Circus Ronaldo

Leestijd 10 — 13 minuten

Zanni’s in het circus

Van Volkstheater Vandenberghe tot Circus Ronaldo

‘Twintig jaar hebben wij om erkenning gestreden, en altijd verloren, nu hebben we één slag thuis gehaald’, zegt Johny Ronaldo. Tuur Devens in gesprek met een cultureel ambassadeur.

Twee mannen in de piste, zonder clownspakken, zonder schmink. Met hun sjofele houding, kleding, gesticulatie verwijzen ze overduidelijk naar de archetypen van de witte, betweterige en arrogante clown en van de sympathieke, domme August-figuur die het in zijn bescheidenheid zal halen van de arrogantie van de macht. Het is een klassiek duo: de ene geeft aan, de andere scoort. De fiere figuur met de borst vooruit beweert een artiest te zijn. Hij voert een kunstje met borden op. Hij speldt zich een medaille op en kijkt met dédain naar zijn partner. ‘Artiest,’ articuleert de brede clowneske mond van deze melancholische figuur. Hij kronkelt schuin om zijn lichaamsas en wijst naar zichzelf. Hij wil geen artiest zijn, zoals de ander, hij is het. Hij zet een bord op zijn rechterelleboog, dan een op zijn linker. Vliegensvlug wisselt hij ze van plaats en vangt ze op. Hij haalt een grote medaille onder zijn loshangend hemd vandaan. Het duel zet zich verder in allerlei variaties. Allicht haalt de melancholische underdog het, dat stond al van bij het begin vast, hij heeft de sympathie van het publiek. Artiest willen zijn en artiest zijn, waardering en erkenning krijgen. De act is Circus Ronaldo in een notendop.

‘Twintig jaar hebben wij om erkenning gestreden, en altijd verloren, nu hebben we één slag thuis gehaald’, zegt Johny Ronaldo. Hij doelt daarmee op het Cultureel Ambassadeurschap van Vlaanderen.

Vorig voorjaar keek cultureel Vlaanderen even vreemd op. De namen van de culturele ambassadeurs werden bekend gemaakt. Bekende artiesten, muziekgezelschappen, theaters, en – tiens – ook een circus. Een onverwachte en vreemde keuze in de ogen van de pers en dus haalde dat circus de voorpagina’s en de tv-journaals. Circus Ronaldo was ineens bekend in de theaterkringen en bij het grote publiek. En daarmee legde het met zijn ambassadeurschap een omgekeerde weg af: meestal worden reeds bekende artiesten cultureel ambassadeur om door hun bekendheid ook Vlaanderen in het buitenland te promoten. Hun bekendheid wordt bekroond met deze eretitel. Nu kreeg een in Vlaamse culturele kringen onbekende groep een kroontje en werd daardoor plotseling bekend. Het theaterwereldje keek eerst sceptisch, maar ging dan toch eens kijken naar een voorstelling in de tent, en kwam enthousiast buiten.

Johny Ronaldo: ‘Tot drie, vier jaar geleden waren wij tamelijk onbekend. Onze standplaats is in Muizen bij Mechelen, en vandaar toerden wij wel rond in Vlaanderen. Het was zwaar omdat wij onze inkomsten alleen maar hadden uit vrije ticketverkoop. Nu staan we vooral op festivals en bij evenementen, zoals Theater op de Markt. Het is jammer, maar dat vrije rondtrekken is er niet meer echt bij. Wij met ons circus staan wel dichter bij de rondtrekkende artiesten dan de meeste theatermakers. Die wonen in een kast van een huis, staan op en rijden naar hun werk, waar ze een arme bedelaar spelen. Ik zeg niet dat je armoede gekend moet hebben om het te kunnen spelen, maar ergens is het toch waar. Als je nog nooit gedronken hebt en je moet een dronkaard spelen, dat kan niet. Je moet je kunnen inleven. Een clown die nooit verdriet, nooit armoede gekend heeft, dat is geen clown. Een clown, een circus wordt uit puin geboren. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat wij in armoede willen leven. Al jarenlang ijver ik bij de minister en bevoegde instanties voor subsidies aan het circus, maar het zijn dovemansgesprekken.’

