Rudi Laermans

Leestijd 7 — 10 minuten

‘De zintuigen bedriegen nooit’

Elementaire deeltjes in de zaal en op scène

Een interessante voorstelling zouden we minstens twee keer moeten zien, vindt Rudi Laermans, kwestie van de microbiologische reacties in ons hun werk te laten doen: herinneren, herkennen, begrijpen.

1.

‘Geheugen’, ‘lichaam’,… – deze woorden zijn, net als uitdrukkingen als ‘het onbewuste’, weinig meer dan metaforen. Of juister, ze zijn dat geworden sinds de moleculaire biologie het mysterie van het leven (van elke vorm van leven!) situeert op het niveau van de enkelvoudige, zichzelf reproducerende cel.

Ondertussen blijven u en ik in het alledaagse leven, en ook in de sfeer van de kunsten, rustig verder geloven in het bestaan van zoiets als hét lichaam, met of zonder geheugen. Daar is niet meteen iets mis mee. Maar het lijkt soms wél aangewezen om terdege te beseffen dat we op basis van dit basale geloof geen ware kennis kunnen voortbrengen. Kunstenaars, en dan misschien vooral ‘lichaamskunstenaars’, zouden thans dienen te weten dat ze nooit waarheden fabriceren of ensceneren, maar alledaagse voorstellingen of opvattingen (des)articuleren. Aan de kunsten valt dus al lang geen waar weten meer te onttrekken, ook niet omtrent zoiets als het menselijk lichaam. Jan Fabre, Jerôme Bel, Boris Charmatz,…: ze tonen ons niet ‘de waarheid van het lichaam’. Tussen de wetenschappelijke benadering van het organisch leven en de esthetisering van het lichaam, hoe lelijk ook, gaapt een onoverbrugbare kloof. Kunst is kunst, en geen ware kennis.

Ik zeg dit hier alleen maar – en het gaat, toegegeven, om een erg banaal iets – om van meet af aan een grens, een verschil te markeren. Wat ik zoal over het zintuiglijke geheugen van het lichaam zal beweren, sluit aan bij het gezichtspunt geopend door de natural attitude, de wereld van wetenschappelijk onware maar in het alledaagse leven onbetwistbare evidenties. Met déze wereld, met dit geheel van imaginaire voorstellingen wérken ook kunstwerken; ze parasiteren daarop, ‘ze doen er iets mee’: ze transformeren deze grondstof. In die wereld hebben u en ik wel degelijk een lichaam, en wordt inderdaad herinnerd en vergeten.

2.

Ik leg een cd in de cd-speler. Ik hoor muziek. Ik herken meteen de nochtans vergeten gewaande melodie en het zo-even nog letterlijk onvoorstelbare ritme.

Herkenning: de herinnering van iets dat je niet langer bewust kon ‘oproepen’. De eerste klanken reiken, als een soort trigger, meteen ook een heel pakketje boordevol informatie aan, zodat je plots weer wél de spreekwoordelijke rest van het verhaal – van de song, van de symfonie, van de soundscape – kan vertellen (kan voorspellen).

Je wéét dat je zal herkennen, je bent je ervan bewust dat een déjà entendu-effect zal optreden eens je het begin hebt gehoord. Kortom, je wéét dat je een welbepaald soort van geheugen bewust kan manipuleren. Dàt geheugen is lichamelijk omdat het zich oriënteert op zintuiglijke indrukken, dus op sensaties of affecten. Het heeft impressies van buitenaf nodig om te kunnen functioneren. Het is daarom allicht zelf ook niet meer dan een bezinksel van vroegere indrukken, van voorbije belevingen die soms wel, vaker niet bewust werden gepercipieerd. Het geheugen van het lichaam bestaat inderdaad vooral uit de neerslag van merendeels niet bewust waargenomen waarnemingen.

Het zintuiglijke geheugen ontstaat door herhaling, gewenning, ‘drill’ (de sociale psychologie heeft daar een wat duurder woord voor: ‘contactconditionering’). Of juist ook niet, want er bestaan ook eenmalige maar long lasting impressions, kleine of grote ‘trauma’s’. Dit raakt onmiddellijk aan onze opvattingen over kunst. Want kunstwerken, zo menen we, willen indruk maken. Ze wensen niet alleen in het heden te ontroeren, te treffen, te raken; ze willen dieper gaan: ze beogen zich in het geheugen van onze lichamen te vestigen. Ze verlangen erkenning en hérkenning: ze willen ‘traumatiseren’.

Vandaar de uitzonderlijke positie van de podiumkunsten: voorstellingen hebben gewoonlijk slechts één enkele keer de kans om zich in de herinnering te nestelen. Vandaar ook het grote belang van film- of video-opnames: ze maken herkenning mogelijk. Ze laten toe om, ook jaren na de première, een ooit gevoeld geheel van indrukken te herbeleven.

