ja, een preek! Waarom moeten we altijd naar het theater om te zien wat er gebeurt en niet om te zien wat er met ons gebeurt? De toeschouwer is gerust omdat hij weet dat het stuk zich niet tot hem richt, maar wat zou het prachtig zijn als ze hem plotseling vanaf de planken toeriepen en hem aan het praten kregen, en de zon van het toneel het bleke gezicht van die wegkruiper zou doen gloeien!
De werkelijkheid begint omdat de schrijver niet wil dat jullie je in het theater voelen maar midden op straat; en hij wil dus ook geen poëzie, geen ritme, geen literatuur maken, hij wil jullie hart een lesje geven, daar is hij dichter voor, maar in alle bescheidenheid. Iedereen kan het. De schrijver weet hoe hij verzen moet maken, naar mijn mening heeft hij hele mooie gemaakt, en hij heeft geen slechte theaternaam, maar gisteren zei hij me dat elke kunst voor de helft kunstmatig is, wat hem nu ergerde, en dat hij geen zin had hier met de geur van witte leliën aan te komen of met de salomonszuil (2) besmeurd door gouden duiven. (Klapt in zijn handen.) Wilt u mij een kop koffie brengen? (Er valt een doek, beschilderd met huizen en vuiligheid. Pauze,)
Lekker sterk. (Gaat zitten. Er klinkt vioolspel.)
De geur van witte leliën is aangenaam, maar ik heb liever de geur van de zee. Ik zou kunnen zeggen dat de geur van de zee ontstijgt aan de borsten van de sirenen en zo nog duizend dingen, maar haar maakt het niet uit en zij hoort het evenmin, zij blijft tegen de kust aan bonken in afwachting van nieuwe drenkelingen, dat is wat haar voor de mens interesseert. Maar hoe breng je de geur van de zee over naar een theater of hoe bezaai je de zaal met sterren?
Toeschouwer 1 (stalles) Door het dak weg te halen.
Schrijver Val me niet in de rede!
Toeschouwer 1 Daar heb ik het recht toe. Ik heb betaald voor mijn plaats!
Schrijver Het betalen van een plaats geeft geen recht tot het in de rede vallen van een spreker, en nog veel minder tot het beoordelen van het stuk.
Toeschouwer 1 Nou en of!
Schrijver Of het u bevalt of niet, applaudisseer of wijs het af, maar beoordeel nooit.
Toeschouwer 1 De enige wet van het theater is het oordeel van de toeschouwer.
(Er komt een man hollend op, gekleed in rood tricot. Hij draagt een wolfskop. Hij maakt twee salto’s en valt midden op het toneel.)
Schrijver Wie is dat? O, u heeft zich bezeerd!
Maar komt u hier niet nog een keer langs. Dat verbied ik u onherroepelijk.
Stem Lorenzo! Mijn Lorenzo! (3)
(De wolf gaat af, in het licht van een volgspot.)
Toeschouwer 1 Abominabel!
Schrijver Wees zo goed uw mond te houden.
Toeschouwer 1 Ik heb betaald om theater te zien.
Schrijver Wat? Wat? Theater? We zijn hier niet in het theater.
Toeschouwer 1 O nee?
Schrijver (heftig) Nee, mijnheer. Wat nu speelt, is dat u bang bent. U weet, omdat u me kent, dat ik de muren omver wil halen zodat wij horen hoe ze huilen of moorden of hoe daarbuiten bedorven buiken knorren van mensen die niet eens weten dat het theater bestaat, en daar schrikt u voor terug. Maar gaat u toch weg. Thuis heeft u de leugen die op u wacht, u heeft er uw thee, uw radio en een vrouw die, als ze de liefde met u bedrijft, aan de jonge voetballer denkt die in het kleine huis aan de overkant woont.
Toeschouwer 1 Als we niet waren waar we zijn, zou ik naar boven komen om u een klap in uw gezicht te geven.
Schrijver Ik zou u mijn andere wang toekeren. Lafaard.
Bediende De koffie.
Toeschouwer 1 Ik heb te veel oog voor de werkelijkheid om daar op in te gaan.
Schrijver Hahaha! De werkelijkheid. Weet u wat de werkelijkheid is? Luister maar. Het hout van onze doodskisten, van allen die hier in de zaal zijn, is al gehakt. Er staan vier doodskisten achter glas te wachten op vier schepselen die nu naar mij luisteren, en misschien is er één, misschien, één die al bij het aanbreken van de dag gevuld kan worden, kort na het veriaten van deze o zo levendige plaats.
