De Staat van de Toneelschrijver
Uitgesproken op uitnodiging en ter gelegenheid van Shakespeare is Dead Leuven, 9 juni 2026
Annet Bremen
MChe Lee / Unsplash
Als kind speelde ik theatertje met de kinderen uit de buurt, dan acteerden we onze favoriete filmscènes totdat ik de enige was die er nog zin in had. Toen het tijd werd om een middelbare school te kiezen, koos ik – voor zover mogelijk op het Nederlandse VWO (voorbereidend wetenschappenlijk onderwijs) – de richting met de meeste dramalessen. Daar zei ik direct: ‘Ik word kunstenaar’, en hoorde ik ook meteen: ‘Heb je dokter al eens overwogen?’ Na zeven jaar te horen dat ik beter een vak koos waar meer werk in was, had ik me aan het einde van de middelbare school halfhartig aangemeld voor de opleiding verpleegkunde.
Mijn dramadocent nodigde me uit om — als afscheid — te gaan lunchen. Na het afrekenen gaf ze me een zwaar cadeau en zei ze dat de verpleegkundigen blij mochten zijn dat ze mij erbij kregen, maar dat het een groot gemis was voor de theaterwereld. Thuis opende ik het cadeau: een hardcover van het verzamelde werk van Shakespeare. Loodzwaar, kitscherige gouden kaft, flinterdunne bladzijden met letters zo klein dat ze bijna niet te lezen zijn. Ik nam het overal mee naartoe. Ik ben twee weken naar school gegaan, waarna ik me in de collegezaal pontificaal uitschreef voor de studie verpleegkunde. De dramatische geste ging volledig verloren aan mijn mede-studenten.
“Ik hoop dat we die allemaal kennen, die ene docent die in je geloofde en vond dat je wél voor je droom moest gaan.”
Ik zou evengoed een ode kunnen schrijven aan ‘die éne docent’. Ik hoop dat we die allemaal kennen, die ene docent die in je geloofde en vond dat je wél voor je droom moest gaan. Dankzij haar geloofde ik ‘als ik maar ergens toegelaten word, kom ik er wel’. Dat geloof is er nog steeds, hoewel het wel steeds opschuift. Ondertussen ben ik toegelaten op LUCA School of Arts aan de richting Schrijven/Maken, en begin ik na de zomer aan mijn vierde jaar. Als ik maar ergens een goede stage vind, kom ik er wel. Als ik maar de beste bachelorproef ooit maak, kom ik er wel. En zo raak ik langzaam maar zeker kwijt waarom ik ooit aan de opleiding begon.
Ik ben niet de enige die dat gevoel (in meer of mindere mate) heeft. Onlangs schreef Wouter Hillaert een stuk in De Standaard waar verschillende van mijn generatiegenoten aan het woord komen over de obstakels die zij tegenkomen als jonge, beginnende makers.
Dat artikel heeft binnen mijn kringen de tongen losgemaakt. Ik hoefde alleen maar een gesprek te beginnen met ‘Heb je dat artikel…’, en zij wisten waar ik het over had. Voor mij onderstreept die reactie de noodzaak van dit onderwerp. Het is goed dat Hillaert de aandacht vestigt op de jonge makers en wat mij betreft blijft het daar niet bij. We zijn hier, we hebben alles gedaan zoals het moest, de lessen gevolgd, de netwerkborrels bijgewoond en toch komen we niet aan werk. Wat nu?
Op de toelatingsproef zie ik hoe een grote groep jonge makers wordt afgewezen. Alleen de lucky few mogen beginnen aan de opleiding. Mijn opluchting en extase winnen het van mijn medelijden voor de persoon die huilend haar moeder belt om te laten weten dat ze toch niet is aangenomen. Ik ben tenminste binnen. Voor mij gaat het eindelijk beginnen.
Dat had ik gedacht. Het begint dus zo: die lucky few – bruisend van inspiratie en makers-drang – worden bij elkaar in een aula gezet, waar iemand een speech komt geven. Over hoe hard we zullen moeten werken, om wellicht nooit in het werkveld aan de slag te kunnen. Er is weinig tijd voor een studentenjob, want de studie zal te veel vragen. Maar geen zorgen voor wie graag achter de bar staat, daar is ná je opleiding genoeg tijd voor. Een baan in het werkveld zit er toch (nog) niet in.
