Wim Van Gansbeke

Leestijd 6 — 9 minuten

Wim Van Gansbeke

Een tekst die eigenlijk al lang in extenso in dit blad had moeten verschijnen – omdat hij 20 ontegensprekelijk over theater gaat ronder over theater te gaan – is de inleiding tot Kaas van Willem Elsschot. Elsschot beëindigde Kaas de 1ste maart 1933. Pas daarna zette hij zich aan het schrijven van de inleiding die, onder het mom van een kort essay over de ‘stijl’ en het ‘tragische’, in wezen een structuuranalyse van Kaas inhoudt, zonder dat er ook maar één keer aan dat verhaal gerefereerd wordt. Maar het merkwaardige is: deze tekst blijkt bijna woord voor woord een beknopte, maar essentiële en tot op haar authentieke gebeente afgeschraapte handleiding voor dramaturgen, regisseurs en acteurs. In kaastermen gesproken een suprème.

Elsschot schreef noch regisseerde noch speelde ooit toneel — dat was hem vermoedelijk allemaal te futiel — maar als monkelend observator van de comédie humaine had hij een onmiskenbaar en zuiver instinct voor theater. De inleiding op Kaas is dan ook een behartenswaardig stuk over het theater als effect en hoe dat te bereiken. De tekst is ook opgenomen in de éénbanduitgave van Elsschots verzameld werk. Een hoogst onpersoonlijk uitziende omnibus, een dik doorsneeboek in de naoorlogse nieuwe spelling. De functionele lelijkheid en degelijkheid zelve. De ouderwetse estheet in mij verbiedt het mij om hieruit de gewenste citaten te plukken. Liever doe ik dat uit een gelukkig in mijn bezit zijnde tweede druk van Kaas – in een met een houtsnede opgesmukte papieren omslag en met genaaide katernen die je nog diende open te snijden -uitgegeven door P.N. Van Kampen en Zoon N.V. in Amsterdam, met de mededeling: “Versierd door Jozef Cantré”. In de vooroorlogsche spelling uiteraard.

Ik weet niet van wanneer die tweede druk dateert, maar blijkens een notitie op het schutblad werd het boek in 1940 gekocht door ene mijnheer Van Holder wiens kinderen mij na zijn overlijden mijn bibliofiele hartstochten lieten botvieren op zijn omgevallen boekenkast.

Dit gezegd zijnde veroorloof ik mij hierbij een stuk huiswerk van Etcetera over te nemen en nodig ik de lezer uit om zich met mij al grasduinend en van citaat tot citaat te vermeien in het kristalheldere proza van Bons de Ridder.

“Uit de hoogste stijlspanning wordt het tragische geboren, In ‘s menschen lotsbestemming zelf is alles tragisch. Denk aan de woorden van Job. “Hier hebben de boozen het woelen gestaakt, hier vindt hij, wiens kracht uitgeput is, rust”’ en gij ziet aan uw voeten hel wriemelende, parende, etende, biddende menschdom en daar naast een stortplaats voor hen wier laatste kramp tot stilte gekomen is. Stijl staat in nauw verband met de muziek, die gegroeid is uit de menschelijke stem waarmede gejuicht en geklaagd werd vóór dat zwart op wit bestond. En het tragische is een kwestie van intensiteit, van maat en harmonie, van rustpunten, een afwisseling van gejubel met tento’s en gongslagen, van eenvoud en oprechtheid met sardonisch grijnzen.

Hier hebt gij een zee en daar boven een lucht. Eerst is de blauwe hemel één reusachtige heerlijkheid. Wie vertrekt van een blauwe lucht moet er toe in staat zijn die lucht zóó blauw te scheppen als nooit eenige lucht in werkelijkheid geweest is. De toeschouwer moet dadelijk getroffen worden door het merkwaardige blauw van dat uitspansel» zonder dat hem gezegd wordt “die lucht is zeer, zéér blauw”. Hij heeft immers zelf een ziel die hem dat zegt, want stijl is alleen bevattelijk voor die een ziel hebben.

Die lucht moet zoo lang blauw en ongerept blijven tot het blauwe volkomen in zijn wezen is doorgedrongen. Echter niet TB lang, anders denkt hij “ja, die lucht is blauw, daar gaat niets van af, ik weet het nu”. En hij keert uw lucht den rug toe om weg te zinken in overwegingen die op zijn persoonlijk peil staan. En is hij eenmaal uit je klauwen, dan krijg je hem geen tweede maal op de plaats van waaruit hij toekijken of toevoelen moet, ten minste niet met een tweede blauwe lucht. Hoe intenser het blauw hoe beter, want des te spoediger is hij er vol van. (…) Als nu de blauwe heerlijkheid lang genoeg heeft geduurd, dan komt een eerste wolkje waardoor hij merkt dat hij daar niet staat om tot aan ‘t eind van zijn dagen op die blauwe lucht te staren. En geleidelijk slinkt het blauw tot één chaos van wolkgevaarten. Een gongslag kondigt de eerste wolk aan en een nieuwe slag telkens een stoet van nieuwe gevaarten.