Toeschouwer 1 Ik ben niet gekomen om lessen in moraal te krijgen of om naar onaangename zaken te luisteren. Weest u maar dankbaar dat u in Spanje bent, een land dat gek is op de dood. In Engeland zouden ze u allang uitgefloten hebben. Ik ga. Ik dacht dat ik in het theater was.
Schrijver Wij zijn niet in het theater. Want ze zullen de deuren beneden komen inslaan. En ons allemaal redden. Hierbinnen heerst een verschrikkelijke leugenachtige sfeer, en de personages in het drama zeggen niet meer dan wat ze hardop mogen zeggen ten overstaan van kwetsbare dames, maar ze verzwijgen hun werkelijke angst. Daarom wil ik geen acteurs maar mannen van vlees en bloed en vrouwen van vlees en bloed, en wie niet wil luisteren houdt zijn oren maar dicht.
Toeschouwer 1 Laten we gaan, lieveling. Deze man zal ten slotte nog met de een of andere gruwelijkheid komen.
Toeschouwster 1 Ik zou liever blijven. Het thema interesseert me.
Schrijver U bedoelt dat het leven u interesseert. Het ongelofelijke leven dat het theater niet heeft op die manier. Enkele dagen geleden kon ik op deze zelfde plaats een paar vrienden als tranentest een sterke scène presenteren waar die man van u niet in zou geloven. In een kleine kamer stierf een vrouw van de honger. Haar twee kinderen die ook honger hadden, speelden met de handen van de dode, liefdevol alsof het twee witte broden waren. Toen het donker werd, ontblootten de kinderen de borsten van de dode en vielen erop in slaap, nadat ze een doos schoensmeer hadden opgegeten.
Toeschouwer 1 Wat overdreven!
Schrijver Luis weet dat ik de zuivere waarheid spreek.
Toeschouwer 1 We gaan, zeg ik je!
Toeschouwster 1 Ach, doe toch niet zo. In het theater is alles gelogen.
Schrijver Het is niet gelogen! Het is waar!
Toeschouwster 1 Nou, als het waar is, dan gaan we! Wat afschuwelijk! Hè, wat onaangenaam!
Toeschouwer 1 (vertrekkend, tot de suppoost) Laat een taxi komen!
Toeschouwster 1 Hoe kon je toestaan dat ze in mijn bijzijn zulke dingen zeggen? Het was waar! En waarom hebben ze hen niet onmiddellijk opgepakt?
Toeschouwer 1 Kom nou maar! Ik wist wel dat je er onwel van zou worden! (Beiden af.)
Jongeman (in rok, vanuit de benedenloge) Als u zo doorgaat, laten ze u alleen achter.
Schrijver Aha! was u hier?
Jongeman Ja, uw experiment interesseert me bijzonder.
Stem (van achter de schermen) Lorenzo! Mijn Lorenzo!
Schrijver Excuseert u mij. (Richt zich tot de bediende met de kop koffie.)
Jongeman Ik denk dat deze mensen u niet laten begaan. Het is toch zo mooi, theater! Wat gaat u doen met de zilveren bekers, het hermelijnbont?… Die stem, die twee keer geklonken heeft, raakt mij veel meer dan een echte doodskreet…
Schrijver Dat alles is al uit het theater verdwenen. (Tot de bediende) Waarom breng je zo weinig koffie en zulke slechte?
Bediende Ik morste per ongeluk. Alles was donker en ik stuitte op een paar vissers die zongen met een paar loden vissen op hun hoofd. Daarna vielen er een paar gaasdoeken helemaal over me heen, een paar gaasdoeken vol met vliegen, en een oude man zei me dat het nevel was. Ik ben dit niet gewend en werd bang.
Schrijver Bang voor dingen die geschilderd zijn.
Bediende In mijn café is licht.
Schrijver En daar schrik je niet?
Bediende Nee, mijnheer.
Schrijver Komen er veel dronkaards?
Bediende Ja.
Schrijver En er wordt gepraat?
Bediende Er wordt gepraat over dronkemanszaken. Gisteren brachten ze een kind en een grote kalkoense haan mee en wedden erom wie het eerst dronken zou worden. Het kind gaven ze cognac en de kalkoen anisette met krummeltjes tabak. Gelachen dat we hebben. Het kind werd het eerst dronken en het sloeg met zijn hoofd tegen de muur. De kalkoen hebben ze later de kop afgesneden met een scheermes. En ze aten hem op.
Jongeman Ziet u? Deze jongen zou tranen storten om een goed vertelde liefdesgeschiedenis. We hebben het toneel nodig! U zult falen!