3.

‘Geheugen’, ‘lichaam’, en ook ‘indrukken’: zoals gezegd allemaal beeldspraak. In waarheid zijn enkel blinde, microbiologische reacties in het geding. Maar precies deze wetenschappelijke vaststelling raakt ons niet! Tenzij we die alsnog met de nodige spanning of dramatiek verbeeld zien en ze zo ook meteen onwaar wordt gemaakt – in een kunstwerk bijvoorbeeld, of in een sciencefictionverhaal. Dat we in waarheid uit elementaire deeltjes bestaan, wordt pas echt interessant, en dus het herinneren waard, na lezing van de gelijknamige roman van Houellebecq.

Met behulp van beelden en beeldspraak geven we betekenis aan zowel onze eigen handelingen als onze omgeving. Kunstwerken ‘opereren’ met dit leger metaforen. Ze spelen ermee, ze brengen het in de war, of ze bevestigen het met een joyeuze kracht.

Een bepaald soort kunst biedt ons ook een trefzeker esthetisch beeld van ons zintuiglijk-lichamelijke geheugen – of juister, van de gangbare voorstelling hiervan. Ik doel op het beeld van de danser(es) die muziek- of klankgestuurde bewegingen uitvoert. Het lichaam hoort iets, en deze zintuiglijke indrukken activeren lichamelijke sporen die ook nog eens tot lichamelijke activiteit aanzetten. De danser(es) levert ons in die zin een oerbeeld of archetype van het geheugen van het lichaam.

4.

Opnieuw die cd. Wat ik hoor, heb ik ooit

al eens beluisterd. Ik herken, en toch klinkt hetzelfde anders. Het zintuiglijk geactiveerde herinneringsspoor wordt immers in een andere context gehoord, met nieuwe indrukken verbonden.

Zo is het altijd al gegaan: met iedere herhaalde beluistering werd er ook iets toegevoegd aan het al herinnerde. De herinnering werd geactualiseerd, en zo tevens verrijkt, of juister: herijkt. De neerslag van al die luisterbeurten is een met elke nieuwe beluistering veranderd herinneringsspoor dat zich ergens vastzet. Omdat het niet zomaar bewust kan worden opgeroepen, situeren we het gemakshalve in het lichaam, maar zoals gezegd: soms treft een melodie of een riedeltje of een roffel wel degelijk meteen, zonder hérbeluistering: soms is het direct raak, en wel in die mate dat je je het gehoorde onmiddellijk bewust kan herinneren. Dan onthoud je ‘van de eerste keer’.

Onthouden is synoniem met de mogelijkheid van een vrijwillige herinnering: het verwijst naar het bestaan van een bewust geheugen (‘een geheugen van het bewustzijn’). Ook dat heeft een lichamelijke basis, uiteraard. Maar het bewuste geheugen verschilt van het onvrijwillige geheugen van het lichaam, het aan zintuiglijke impressies (aan een ‘buiten’) gebonden herinneren én vergeten. Want ja, soms is er, ondanks de verwachting van het tegendeel, géén herkenningseffect. Soms roept een cd niksniemendal meer op en is je lichaam blijkbaar totaal vergeten wat je ooit nochtans meermaals hebt gehoord.

5.

Proust die door een madeleinekoekje in een persoonlijk verleden werd teruggeslingerd. Dit soort van gebeurtenis levert de sleutel tot de veelbesproken subjectiviteit van de kunstproductie en -beleving. Die heeft immers uitsluitend te maken met het feit dat met een altijd singulier lichamelijk geheugen wordt geschreven én gelezen, wordt gecomponeerd en beluisterd,… – wordt herkend of niet, herinnerd of ‘vergeten’ (‘het zegt mij niets’).

‘Het geheugen van het lichaam’ werkt bij élke zintuiglijke indruk. Ook het nog nooit gehoorde of geziene wordt verbonden met herinneringssporen. Zowel de kunstenaar als zijn publiek koersen dus onophoudelijk op een bagage waarover ze niet vrijelijk beschikken. Ze maken of verwerken indrukken die ja dan nee resoneren met eerder opgedane sensaties.

Zo bezien is elk kunstwerk inderdaad een geheel van ‘percepten’, een verzameling ‘recepten’ voor percepties. Een blok van mogelijke affecten – van sensaties die wel of niet een verbinding met eerdere impressies aangaan (ik zinspeel op ideeën die G. Deleuze en F. Guattari in het hoofdstuk over kunst in Qu’est que la philosophie? ontvouwen).

Een ons aansprekend, als gelukt beschouwd kunstwerk is, zo denk ik vaak, niet méér dan een verzameling ‘percepten’ waar het lichaam iets weet mee aan te vangen. Eerdere indrukken kunnen zich in actuele impressies (terugvinden, en dat voelt plezierig aan: we worden ontroerd of anderszins geraakt.