De boodschap die ik als tiener al hoorde, wordt nog eens flink benadrukt. Van kinds af aan is het eigenlijk al tegenwind. Op de basisschool mochten onze opstellen niet langer dan twee pagina’s zijn, omdat de juf geen tijd had om meer te lezen. De sector voelt een beetje als dat, maar dan uitvergroot. Allemaal mensen bij elkaar die veel meer willen (en kúnnen), maar dat niet mogen. Omdat er geen ruimte voor is.
Toen ik in 2022 aan de opleiding begon, werd het eerste jaar nog gezien als een extra lange toelatingsproef. Er werden meer mensen aangenomen dan er naar het tweede jaar door mochten, waardoor er aan het einde mensen moesten afvallen. En zo werden we allemaal tegen elkaar opgezet. Klasgenoten zijn je concurrenten en als jij niet harder werkt dan de rest, zou je weleens naar huis gestuurd kunnen worden. Eerder dan een broedplaats voor experiment en persoonlijke ontwikkeling, bevind je je dus in een competitieve angstcultuur die verdacht veel lijkt op de kapitalistische arbeidsmarkt.

NPC, MA Acteren RITCS © Anne-Marie Brandstötter (Toneelscholenfestival 2024)
Gelukkig is dit systeem op LUCA aan het veranderen. De opleiding moderniseert en er wordt minder gekeken naar momentopnamen of direct resultaat, en meer naar je proces als maker op langere termijn.
Ik ben naar school gegaan om te creëren wat er in mijn hoofd zit, en daarbij vrienden voor het leven te maken. Voor het eerst ben ik omringd door gelijkgezinden, mensen die mij begrijpen, die dezelfde noodzaak voelen om een verhaal te vertellen. Het is zo jammer dat het daar vaak niet meer om lijkt te draaien. Alles gaat over je professionele netwerk uitbreiden om zo een plekje in het werkveld te bemachtigen.
“We worden opgeleid tot autonome, individuele, allround makers. Van kunstenaarsstatuut tot lichtstanden, van eindmonoloog tot programmatekst. Je moet het zelf kunnen, want niemand anders gaat het voor jou doen.”
Pas dit jaar besefte ik dat het netwerken al in de klas begint. Het is niet alleen belangrijk dat ik de beste theaterhuizen/regisseurs/programmatoren/… naar mijn voorstellingen kan trekken, maar ook dat ik de kunstenaars ken om die voorstellingen mee te maken. We worden opgeleid tot autonome, individuele, allround makers. Van kunstenaarsstatuut tot lichtstanden, van eindmonoloog tot programmatekst. Je moet het zelf kunnen, want niemand anders gaat het voor jou doen.

AGE OF PANIC, Kes Bakker, Timon Kouloumpis, Mona Lahousse & Jef Uyttenhove © Anne-Marie Brandstötter (Toneelscholenfestival 2024)
Daardoor staat alles al snel in het teken van professionalisering, waardoor er minder ruimte overblijft voor je persoonlijke artistieke ontwikkeling. Dat we nog geen professionals zijn, geeft juist vrijheid. Waarom wil je proberen die startblokken over te slaan? Dat is artistiek niet de interessantste route.
Het is heel makkelijk om te vergeten waarvoor ik het dan eigenlijk doe. Zeker als ik weer hoor dat er dit jaar zestig theatermakers afstuderen, waar eigenlijk niemand op zit te wachten. Zestig concurrerende makers die moeten vechten om dat handjevol banen dat vrijkomt.
‘Er zit niemand op ons te wachten’, zegt Eva Rys, masterstudente op LUCA, in het artikel van Hillaert. Dat vind ik ontzettend pijnlijk om te lezen. Waarom worden we telkens gezien als probleem? Hoe kan het gebeuren, dat een hele generatie kunstenaars als ‘te veel’ wordt bestempeld?
“Niemand zit te wachten op 60 afstuderende dramastudenten? Nou, ik wel.”
Niemand zit te wachten op 60 afstuderende dramastudenten? Nou, ik wel. Ik wil heel graag zien wat iedereen gemaakt heeft en ben net heel benieuwd naar mijn aanstaande collega’s. Want dat zijn ze, geen concurrenten,maar juist mensen met wie ik wil en moet gaan samenwerken.