Schrijver Waarom heb je het niet tegengehouden?
Bediende Ik moet aardig zijn tegen de klanten.
Schrijver En je was niet bang?
Bediende (lacht) Hoe zou ik bang moeten zijn voor een kind of een kalkoen? Toen ze hem de kop afsneden, goten ze hem nog een glas anisette in zijn open bek. Ze deden er bijna een half uur over want het scheermes was bot.
Schrijver Hou je mond!
Bediende Daar schrikt u van? U zou eens met carnaval moeten zien. Vorig jaar kwam er een dronkaard die viool speelde. Ik moet nog lachen als ik eraan denk. Weet u wat dat voor een viool was? Dat was een kat, ruggelings gekruisigd op een wasbord, de strijkstok was een dikke bos braamtakken en als die langs het diertje gehaald werden, begon het vreselijk te miauwen, wat dienst deed als muziek voor het dansen van twee heel mooi geklede vrouwen, ja in satijn, de een als Pierrot en de ander als Colombina.
Jongeman Zingt u een smartlap voor hem en u zult eens zien wat een tranen!
Schrijver Wilt u me met rust laten?
Jongeman Ik wijs u er maar op. Zij die zich op hun scherpzinnigheid laten voorstaan, noemen het wreedheid, anderen afwijkingen, en ze draaien zich op hun andere zij om beter in slaap te vallen.
Schrijver Het is zaak ze wakker te schudden en de ogen te openen, ook al willen ze niet.
Jongeman Waarom?
Schrijver Om te zien.
Jongeman Wees er maar zeker van dat de helft van hen, net uit hun slaap ontwaakt, met de snaren van het conventiegetrouwe geweten nog niet gespannen, de bos braamtakken zal vragen om die genietend stevig langs het gekruisigde dier te halen.
Bediende En daar zouden ze heel goed aan doen. Katten zijn gevaarlijk, krabben kinderen en zijn niet trouw.
Schrijver (tot de jongeman) Ik wil niemand verbeteren. Ik wil alleen dat de mensen de waarheid zeggen. En hij daar zegt haar in het openbaar.
Jongeman Tot de helft.
Schrijver Natuurlijk, omdat zij nog slecht belicht is. Er moeten nog schijnwerpers komen die zo sterk zijn dat ze het hart van de spreker in brand kunnen steken en vernietigen. (Tot de bediende) U kunt gaan. (De bediende af.) (Zich naar links wendend.) Nee! Ik heb je gezegd dat je hier niet komt. Ik wil je niet zien. Ik ben de leugens moe.
Bediende (op) Mijnheer.
Schrijver Wat?
Bediende Wilt u zo goed zijn tegen het personeel te zeggen dat ze het licht aan moeten doen?
Schrijver Waarom?
Bediende Om eruit te komen.
Schrijver Volg de gang, til links aan het eind het gordijn op, loop door het repetitielokaal, en dan kom je via een trap op straat.
Bediende Maar…
Schrijver Kom, ga weg!
Bediende Maar ik ben bang. Ik moet over de nevel springen die op de grond ligt en bovendien zitten er twee grote vogels in het dakraam.
Schrijver Doe het licht aan! Er is niets aan de hand. U zult het zien. Een paar gaasdoeken en een paar beschilderde decordoeken.
Bediende Ja, ja, maar ze lijken echt.
Schrijver En als ze dat waren?
Bediende O! Als ze dat waren, een welgemikt schot…
Jongeman Bravo! Natuurlijk! (De bediende af) (Drie harde slagen weerklinken en er valt een doek waarop een onwaarschijnlijk paleis geschilderd is.)
Souffleur (op) Mijnheer de regisseur, komt u niet bij de repetitie?
Schrijver Nee. Wat wordt er gerepeteerd?
Souffleur “De midzomernachtsdroom”.
Schrijver De mensen kunnen bij “Othello” huilen en bij “De getemde feeks” lachen, maar “De midzomernachtsdroom” begrijpen ze niet, en ze lachen erom. Hoewel, het is maar beter ook dat ze er geen idee van hebben. Kent u het thema van het stuk?
Souffleur Ik ben souffleur. Ik kan dat niet zo goed uiteen zetten.
Schrijver Het is een somber thema.
Souffleur Ik word er heel vrolijk van.