‘In 1996 bestonden wij 25 jaar en met de steun van de stad Mechelen werd dat gevierd. Vlak daarna zijn we naar Reykjavik vertrokken. Wij zijn het eerste Vlaamse gezelschap dat in Reykjavik speelde. In IJsland is daar toen voor de eerste keer een Vlaamse vlag gehesen en dat was boven mijn circus, en ik ben daar trots op. Wij hebben daar eigenlijk de rol van cultureel ambassadeur gespeeld, zonder dat we cultureel ambassadeur waren. De IJslanders waren verbaasd dat we het niet waren. We werden daar onthaald als cultureel ambassadeurs. En nu zijn we het dan echt.’

‘Geld brengt dat niet echt op, we hebben nu ook projectsubsidie aangevraagd, omdat we de woonwagens willen behouden. Wij hebben nu om het circus zelf te vervoeren twee vrachtwagens en twee podiumwagens. En dan zijn er de oude zigeunerwagens, ons visitekaartje. Die kunnen alleen maar tegen 25 km per uur voortgetrokken worden. Naar Italië kan niet, want dan moeten we de Brennerpas over. Naar het noorden van Engeland kon wel, maar duurde te lang. Nu zijn er firma’s die die wagens kunnen ombouwen, zonder aan het model of de versiering te raken. Dan mogen ze de autoweg op. Het gaat om drie wagens, als we die kunnen ombouwen en we kunnen drie kleine vrachtwagens kopen om die te trekken, dan zouden we daar een eenmalige subsidie voor vragen om in heel Europa het circus compleet te laten zien. Ik schat dat het om een drie miljoen gaat. In feite zijn dat peanuts.’

‘Geld. Van de andere kant mag een artiest ook niet te veel geld krijgen, want dan zal zijn werk er onder lijden. Er moet een onzekerheid blijven bestaan. Een artiest moet niet in de watten gelegd worden. Hij moet de ‘struggle for life’ kennen. Anders houdt hij op artiest te zijn. De goede creatieve ideeën ontstaan door weinig geld. Ik wil een decor dat vijfhonderdduizend frank kost, en ik heb maar vijftigduizend frank, dan moet ik zeer creatief zijn om dat even mooi te maken. De nieuwe straatvoorstelling Bric à Barak is volledig met recyclagemateriaal gemaakt.’

‘Commediantentheater’

Als je de kleine circustent binnenkomt, ruik je brandende kaarsen en wierook. Het wordt er op een zomeravond niet frisser door. Zweterig en rokerig is de lucht, zelfs melancholisch geladen. Het publiek van alle leeftijden neemt plaats op de banken. In de piste hangt de was op. Een vrouw haalt langzaam de lange ouderwetse onderbroeken van de draad, de andere personages komen op. De harlekino, de pantalone, de zanni’s zonder masker, en allemaal proberen ze indruk te maken op Colombina. Het geheel heeft iets van ouderwetse romantiek. Een hunkeren naar vroegere, minder jachtige tijden, een koesteren van een periode waarin het circus leefbaar was, en er nog geen film en tv en ander commercieel volksvermaak waren, een ‘romantiseren’ van een theater met een duidelijke liefdeslijn als rode draad, een theater met een lach én een traan. Maar net mooi gedoseerd, zodat het niet vals sentimenteel wordt.

