© Annemie Augustijns

Leestijd 6 — 9 minuten

WOZZECK – Johan Simons & Alejo Pérez/Opera Ballet Vlaanderen

Een goed mens, zonder moraal

In 2008 ensceneerde David Freeman Alban Bergs opera Wozzeck. De bühne was bedekt met een dikke laag modder waarin het hoofdpersonage letterlijk ten onder ging. Anno 2025 speelt de versie van Johan Simons op een hellend wit vlak, omgeven door witte, steriele wanden. Geen letterlijke veruitwendiging van Wozzecks geploeter, maar een mentale ruimte. Wat wil Simons vertellen?

Het is niet de eerste keer dat de Nederlandse regisseur Johan Simons zich waagt aan deze materie. Hij zette Georg Büchners Woyzeck, een theatertekst uit 1837, al drie keer in scène. De vierde keer koos hij voor de opera van Berg. Voor de aandachtige lezer: de y werd door een transcriptiefout van de uitgever achterwege gelaten. Het verhaal van Wozzeck is brandend actueel. Een soldaat die zich onderaan de sociale ladder bevindt, wordt misbruikt door zijn omgeving. Hij doet een poging om bij te verdienen door deel te nemen aan een medisch experiment van een dokter die hem ziek maakt. Hij knipt de haren van de kapitein die hem vernedert. Zijn vriendin Marie, met wie hij een dochter heeft, bedriegt hem met de majoor-tamboer, die er plezier in schept om Wozzeck hiermee te tergen. Uiteindelijk drijft dit alles – niet geheel onbegrijpelijk – Wozzeck tot waanzin. Hij doodt eerst zijn vrouw en daarna zichzelf. In een tijd waarin de manosfeer zich voornamelijk richt op tienerjongens via TikTok en vrouwenhaat razendsnel terrein wint, is het verhaal van de femicide zeer herkenbaar. Büchner werd indertijd geïnspireerd door een krantenartikel over een soldaat die door hetzelfde lot was getroffen en zijn vrouw had vermoord, maar niet zichzelf. Vanwege de barre omstandigheden waarin hij had geleefd, werd door de rechtbank een psychiater aangesteld. Deze moest nagaan in hoeverre de man toerekeningsvatbaar was voor zijn daden, en of de ‘schuld’ in dit incident niet te herleiden was tot de maatschappij. Ziedaar de centrale vraag waar Wozzeck om draait.

De doorgecomponeerde, atonale operamuziek van Alban Berg uit 1925 maakt de theatertekst nog wranger. De opera bestaat uit drie akten van telkens vijf scènes, die elk een andere muzikale vorm hebben – passacaglia, wiegelied, rondo… – maar gedurende de akte in elkaar overlopen. Hierdoor ervaar je als luisteraar een voortdurende onrust en vooral een gevoel van instabiliteit. Daarnaast staat er in de partituur een nauw beschreven doekenregie die Simons trouw heeft behouden. Bij aanvang van elke scène gaat het doek op en daarna weer neer. De momenten waarop het doek even beneden blijft en het donker in de zaal is, word je als luisteraar overvallen door de dreigende klanken waarmee het uitmuntende orkest onder leiding van Pérez de ruimte vult. Pas in de laatste scène klinkt er plotseling een tonale, haast romantische inventie. Het doek blijft nog even dicht terwijl Wozzeck zich van kant maakt. 

Fragmentatie

De regiekeuzes van Simons hellen, net zoals de scenografie van Sammy Van Den Heuvel, tegen het symbolische aan en scheppen zo afstand tot de personages. Wozzeck (Robin Adams) en Marie (Magdalena Anna Hofmann) dragen als enigen geen schoeisel, terwijl de anderen schoenen en laarzen dragen met dikke zolen en veel grip. Handig als je een hele opera op een hellend vlak moet manoeuvreren. Zo lijkt Simons enerzijds de ongelijkheid en klassenstrijd tussen de personages te veruitwendigen en anderzijds te suggereren dat Wozzeck en Marie juist meer contact maken met de werkelijkheid. Hoewel Wozzeck zegt gek te worden, zijn het de anderen die gek zijn. De kapitein, de dokter en de tamboer-majoor worden zodanig karikaturaal geportretteerd dat ze uit een griezelige tekenfilm lijken te komen. Met name de scène waarin  de dokter zich als een volwassen kind gedraagt terwijl hij Wozzeck onder dwang voert met een bruin goedje dat lijkt op uitwerpselen, roept medelijden en walging op. Deze opsplitsing tussen ‘haves’ en ‘have nots’ wordt doorgezet in de manier waarop de zangers hun stem inzetten. Waar de stemmen van Marie en Wozzeck altijd helder en zonder aarzeling klinken, zingen de kapitein, dokter en majoor-tamboer schril en hakkelig. 

“De bedachte regievondsten van Simons scheppen doelbewust afstand. Dit zou een erg brechtiaans effect kunnen hebben en de toeschouwer aan het denken zetten, maar het omgekeerde is waar.”