Schrijver Toch is het niet vrolijk. Alles in het stuk is er op gericht te laten zien dat de liefde, van welke aard ook, een toevalligheid is, die wij volstrekt niet in de hand hebben. De mensen slapen, dan komt de elf Puck, laat ze aan een bloem ruiken, en als ze wakker worden, verlieven ze zich op de eerste de beste die voorbij komt, hoewel ze voor het slapen nog op iemand anders verliefd waren. Zo raakt de elfenkoningin, Titania, verliefd op een boer met een ezelskop. Een schokkende waarheid, maar een afbrekende waarheid kan tot zelfmoord leiden en de wereld heeft nu meer dan ooit waarheden nodig die troost bieden, opbouwende waarheden. Men moet niet aan zichzelf denken maar aan de anderen. Ik ga niet naar de repetitie.
Souffleur Hoe doen we de wind na, die in de bosscènes moet waaien?
Schrijver Zoals jullie willen. Door met gesloten mond te zingen. Laat me met rust. Het is de laatste keer dat ik een voet in het theater zet.
Actrice 1 (komt op, gekleed als Titania)
Lorenzo! Lorenzo! Waarom kom je niet? Ik kan niet werken zonder jou. Als ik de zonsopgang niet zie, waar ik zo van hou, en niet blootsvoets door het gras ren, is dat alleen om jou te volgen en bij jou te zijn in deze kelders.
Schrijver (zuur) Waar heb je die zin geleerd? In welk stuk spreek je die uit?
Actrice In geen enkel. Ik spreek hem voor het eerst uit.
Schrijver Je liegt. Als het lichaam dat je hebt van jou was, zou ik je geselen om te zien of je de waarheid sprak.
Actrice Lorenzo.
Schrijver Je verbeeldt je dat je mij kunt betoveren, omdat je als Titania gekleed gaat, maar je vergist je. Morgen ben je gekleed als bedelares of als diva en overmorgen ben je de slang uit de fabel van de een of andere leugenachtige dichter.
Actrice Ik weet alleen dat ik van je hou. Ik wil dat je mij geselt zodat je ziet hoe mijn huid rozerood wordt; ik wil datje een priem in mijn borst steekt zodat je er een straal bloed uit ziet springen. Hahahaha. En als je van bloed houdt, drink je het op en je geeft een beetje aan mij.
Schrijver Leugens!
Actrice Natuurlijk! Leugens! (omhelst hem) Ik ben hier alleen en toch vat je mij in elk oog afzonderlijk en sterk verkleind. Als de sneeuw bij het vuur vandaan vlucht, hoe kun jij dan je koude tanden in die gloeiende kolen van je lippen houden? Leugens! Ik zou willen dat je zo’n grijs paard was dat bij het aanbreken van de dag op zoek gaat naar de merries in het duister van de stallen. Nee, nee.
Schrijver Laat me met rust!
Actrice Hahahaha. Je bent een beer. Geloof je niets van wat ik je zeg? Mishandel me dan en je zult me zieltogend aan je behaarde borst zien. Gisteren hield ik nog van zijdezachte huid. Vandaag hou ik van manen, vuile voorsteden en herdershutten.
Schrijver Denk maar niet dat je met mij mee kunt om op deze genoegens door te gaan. Ik wil het niet hebben. Ik ga weg, om bij jou vandaan te vluchten, van je gezelschap, van je onstandvastigheid.
Actrice Kan ik dan geen lelijke vrouw zijn, zoals jij die zoekt, een melaats schepsel, en met je meegaan? Ja, Jij bent van mij. O, als je maar inzag hoe graag ik met jou in een ziekenhuis zou sterven!
Schrijver Je zou me nooit de waarheid zeggen.
Actrice Niemand. Maar ik zou de mooiste leugens voor je zingen. Ik hou ook van de waarheid – een moment, langer niet; de waarheid is lelijk -, maar als ik ze zeg, gooien ze mij het theater uit. Ik heb zin me tot het publiek te wenden en in de meest lyrische scène plotseling een scheldwoord tegen ze te schreeuwen, het allergrofste, hahaha. Maar ik hou van mijn smaragden en die zouden ze me afnemen.
Schrijver (woedend) Weg hier! Weg!
Actrice O, maar je gaat me echt geselen? Ik weet wel dat Titania je niet behaagt. Ze is een fee en feeën bestaan niet. Maar Lady Macbeth wel. (Ze trekt de blonde pruik af en laat haar zwarte haardos wapperen. Ze ontdoet zich van een grote witte mantel en vertoont zich in een vuurrood kostuum.)
(Het doek op de achtergrond gaat omhoog en er verschijnt een ander doek waarop een beschaduwde stenen kloostergang is geschilderd met cypressen en fantastische bomen.)