Een circus is volgens Van Dale een publieke vermakelijkheid in een grote tent, waar voorstellingen van acrobatiek en dierendressuur gegeven worden. Paardenspel, voegt het woordenboek er nog aan toe. Circus Ronaldo speelt in een kleine tent, met acrobatiek, maar zonder dieren en paarden. Zonder losse nummertjes, maar met een verhaallijn en heldere personages en theater. Ronaldo noemt zich ook ‘Commediantentheater’, met twee m’s, komedianten zijn het (een oud woord voor toneelspelers), die zich verbonden voelen met de commedia dell’arte. Het zijn de rondtrekkende kermisartiesten, de saltimbanco’s, de commedia dell’arte- spelers die Astley in 1772 voor zijn eerste ‘amfitheater’ vroeg om de tijd tussen de paardendressuren op te vullen. Zijn voorbeeld groeide in 150 jaar uit tot de circussen met paarden, roofdieren en clowns. In Circus Ronaldo zijn de intermezzo-figuren de protagonisten geworden. (Zie over het ontstaan van het circustheater In de piste van verbeelding, Etcetera 59, maart 1997). Daarmee zit Ronaldo duidelijk op dezelfde lijn als Cirque Ici, Cirque Baroque en zelfs Cirque du Soleil. Dat laatste is het Barnumcircus van het circustheater. Veel voorspelbare show en glad gepolijst entertainment. Circus Ronaldo speelt in een kleine tent, met vuur en warmte, verrassend en herkenbaar, het wil meer dan mooie nummertjes opvoeren. Circustheater bestaat zoals circus en theater, in allerlei maten en vormen.

In de voorstelling sjokt Johny met een zadel op zijn rug langs de arena, een gebroken cowboy op zoek naar zijn verloren paard. Alleen schieten kan hij nog, en dat doet hij dan, het zijn harde knallen voor de kinderoortjes.

Johny Ronaldo: ‘Nu ik wat ouder ben, speel ik een vreemde eend in de bijt, een sukkelaar van een cowboy. Vroeger speelde ik de klassieke cowboy, nu ben ik eerder antiheld dan held, en eerlijk gezegd, die rol ligt me goed.’

Een cowboy zonder paard! Voor circusfanaten, zoals André De Poorter van het Belgisch Circusarchief in Zulte, is er pas sprake van een circus als er paarden optreden, zoals ook in het eerste circus van Astley.

Johny Ronaldo: ‘Hij heeft gelijk. Een circus zonder dieren kan wel, maar niet zonder paarden. In het verleden heb ik wel een paard gebruikt, maar puur om de sfeer. Het paard staat nu op stal en in de wei bij vrienden. Wij brengen met ons circus de mengvorm van circus en theater, maar ik zou het heel erg betreuren als het klassieke circus zou verdwijnen. Het is alleen jammer dat wat men tegenwoordig het klassieke circus noemt, zodanig vercommercialiseerd is. Het zijn rondreizende supermarkten geworden.’

‘Theater heeft zoveel verschijningsvormen, waarom mag een circus dat ook niet hebben? Wat wij brengen is circustheater. Maar dat is ook circus! Ik weet het, er zijn mensen die vinden dat wij meer theater dan circus zijn. Neem er alle circuselementen uit en wat blijft erover? Een flauw afkooksel van een komedie. Neem er alle theaterelementen uit, dan is het gewoon een opeenvolging van nummers. Juist die mengvorm en dat evenwicht tussen theater en circus maken ons groot.’

Als het publiek na de pauze weer de tent binnenkomt, zit in de piste de familie aan tafel. Ze eten spaghetti, allicht. Er ontstaat onenigheid, zelfs handtastelijke ruzie, het kwaad afruimen van de borden eindigt in een bordennummer. En het fotoportret boven de scène ziet dat het goed is. Het is de foto van de betovergrootvader van Johny, die zelf al in de zestig is.

De vijfde en zesde generatie

De circustheaters van nu zijn vaak groepen van mensen die de (Franse) circusscholen hebben gevolgd. Deze stichters zijn meestal geen familie van elkaar. Of er uit deze eerste generatie van het circustheater gezinnen en families zullen voortkomen die deze podiumstart verder zullen zetten en er een familietraditie van zullen maken, valt nog af te wachten.