Daarom werk ik mee aan het Toneelscholenfestival. Een plek zonder selectie, waar alle afstuderende studenten van de verschillende dramaopleidingen in Vlaanderen en Brussel hun eindwerken kunnen laten zien. Experiment en uitwisseling staan voorop. Vorige editie hielp ik voor het eerst mee aan het festival, bij het team communicatie. Dit jaar ben ik daar ook nog eens coördinator bij geworden.
Deze editie spelen er 36 voorstellingen en ik ben van plan om zo veel mogelijk daarvan te bekijken. Dat is voor mij nou echt waar het festival om draait: om te zien wat iedereen gemaakt heeft, wie mijn collega’s zijn, maar ook wat mij te wachten staat. Ik kan heel veel inspiratie halen uit voorstellingen van andere makers.
Ik ben opgegroeid in een dorp waar theater niet zo vanzelfsprekend was en heb toen ik jonger was niet veel voorstellingen gezien. Om dan nu zoveel verschillende stijlen bij elkaar te zien, vind ik geweldig. Er valt zoveel van elkaar te leren.
Daar komt ook nog eens bij dat die collega’s vaak heel leuke mensen zijn. Allemaal mensen met gelijkaardige interesses als ik, die over dezelfde dingen nadenken, naar dezelfde voorstellingen gaan kijken en die allemaal in hetzelfde schuitje zitten. We hebben er allemaal last van dat er te weinig werk is.
Ik ben blij met het artikel van Hillaert dat in De Standaard stond. Het heeft voor mij de vinger perfect op de zere plek gelegd. Er is inderdaad een tekort aan banen voor de nieuwste lichting theatermakers en dat zorgt ervoor dat een giftige sfeer van concurrentie constant op de loer ligt.
De kous is daarmee nog niet af. Alleen maar zeggen ‘jullie zijn met te veel, los het onderling maar op’ vind ik evengoed naïef. We zijn hier nu, als groep jonge, enthousiaste makers. Flip the script; er studeren niet te veel kunstenaars af, de sector biedt te weinig ruimte. Hoe kunnen we elkaar helpen? Hoe kunnen we er samen voor zorgen dat die doorstroom als iets positiefs wordt ervaren? Hoe maken we samen meer ruimte. En niet: hoe schrikken we nieuwe makers harder af.
Door te zeggen dat we met te veel zijn, wordt er steeds een vorm van concurrentie in stand gehouden. Dat mensen die tegelijk met ons afstuderen collega’s zijn, in plaats van mensen die jouw plekje innemen, wordt vaak een beetje vergeten . Zeker omdat we onze jaargenoten van andere scholen eigenlijk helemaal niet zo goed kennen. Tussen de scholen onderling wordt nauwelijks of geen uitwisseling gefaciliteerd als onderdeel van het (vaak al overvolle) lessenpakket. Dat is zo zonde, want juist daar zitten de mensen met wie ik ooit wil gaan samenwerken.

Een momentje – alle duiven horen drollen, Karlijn Niesten © Anne-Marie Brandstötter (Toneelscholenfestival 2024)
Dat is voor mij een heel belangrijk aspect van het Toneelscholenfestival. Als Nederlander ben ik nieuw in het Vlaamse theaterlandschap. Ik heb ook weinig oud-klasgenoten van het middelbaar die nu ergens op een kunstschool zitten. Toch ken ik steeds meer mensen van de verschillende opleidingen en dat is echt te danken aan het Toneelscholenfestival.
Gewoon een evenement of feest organiseren is net niet genoeg om die verbinding aan te gaan. Ieder jaar is er bijvoorbeeld wel een toneelscholenvoetbaltoernooi in Maastricht, maar dat is echt een competitie. In mijn eerste jaren heb ik daar nooit nieuwe mensen ontmoet, omdat iedereen vooral bezig is met zijn eigen school aanmoedigen. Letterlijker dan ooit tevoren zijn we daar elkaars concurrenten. Soms voelt het als een metafoor voor de concurrentie die ik anders veel onbewuster ervaar.
Het Toneelscholenfestival is een samenwerking van studenten van alle vier de Nederlandstalige toneelscholen in België (LUCA in Leuven, KASK in Gent, RITCS in Brussel en Koninklijk Conservatorium in Antwerpen). De verantwoordelijkheid voor de organisatie ligt bij iedereen, waar dan tegenover staat dat iedereen er ook mag spelen.