Dat Wozzeck vervreemd raakt van zijn omgeving merk je aan de veelbetekenende blikken die hij richting het publiek werpt, maar hij doet dat net niet lang genoeg om de kijker te betrekken in zijn denken. Hetzelfde geldt voor de scènes. Doordat ze elkaar aan een razend tempo opvolgen en telkens worden beëindigd door het vallen van het doek wordt het voor de toeschouwer moeilijk om een relatie op te bouwen met Wozzeck of Marie. De bedachte regievondsten van Simons scheppen doelbewust afstand. Dit zou een erg brechtiaans effect kunnen hebben en de toeschouwer aan het denken zetten, maar het omgekeerde is waar. De vervreemding blijft hangen bij Wozzeck en geraakt niet tot bij het publiek. Bijvangst is wel dat de aandacht wordt afgeleid van het slachtofferschap van Wozzeck, wat hem tot een heel nuchter personage maakt.

Ontroering

De enige ontroerende momenten zijn de scènes tussen Marie en Wozzeck. De manier waarop ze elkaar aankijken en toezingen voelt oprecht en solide. Dit staat dan weer in schril contrast tot de momenten tussen Marie en de majoor-tamboer. Haast mechanisch en zonder enige vorm van verlangen poseert Marie zich in seksueel getinte houdingen voor de neus van de majoor-tamboer. Hij hoeft er niets voor te doen en zij toont geen enkele vorm van emotie. Waar Marie wel week van wordt, zijn het goud en de juwelen die ze van hem krijgt. Hier kan de schamele soldij die Wozzeck op een avond thuis brengt niet aan tippen. Is ze een stereotiepe golddigger en verdient ze het gewelddadige lot dat haar wacht? Of leggen de intieme momenten met Wozzeck genoeg in de schaal als tegengewicht voor haar berekende pogingen om hogerop te komen in het leven? Kan je het haar kwalijk nemen? Wozzeck doet dit in ieder geval wel. Hij lijkt een goede inborst te hebben, maar als puntje bij paaltje komt, verliest hij de moraal uit het oog.

“De enige ontroerende momenten zijn de scènes tussen Marie en Wozzeck. De manier waarop ze elkaar aankijken en toezingen voelt oprecht en solide.”

De moord op Marie wordt op een vreemde wijze verbeeld. Terwijl Wozzeck allang heeft besloten haar te vermoorden – wat wijst op een voorbedachte rade en dus toerekeningsvatbaarheid – en hij met het mes in de hand klaar zit, gaat ze naast hem zitten en halen ze herinneringen op aan het prille begin van hun relatie. Hierna steekt Wozzeck een mes in haar rug waarna ze achteruit loopt op de hellende scène terwijl het doek wederom valt. Waarom wordt de femicide op deze manier verbeeld? Marie lijkt haar lot à la amor fati te omarmen? Was dit niet het uitgelezen moment om haar op de voorgrond te laten treden? Jammer genoeg ontbreekt hier in de regie elke vorm van commentaar.

Kinderspel

Berg liet het laatste woord en lied aan de kinderen en laat ze op het einde ‘Hop Hop’ zingen, maar in Simons’ versie zijn ze het hele stuk aanwezig. Ze staan, liggen of spelen altijd wel ergens op de bühne of komen achter het hoekje kijken wat voor een puinhoop die volwassenen ervan maken. De kinderen zijn erg jong en lijken in hun uitgesproken kostuums haast sprookjesfiguren. De naturel waarmee ze zich op het podium begeven is prachtig om te zien en compenseert de afstandelijkheid die je als kijker gedurende het hele stuk ervaart. Het is Simons’ manier om, te midden van alle maatschappelijke narigheid, toch een signaal te geven: ‘Blijf hoopvol, de nieuwe generatie komt eraan.’

Nog te zien tot en met 29 juni 2025. Klik hier voor de speellijst.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#179

01.03.2025

—

14.09.2025

Lena Meyskens

Lena Meyskens studeerde klassieke zang bij Axel Everaert aan het Conservatorium van Maastricht. In deze periode was ze lid van Karmijnrood Podiumkunst onder leiding van Joost Horward en Peter Stam, zong ze talloze chansonconcerten, begeleid door Bart Rademaekers, en nam ze deel aan masterclasses met Gemma Visser, Ludger Engels en Jan van Opstal in de Jekerstudio. Ze sloot deze periode af met verschillende uitvoeringen van Poulenc’s La Voix Humaine. Vervolgens studeerde ze Franse en Engelse literatuur en theater aan de Vrije Universiteit Brussel. Na verschillende stages als dramaturg bij onder andere OperaBallet Vlaanderen en Toneelgroep Maastricht behaalde ze haar masterdiploma met de hoogste onderscheiding. Sinds een aantal jaren werkt ze als dramaturg voor Liesa van der Aa, Timo Tembuyser en Aïda Gabriëls. Ook geeft ze gastcolleges en workshops over drag en opera. Momenteel geeft ze operageschiedenis en muziekdramaturgie aan de Toneelschool van Maastricht.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!