Oude circusfamilies hebben het vaak niet overleefd. In de eerste helft van deze eeuw hebben veel Vlamingen in het circus hun kunsten getoond. Eerst in andere, dan in eigen circussen, die echter vaak door een niet-economisch beheer en door de steeds dalende publieke aandacht over de kop gingen. Vooral rond Gent hebben tal van kleine circusbedrijfjes een korte bloei gekend. Ik ken geen circusfamilie met traditie die aan circustheater doet, behalve dus Circus Ronaldo, hoewel je bij hen ook niet echt van een circustraditie kan spreken. Zeggen dat in dit geval een circus overgestapt is naar circustheater, is het mooier voorstellen dan het is. De voorvader van Circus Ronaldo heeft in een circus opgetreden, daarna is het wat meer theater geworden, en Johny Ronaldo heeft onder de naam circus eigenlijk variété gebracht. Hij, Johny Ronaldo(eigenlijk Jan Van den Broeck) is de vijfde generatie, zijn kinderen die nu meespelen zijn de zesde, en de zevende krijgt er ook zin in.

Het begon allemaal met Gentenaar Adolf Peter Vandenberghe, geboren in 1827, die op zijn vijftiende van huis wegliep en meeging met een circus. Hij begon er als paardenknecht en wist zichzelf in korte tijd op te leiden tot -volgens de overlevering – een van de beste acrobaten uit zijn tijd. De familie beschikt over een reclamegravure voor het keizerlijk circus van Sint-Petersburg, waarop Adolf Peter een pas de deux doet samen met naar men vermoedt Camille Lerou, een bekend paardrijdster. Adolf Peter maakte in Elzas-Lotharingen kennis met de dochter van komedianten, die met woonwagens rondtrokken. Johny Ronaldo: ‘En daaruit is spontaan en niet bewust de mengvorm van circus en theater ontstaan.’

De derde generatie, Johny’s grootvader, bracht van het begin van deze eeuw tot de jaren dertig, onder de naam Volkstheater Vandenberghe vooral mantel- en degenstukken. Circuselementen waren nagenoeg verdwenen. Af en toe was er nog acrobatie als men bijvoorbeeld een markt op de scène zette. In 1933 stopte de grootvader met zijn eigen theater, en na de oorlog zette hij zich in voor amateurgezelschappen.

Daarna werd er van de mannelijke lijn afgeweken. Zijn zonen gingen weliswaar het theater of het circus in, als clown en acrobaat op de fiets, maar het waren de kinderen van zijn dochter die de draad weer opnamen. De dochter studeerde aan het conservatorium en leert daar haar man kennen. De muziek zat ook in de genen van haar kinderen, Jan en Herman Van den Broeck. Deze laatste ging als jonge muzikant in een circus werken en leerde daar jongleren. Vanaf de jaren vijftig brachten de broers muziekvariété onder de naam Ronaldo. Een goed klinkende naam, die ze twintig jaar later ook gebruikten voor hun circus. Jan werd Johny Ronaldo. In 1971 begonnen de twee broers ermee, maar drie jaar later stapte Herman eruit en zei hij het zwervend leven vaarwel om als vaste pianobegeleider bij het Ballet van Vlaanderen te gaan werken.

Jans of beter Johny’s zonen Danny en David vormen de zesde generatie. Zij hebben er eigenlijk voor gezorgd dat Circus Ronaldo richting circustheater ging, nog vóór de bloei van de Franse circustheaters begin dit decennium. Een echte opleiding hebben zij niet gehad, ze zijn niet naar de circusscholen geweest. Hoe zijn zij begonnen?