Lady Macbeth ja, en je bent nu ook bang voor me. (Het licht gaat langzaam over in blauw maanlicht.) Omdat ik mooi ben, omdat ik eeuwig leef, omdat ik van bloed verzadigd ben. Verzadigd van echt bloed! Meer dan drieduizend jongens zijn door mijn ogen verbrand in de loop der tijd. Jongens die leefden en die ik tussen hun lakens heb zien versmachten van liefde.
Schrijver In welk boek heb je die passage gelezen? Je bent niets anders dan een actrice. Een verachtelijke actrice!
Actrice Een komediante die sterft van verlangen naar jou, Lorenzo! Die je smeekt om haar niet te verlaten.
Schrijver (schreeuwt) Meer licht alsjeblieft, en haal deze doeken omhoog!
Actrice Juist. Rood licht, rood licht om mijn handen vol met bloed te zien. Ze hebben maanlicht gegeven, en ik wil de slotscène voor je spelen, (rood licht)
Schrijver (tot de belichtingsmensen) Hebben jullie me gehoord?
Actrice Stilte! Je moet me met geweld liefhebben. Het bloed dat op de aarde vloeit verandert in slijk. Wat kan het mij schelen dat de soldaten sterven? Maar valt het op de kelk van een hyacint, dan verandert het in wijn met de kostelijkste afdronk! (Er klinken schoten)
Schrijver Wat is dat? Doe al het licht aan! Belicht de foyer! (Nick Bottom loopt het toneel over met de ezelskop in de hand.)
Nick Bottom Verschrikkelijk! Komt u mee! Daarbinnen zijn we veilig! (De schoten klinken dichterbij.)
Toeschouwster 2 (zit midden in het parket) Laten we gaan! Ik ben bang, de kinderen zijn alleen thuis!
Toeschouwer 3 De straten zijn waarschijnlijk afgezet door soldaten en die zouden ons niet doorlaten.
Souffleur (op het toneel) Het lijkt erop dat ze dichterbij komen. De hele foyer staat vol mensen.
Stem Leve de revolutie! (De actrice heeft haastig een regenmantel aangetrokken en het haar verborgen onder een grijze vilten hoed.)
Actrice Doe de deuren dicht. Dicht!
Schrijver Zet ze open! Het theater is van iedereen! Dit is de school van het volk!
Actrice Nee, hier komen ze niet binnen. Ze zullen alles stuk maken: het echte servies, de namaak boeken, het breekbare spiegelglas. Ze zullen kostelijke elixers weggooien die door de eeuwen heen bewaard zijn en ze zullen de regenmachine vernielen.
Schrijver Laat ze alles kapot maken!
Actrice Mijn lief, ze zullen het toneel onbruikbaar maken!
Schrijver (tot de souffleur) Ik heb gezegd dat de deuren open moeten. Ik wil niet dat er echt bloed vloeit bij de muren van de leugen.
Souffleur Goed, u heeft het voor het zeggen; maar… en de zakelijke leiding dan? Hoe moet het dan met de zakelijke leiding van het theater?
Schrijver (woedend) Wat verstaat u onder zakelijke leiding?
Souffleur Dat is een mysterie waar ik in geloof en alle redelijke lieden respecteren het.
Schrijver Naar de duivel met die zakelijke leiding. Hoort u? Hoort u?
Souffleur (trillend) Ja. Geef me alstublieft een paar watjes om in mijn oren te stoppen!
Schrijver Dat is het suizen van levend bloed!
Actrice Steek je hoofd niet naar buiten, Lorenzo! Een kogel zou je kunnen doden!
Schrijver (sarcastisch) Waar is Lady Macbeth gebleven
Actrice Lady Macbeth kan niet spreken wanneer een regen van kogels de rozen in de tuinen plat slaat.
Man in het zwart (komt op) U heeft gelijk. Munitie slaat de poëzie dood.
Schrijver Of redt haar! Man Met harde hand! Met harde hand! Laten we een grote roos maken van rebelse hoofden! Laten we die eeuwenoude architectuur versieren, de façades, de lantarens, de portieken, met slingers van de tongen die de bestaande orde onderuit willen halen.
(Er komt een houthakker het toneel op, zijn gezicht helemaal wit, een bos brandhout op zijn schouder en een lantarentje in de hand.)
Houthakker Het schijnt dat de opstandelingen zich al vechtend terugtrekken.