6.

Interessant worden kunstwerken pas wanneer ze, zoals dat heet, een snaar weten te raken. Die snaar is een snare, in de microfysicalistische betekenis: een geheel van resonerende vroegere indrukken dat paradoxaal genoeg pas bestaat in en doorheen deze interactie met actuele waarnemingen. Zoiets als: ‘het opgeroepene’ is er enkel in de oproep – die zelf uitsluitend bestaat dankzij het opgeroepene. Of nog: gelijktijdigheid van het actuele en het voorbije. Juist deze simultaneïteit van heden en verleden maakt de kern van het geheugen van het lichaam uit.

Ja, dit is allemaal brutale speculatie, en nog erg abstract ook.

Ja, ik laat mij hier enigszins leiden, maar ook weer niet té veel, door de contingente verbindingen tussen twee woorden, ‘geheugen’ en ‘lichaam’.

Ja, we produceren mentaal-talige chimera.

Maar tegelijkertijd is er de door geen wetenschap te slechten overtuiging dat zoiets als mijn lichaam, deze uit ontelbare levende cellen bestaande materie, op basis van indrukken ‘geheugent’, herinnert én vergeet.

Mijn lichaam stel ik telkens weer opnieuw ter beschikking van de kunst. Ieder schilderij, elke theater- of dansvoorstelling mag het naar believen pogen te treffen. ‘Probeer maar!’ ‘Schiet maar raak!’ Vaak gebeurt er niets, treedt er geen resonantie op tussen de actuele zintuiglijke indrukken en het zintuiglijk-lichamelijk geheugen. Dan is er enkel een diep gevoel van verveling bij de voorbijsnellende stroom sensaties.

7.

Heel af en toe is het raak. Wat er dan gebeurt?

Ofwel: Ik zie en/of ik hoor iets dat op een schijnbaar exacte wijze al mijn indrukken omtrent een thema of onderwerp (liefde, dood, vriendschap, wonen, bewegen,…) synthetiseert. Jubel der herkenning, en tegelijkertijd een tomeloze fascinatie voor zoveel ‘essentialiteit’: het geheugen van mijn lichaam voelt zich één met wat het thans ervaart. ‘Ja, zo gaat het er tussen mannen en vrouwen aan toe!’ ‘Ja, dat is geweld!’ Enzovoorts, enzoverder: het gaat allicht om een ook aan de lezer(es) welbekende ervaring.

Ofwel: Ik neem iets waar dat mijn lichaam totaal niet kan plaatsen en het daarom ‘bezighoudt’ (dat het ‘entertaint’, maar dan wel letterlijk: als lichaam, via materiële, betekenisloze stimuli). Dan is er geen sprake van synthese maar eerder van… irritatie en de drang die te overwinnen (bij verveling is er enkel irritatie). Zintuiglijke storingen én de lichamelijke inclinatie om zich bij het geziene en/of gehoorde toch ‘iets voor te stellen’: iets te herinneren.

Ofwel, ofwel: ja, ik parafraseer hier, zo stel ook ik nu vast, ongewild het bekende Kantiaanse onderscheid tussen het schone en het sublieme. Ik ben het trouwens ook met Kant eens dat artefacten die alleen maar willen behagen enkel aangenaam zijn. Ze strelen oog of oor, maar dan uitsluitend hic et nunc. ze laten geen sporen achter. Ze beklijven niet: de indrukken zijn enkel wat ze zijn – kortstondige impressies, vluchtige belevingen, momentane sensaties.

8.

Ik heb er meer dan vijftien jaar over gedaan om erachter te komen dat je een interessante theater- of dansvoorstelling minstens tweemaal moet bijwonen. De eerste keer associeert je lichaam alleen maar; bij de tweede vertoning herinnert het zich ook delen van de al geziene en/of gehoorde voorstelling. Het herkent, en dat maakt een méér aan kennis mogelijk: je kan je zintuiglijk concentreren op de constructie, de formele mechanismen die je de eerste keer alleen maar meteen overtuigden, direct je lichamelijke geheugen raakten.

Pas bij de tweede keer is afstand, distantie, een werkelijk ‘lezen’ of begrijpen mogelijk: het geheugen van het lichaam verplicht ons tot een herhaald toeschouwen. Tot hernemingen.

En ja, natuurlijk, ook alle interessante theater- en danskritiek herneemt ze herinnert.

 

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

essay
Leestijd 7 — 10 minuten

#71

15.03.2000

14.06.2000

Rudi Laermans

Rudi Laermans is gewoon hoogleraar sociale theorie aan de KU Leuven en is tevens actief als essayist.