Johny Ronaldo: ‘Wel, zoals mijn kleinzoontjes er stilletjes aan mee beginnen. Al spelend erin tuimelen. Ik heb mijn kinderen nooit gepusht, wij pushen de kleinkinderen ook niet. Maar toch zijn zij nu al bezeten van het circus. Danny en David hebben ook van kleins af aan gejongleerd en aan acrobatie gedaan. Toen ze groter werden, gingen ze grasduinen in de geschiedenis en vonden die mengvorm van commedia dell’arte en het circus, die de familie in de vorige eeuw beoefende. “Waarom doen wij dat nu niet?” vroegen zij zich af. Ik had drempelvrees. Gaan de mensen van nu dat wel pikken? Danny en David wilden dat toch proberen. Het sloeg in als een bom. Zodanig dat ik mij afvraag waarom ik niet op het idee gekomen ben. Misschien stond ik er iets te kort bij en konden zij wat afstand nemen van de geschiedenis. Als mijn grootvader dit kon zien, zou hij zichzelf herkennen.’

‘Ook de schoondochters zijn er goed ingetuimeld. An is regentes lichamelijke opvoeding en heeft dansexpressie gevolgd. Nadine is eigenlijk sierkunstenares en decoreert de woonwagens. Zij wou heel graag trapeze doen en ze heeft dan les gevolgd in de circusschool van Leuven. Bij onze groep zijn ook een paar niet-familieleden, zoals Karel Cremers. We hebben hem toevallig leren kennen. Hij was straatartiest en juist door het feit dat het een straatwerker is, kunnen wij er beter mee werken dan met een circusartiest. Hij staat dichter bij ons medium. We hebben dan wel geen familieband, er is wel een familiegeest onder ons. We zijn één groep, maar een groep van individuen. Dat is ook voor de voorstelling belangrijk. Wij zijn een eenheid in onderscheid. Iedereen heeft zijn eigen karakter, zijn eigen voorgeschiedenis en Danny brengt daar eenheid in. Ieder heeft het recht zijn eigen type uit te bouwen en dat te integreren in het geheel. Dat vind je bij Cirque du Soleil nu niet. Wij willen, in de echte traditie van de commedia dell’arte, de groepsleden de mogelijkheid geven hun typen uit te bouwen. Iemand die vroeger Pantalone speelde, deed dat jaren achter elkaar, in steeds andere verhalen, maar het was dezelfde Pantalone.’

Naast de tentvoorstelling spelen de twee zonen ook een uitgebreide straatact Lazzi en sinds vorig jaar is er Bric à Barak bijgekomen. Een oude boerenkar dient als podium. De titel Lazzi verwijst naar de commedia dell’arte, waarmee de grappen werden aangeduid van de zanni die niets met het verhaal hadden te maken. Toch zijn de Lazzi van de twee broers niet zomaar wat vrijblijvende grollen. Ook hier het gevecht om erkenning en waardering als artiest, ook hier een melancholische onderlaag, die de grappen en de jongleerkunstjes een theatermeerwaarde geven.

Een stoet trekt rond de piste. Vuur, veel vuur, trekzakmuziek, een vogelkooi met een doodskop erin hangt als een marionet aan een houten speelkruis. Na de bisnummers is er het slotnummer van de clown, als een samengebalde opvolger van de zanni’s, van de jongleurs, van de saltimbanco’s, de vrije artiesten. Zonder masker, zonder schmink, alleen met zijn kleine harmonica, en langzaam zakt hij als een stoffenpop in elkaar. Een ontroerend, subtiel slotbeeld.

Vrienden van Johny zijn twee jaar geleden naar Saltimbanco van Cirque du Soleil gaan kijken. Cirque du Soleil speelt saltimbanco, Circus Ronaldo niet, Johny en zijn familie zijn het.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

gesprek
Leestijd 10 — 13 minuten

#67

15.03.1999

14.06.1999

Tuur Devens

Tuur Devens is theaterrecensent (onder andere voor De Bond en theaterkrant.nl) met een grote liefde voor figurentheater.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!