Man (terwijl hij vertrekt) Juist! Ze moeten verslagen worden!
Schrijver Wie bent u?
Man Ik. De eigenaar van het theater. Met harde hand! Het goede, de waarheid en de schoonheid moeten in deze eeuw een geweer in handen houden.
Houthakker Heel mooi gezegd!
Schrijver Waarom zeg je heel mooi? Hoeveel verdien jij
Houthakker Een paar duiten. Genoeg voor brood. Maar het enige wat ik wil is dat ze mij rustig mijn rol laten spelen.
Een nardus kan ster of sneeuw zijn.
De nachthemel een gescheurd doek.
Al tsjirpt de krekel of jammert de wind
slapende ogen daar gaat het om.
Schrijver Welke rol speel jij?
Houthakker Ik ben Shakespeares maan!
Schrijver Maar niet hier.
Houthakker Altijd. Probeer me maar te begraven en je zult zien hoe ik tevoorschijn kom! (Er klinken twee kanonschoten.)
Souffleur (komt op) Het leger voert nu een charge uit op het grote plein. (Af. Toeschouwster 2 en Toeschouwer 2, die eerst stalles zaten, komen op.)
Toeschouwster 2 Het is de revolutie, Enrique! De revolutie!
Toeschouwer 2 Is er gevaar dat de kogels hier binnendringen?
Houthakker Niet in het minst, maar daar bent u veiliger. Als de vliegtuigen komen wordt het ernst! Maar mij maakt dat niet uit, ten slotte. Dat zegt mijn rol al.
De lucht is voor mij oktobermaan
geen vogel geen pijl geen zucht.
De mensen gaan slapen. Het gras gaat dood.
Leeft alleen mijn zilveren ring!
Jij die onder water bent, blijf daar altijd!
Het vochtige vergeet-mij-nietje lijdt kou.
Hoewel het bloed de daken kleurt,
mijn lichtend kleed bevlekt het niet.
(huilend) Het is een mooi lied dat ze me misschien nooit meer zullen laten zingen!
Toeschouwster 2 Wat zegt u?
Nick Bottom (op) Ik heb vier vliegtuigen aan zien komen!
Toeschouwster 2 O, mijn kinderen! Mijn kinderen! Ik weet zeker dat ze het huis zullen binnenvallen en aangezien zij alleen zijn met de gouvernante en de bedienden, zullen ze hen vermoorden!
Stem (vanaf de voorste rij van de engelenbak) Dat hebben de arbeiders nooit gedaan, en zullen ze ook nooit doen!
Toeschouwer 2 (tot het publiek) Dat hebben ze wel gedaan!
Schrijver (tot Toeschouwer 2) U liegt!
Toeschouwer 2 Tijdens een revolutie, jaren geleden, staken zij driehonderd kinderen, waaronder zuigelingen, de ogen uit.
Schrijver Wie heeft u dat verteld? Welke gewetenloze bevuilde zijn tong met die nachtmerrie? Geef antwoord!
Toeschouwer 2 Matig uw taal en druk u uit met de korrektheid die een heer past.
Schrijver Ik ben geen heer en wil het ook niet zijn. Ik ben een doodsstrijder Gods.
Toeschouwer 2 Onzin!
Toeschouwster 2 (zich geschrokken aan haar echtgenoot vastklampend) Enrique! Enrique!
Toeschouwer 2 Ik weet het heel precies. Een bevriende journalist was getuige van het voorval, een gróót journalist, en als bewijs had hij twee blauwe ogen bij zich, levende, die hij aan iedereen liet zien, in een lakdoosje.
Souffleur (op) De vliegtuigen beginnen zo meteen met het bombardement!
Toeschouwster 2 Mijn kinderen! O, mijn kinderen! (Tot de schrijver) Vooral de kleine, die kan niet zonder mij. Hij is blond en elke ochtend, als hij binnen komt, zingt hij een Engels liedje om me te wekken. Hij kan niet zonder mij!
Toeschouwer 2 Als het nacht wordt, zal hij haar missen omdat zij hem ondanks haar stand zelf uitkleedt!
Toeschouwster 2 En ze zullen ze vermoorden, o mijn God, ze zullen ze vermoorden!
Toneelknecht (komt op vanuit het donker) Wees maar niet bang, mevrouw. Ikzelf zal erheen gaan. Ik zal de kogels ontwijken, en hun vertellen dat u in veiligheid bent.
Schrijver Ga je naar buiten?
Toneelknecht Ja!
Schrijver Ik zal uit het dakraam kijken.
Actrice (achter) Lorenzo! Begeef je niet in gevaar. Houd het gevaar ver van je wonderbaarlijke talent. (Verdwijnt achter.)