Hierover sprak ik met Kes Bakker, die dit jaar op het Toneelscholenfestival staat met zijn masterproef Housewarming, en daarnaast ook nog de productie van het festival leidt. ‘Op TSF ontmoet je juist elkaar in de functie die die persoon heeft. Je spreekt in eerste instantie met elkaar omdat je elkaar nodig hebt als organisatoren, niet om te netwerken. Dat maakt het heel laagdrempelig.’
Op het festival heb ik zoveel leuke mensen mogen leren kennen. Dan ben ik niet ‘Hannah van LUCA Drama’, maar ‘Hannah van team communicatie’. Of soms nog simpeler: ‘Hannah met wie je pasta gekookt hebt’. Door de organisatie heb ik echt geleerd hoe hard je anderen nodig hebt. Je komt zoveel problemen tegen, maar er is altijd iemand die je kan helpen de problemen op te lossen.
Ik weet van mezelf dat ik best veel hooi op mijn vork kan nemen en zo zijn er de afgelopen weken zeker momenten geweest dat het huilen me nader stond dan het lachen. Maar dan bel ik weer even met een collega-organisator, of stuur ik een berichtje waar direct antwoord op komt.
Dat wordt erg onderschat, denk ik. Dat er zoveel mensen zijn die bereid zijn om veel tijd en energie te steken in het verbeteren van het werklandschap. We weten dat het hard werken is, we weten dat het vechten is en we zijn bereid dit te doen!
Het was niet uit naïviteit dat ik aan dit vak begonnen ben. Ik weet ondertussen echt wel dat de banen niet voor het oprapen liggen — ik kan er duidelijk niet omheen. Maar zijn problemen er niet om opgelost te worden?
Voor mij zit een groot deel van het probleem nu net in het woord ‘probleem’. Want hoezo zijn wij eigenlijk een probleem? Het lijkt me pedagogisch volstrekt onverantwoord om te zeggen ‘niemand zit op je te wachten, maar probeer maar als je per se wil’. De druk om het tegendeel te bewijzen komt zo ontzettend hoog te liggen.
Ik ben geen kunstenaar geworden omdat de banen voor het oprapen liggen. Ik ben kunstenaar geworden omdat het in me zit, in alle zweverigheid is dit ‘mijn roeping’. Ik heb andere richtingen geprobeerd en ik heb meer biertjes getapt dan ik kan tellen. Het kunstenaarsschap is nu eenmaal deel van wie ik ben, waar ik hoor te zijn. Ik heb de toelatingsproef doorstaan en haal goede cijfers voor mijn vakken. Om dan steeds te horen dat mijn droom een probleem is, dat het onmogelijk is, dat ik nooit aan het werk zal komen, dat we met te veel zijn, dat niemand op me zit te wachten, dat ik beter iets anders kan gaan doen — dat is hartverscheurend. Ik weet dat het hard werken is en ik wil dat ook heel graag doen. Ik wil meedenken en -werken aan de kunstwereld.
“We moeten van het stempel ‘probleem’ af. Ik heb helemaal geen zin om de hele te tijd moeten denken: zit hier wel iemand op te wachten?”
We moeten van het stempel ‘probleem’ af. Ik heb helemaal geen zin meer om me nergens welkom te voelen. Dat helpt mijn werk niet. Ik wil kunnen blijven experimenteren, nieuwe dingen leren, lekker uitproberen en niet de hele tijd te moeten denken: zit hier wel iemand op te wachten?
Binnenkort verhuis ik naar Antwerpen. Dan zal ik het verzameld werk van Shakespeare negen verdiepingen omhoog sjouwen en een ereplekje in mijn boekenkast geven. Ik ben niet eens fan van Shakespeare, maar de boodschap van mijn docent onthoud ik: als jonge, enthousiaste maker ben ik een aanwinst voor het landschap.
Wie weet ben ik dan toch een beetje naïef. Misschien is dit helemaal niet iets waar alleen mijn generatie en ik last van hebben, en bestaat deze teneur al decennialang. Hoe dan ook denk ik graag in oplossingen en geloof ik dus ook écht dat het wel goed zal komen. En ik denk ook dat we dat als nieuwe lichting niet alleen kunnen. De initiatieven zijn er. Het Toneelscholenfestival wordt ieder jaar een beetje mooier. Wij reiken de hand, nu is het aan het werkveld en de scholen om die ook vast te pakken.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.