Toneelknecht Als ik zie dat er geen gevaar is, breng ik ze hier bij u. U bent ouders en ik begrijp uw angst. Als dit zo doorgaat, zijn de kelders van het theater de beste plaats van de stad.
Toeschouwster 2 Ja, gaat u, ga!
Toneelknecht Weest u maar gerust. (Af.)
Toeschouwer 2 Wie is die man?
Houthakker Een toneelknecht!
Toeschouwer 2 Hoe heet hij?
Houthakker Gekke Bakoenin, noemen zijn collega’s hem.
Toeschouwster 2 Wij moeten hem helpen. Ik zou hem alles willen geven wat ik bezit. Waarom vraag je zijn naam
Toeschouwer 2 Daarom. (Terzijde.) Om hem achteraf aan te klagen. (Schrijft in een notitieboekje.)
(Het bombardement begint hoorbaar. Allen staan zwijgend tegen de muren gedrukt. De schrijver is een trap opgeklommen en is niet te zien.)
Stem (vanuit de engelenbak) Schoft!
Toeschouwer 2 Jij bent daar in de duisternis, maar ik zal het licht in het duister doen schijnen om je te ketenen. Ik behoor tot Gods strijders en ik reken op zijn hulp. Wanneer ik sterf, zal ik hem in zijn Heerlijkheid aanschouwen en hij zal mij liefhebben. Mijn God vergeeft niet. Hij is de God van de legerscharen, die men met geweld eer moet bewijzen, want er is geen andere waarheid.
Houthakker Druk u tegen de muur, zoek beschutting! We zitten midden in het bombardement.
Toeschouwer 2 Ik ben niet bang. God is met mij!
Stem Ik geloof niet in jouw God!
Toeschouwer 2
Dat weet ik, maar je trekt onkruid zo uit! (Haalt een fel schijnende zaklantaren te voorschijn en richt hem op de engelenbak; deze blijft verlicht.)
Arbeider (gekleed in overall, met geheven armen) Kameraden! (In heel het theater gaat het licht aan.)
Toeschouwer 2 (koel) Zo, beste jongen! (Trekt een pistool en schiet. De arbeider slaakt een kreet en valt neer.)
Vrouw 1 Hij heeft hem doodgeschoten!
Vrouw 2 Moordenaar! Moordenaar!
Toeschouwer 2 Laat de suppoosten die mensen eruit gooien die de voorstelling verstoren! (Doet de zaklantaren uit en in heel het theater wordt het weer donker.) Een beste buit! God zal het me lonen. Heilig is hij in zijn heiligste wraak. Er is maar één enig God!
Jongeman (vanuit de benedenloge, schaterlachend) Eén enig God, natuurlijk, en Mohammed is zijn profeet! Waarom schiet u niet op mij? Daar we midden in de revolutie zitten, zal u niets gebeuren.
Toeschouwer 2 Met joden en andere duistere gasten moet je voorzichtiger te werk gaan.
Jongeman Pardon. Ik ben geen jood. Ik ben mohammedaan.
Toeschouwer 2 Bent u niet bang voor het bombardement
Jongeman Minder dan u. Ik zou graag sterven om een miljoen concubines te krijgen. Hier zijn de vrouwen duur.
Toeschouwer 2 (kijkt van links naar rechts voordat hij begint te praten.) Ontzettend duur, maar de dag komt, en ik denk dat het niet lang meer duurt, waarop wij ze weer net zo goedkoop kunnen krijgen als vroeger. Mijn voorvaderen hielden ze in koppels.
Jongeman Gelukkige tijden! In elk geval feliciteer ik u want ik zie dat u een uitstekend schutter bent!
Toeschouwer 2 Ik had een Duitse luitenant als leermeester die in alle Afrikaanse oorlogen heeft gediend. Zijn enig doel was de mens. Het doodschieten van een vogel wekte zijn woede op.
Jongeman (spreekt zachter) Hij was een prachtig doelwit, Was het in het hart?
Toeschouwer 2 Als het in het hart was, dan had hij een sprong gemaakt, maar hij viel achterover zonder zijn mond open te doen. Het was midden in zijn voorhoofd.
(Het enorme lawaai van een bombardement laat zich plotseling op het toneel horen.)
Toeschouwster 2 Enrique, Enrique. Kom heerheen. Snel. Alsjeblieft.
Toeschouwer 2 Er is toch geen gevaar! (Voegt zich bij zijn vrouw.)
(Het bombardement wordt heviger. Allerlei soorten lampen belichten het toneel. Op de achtergrond gaat een groep personages voorbij in feeën- en elfenkostuums; ze dragen een gewonde.)

Toeschouwer 3 Een mooie treffer! O, u hier? (4)
Jongeman Ja! Ik denk net als u… hardop.
Toeschouwer 3 Niet stilzwijgend.
Jongeman Stilzwijgend deel ik uw mening, maar ik houd mij liever afzijdig. De jacht op groot wild ligt mij niet zo. Nu wij beiden weten…
Toeschouwer 3 Stil!
Jongeman Ik zal het niet verder vertellen. Zwijgen past meer bij mij.
(Er barst een hevig bombardement los.)
Toneelknecht (op) Iedereen naar de kelders; dat is de veiligste plaats. Naar de kelders!
(Er valt een doek dat een muur van grote stenen voorstelt.)
Toeschouwster 3 Mijn kinderen, mijn kinderen, mijn kleine kinderen!

Houthakker Druk u tegen de muur!
(Een groep feeën en elfen loopt het toneel over; ze dragen een gewonde arbeider.)
Fee Hij is uit een dakraam gevallen.
Elf Erwtebloesem, let erop dat je zijn hoofd goed ondersteunt.
Arbeider (stervend) Leve de revolutie!
Fee We brengen hem naar de garderobe.
Elf Geef me een zakdoek!
Fee Snel! Schiet op! (Af)
Toeschouwster 2 Mijn kinderen! Mijn kinderen!
Actrice Ik ben het zat om haar verkeerd te horen schreeuwen! Ik kan het niet verdragen. Haar stem heeft een onechte klank die nooit een ziel zal ontroeren. Het moet niet zo, maar zo: Mijn kinderen, mijn kinderen, mijn kleine kinderen! Heeft u het gehoord? Mijn kleine kinderen! Met de handen naar voren gestrekt, een siddering uitdrukken alsof het twee bladeren waren in een windvlaag.
Toneelknecht (op) Het volk heeft de deuren geramd
(Toeschouwer 2 staat op het punt zijn pistool te trekken, zijn vrouw weerhoudt hem.)
Schrijver (terwijl hij weg loopt) Hierheen! Hierheen! Zeg de waarheid over het oude toneel. Bewerk ze met dolken, de oude dieven van olie en brood. Laat de regen de trekken bevochtigen en het decordoek afschminken.
Stem Brand!
Stem (verder weg) Brand!
Schrijver (terwijl hij wegloopt) En de brand!
(Het theater wordt rood belicht.)
Actrice (op, met luide stem) Lorenzo! (Met zachte, trillende stem.) Lorenzo!

DOEK

 

(1) De lijst van personages is niet opgenomen in de editie Laffranque van de Spaanse tekst.
(2) barokke, gewonden zuil
(3) of: “Lorenzo mio!”
(4) Het gedeelte tussen de lijnen betreft (de vertaling van) een passage die de uitgeefster, Marie Laffranque, op een los blad bij het manuscript aantrof en identificeerde als deel van een oudere versie van dit stuk zonder titel. De passage begint met de woorden van toeschouwer 3 “O, u hier?”, maar zowel boven deze regel als eronder staat “een beste treffer”. Dit zou erop kunnen wijzen dat het de bedoeling was de jongeman de woorden van toeschouwer 3 te laten herhalen, zodat hij daaraan refereert als hij vervolgens zegt: “ik denk net als u… hardop”.

 

Deze vertaling kwam tot stand op initiatief van Benjamin Gijzel, die Zonder titel in november 1986 regisseerde in het kader van een Lorca-project in Amsterdam.

 

Auteursrechten geregeld via BUMA Nederland. Rechten op de Nederlandse vertaling:
Tonny Holtrust, Westerstraat 385,
1015 MH AMSTERDAM

theatertekst
Leestijd 19 — 22 minuten

#17

15.03.1987

14.06.1987

theatertekst