De eerste gongslag speelt een leidende rol, zoals de eerste geboorte in een gezin. De anderen worden precies zoo geboren, maar men went aan alles, ook aan bevallen, en de verrassing wordt geleidelijk zwakker. Die eerste gongslag moet komen als alles rein en blauw, liefde en geluk is, als men zich aan alles verwacht behalve aan een gongslag. Hij moet waarschuwen, hij moet hinderen, maar niet doen schrikken. Iets als het “broeder, gij moet sterven” van die monnikken, op een zomerschen middag. Hij moet o zoo zacht gegeven worden. De man moet zich afvragen wat of dat was? Was dat óók gejubel, dan was het een rare manier van doen. Hij moet, na dien eersten gongslag, de blauwe lucht gaan wantrouwen als een die plotseling iets aan ‘t eten proeft of in ‘t vreedzame gras iets ziet bewegen bij volkomen windstilte.

Hij moet zich afvragen of hij niets verdachts heeft gehoord en of dat ginder ver nu geen wolk is. ‘t Is wenschelíjk dat hij even later tot de conclusie komt dat het geen gongslag was, maar iets dat haperde in de keel van die doende zijn te jubelen. Dat kan alleen worden bereikt als de eerste slag zacht gegeven wordt en niet te lang aanhoudt. (…) Is die eerste gongslag te luid, dan kan niets meer komen dat nog indruk maakt. Hij denkt dan “zoo, is het dáárom te doen? Vooruit dan maar”. En meteen stopt hij zijn ooren dicht. Of hij bevecht uw kermiskabaal met eigen wilskracht en houdt zijn ooren wijd open, wetend dat hij dadelijk niets meer hooren zal. Want een aanhoudend sterk geluid is gelijk aan volkomen stilte. (…) Als nu die rare blauwe lucht nog even geduurd heeft, volgt een tweede slag. Die man van je ZIET nu een wolk en denkt “ik had dus goed gehoord. Dat wás geen gejubel”. En om zeker te zijn, want dat Mauw zit nog in zijn maag, zoekt hij den eerste gongslag op in wat reeds voorbij is. Als hij zich die moeite geeft vindt hij hem ook en denkt “zie je wel, die was mij niet ontsnapt”. Hij is echter nog niet geheel zeker dat die eerste met voorbedachtheid gegeven werd* zóó zwak was hij geweest, en zóó onverwacht. (…) En daarop gaan ze aandrijven. Geleidelijk, ín een versnellend tempo, wordt het blauw verdrongen en stapelen de gevaarten zich op. De gongslagen volgen sneller op elkander en je man voorziet de slagen reeds die gaan komen. Hij wil zelf de leiding nemen, want hij denkt dat hij vaart en is er zich niet van bewust dat hij gevaren wordt Als hij dan zegt “nú komt de slag die de toren doet instorten, ik wil het”, dan juist zwijgt de gong en door de wolken wordt een plekje blauw zichtbaar. (…)

Hij weet niet dat die slag nu niet komen mocht, omdat het blauw vergeten is, omdat de indruk van het blauw uit zijn ziel is gewischt. En die slag op zich zelf is het doei niet. Het doel is het blauw EN de slag. het blauw als de slag verwacht wordt en de slag als men het blauw opnieuw begint op te zuigen. (…) En als de toeschouwer het blauw voor de tiende maal heeft gezien, telkens voor een kortere spanne tijds, en denkt “ja, nu weet ik het, ‘t is te doen om een voortdurende afwisseling van blauw en wolkgevaarten”, DAN komt de stag. Hij dreunt dwars door zijn lichaam en stippelt zijn huid. (…)

Hij denkt “dat tap je me niet meer” en maakt zich gereed om den volgenden stag het hoofd te bieden. (…) Hij vergist zich, dat was DE slag. Hij zit daar nog als er niets meer Ís, geen gongslagen en geen wolkgevaarten. Zelfs geen blauwe lucht meer. Hij sluit je boek en gaat heen, zijn hoed vergetend. Onderweg blijft hij even staan en mompelt: “was me dát een geschiedenis”. Hij keert zich nog eens om, gaat dan droomerig verder en verdwijnt aan den horizon. De spanning van het tragische heeft zijn ziel aangeraakt, In de natuur zit het tragische Ín *t gebeurde zelf. In kunst zit het meer in den stijl dan in wat er gebeurt. Ben haring kan tragisch geschilderd worden, al zit er aan zoo’n beest niets dat tragisch op zichzelf is. Daarentegen is het niet voldoende te zeggen “mijn arme vader is dood” om een ‘tragisch effect te bereiken.” (…)

“Van af den aanhef (…) moet men het oog houden op het slotakkoord, waarvan iets door ‘t heele verhaal geweven moet worden, als het Leitmotiv door een symphonie. De lezer moet geleidelijk een gevoel van onrust over zich voelen komen, zoodat hij zijn kraag opzet en aan een paraplu denkt terwijl de zon nog in haar volle glorie staat. Wie het slot niet uit het oog verliest zal van zelf alle langdradigheid vermijden omdat hij zích telkens afvragen zal of ieder van zijn details wel bijdraagt tot het bereiken van zijn doel. En hij komt dan spoedig tot de ontdekking dat iedere bladzijde, iedere zin, ieder woord, ieder punt, iedere komma het doel nader brengt of op afstand houdt. Want neutraliteit bestaat niet in kunst. Wat níet noodig is dient geweerd en waar het met één personage kan is een menigte overbodig.

In kunst mag niet geprobeerd worden. Probeer niet te schelden als gij niet toornig zijt, níet te schreien als uw ziel droog staat, niet te juichen zoolang gíj niet vol zijt van vreugde.

Men kan probeeren een brood te bakken, maar men probeert geen schepping. Men probeert ook niet te baren. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren van zelf, ten gepasten tijde.”

Wat jammer toch dat het gros van onze theatermakers van deze Elsschot geen kaas gegeten heeft.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

column
Leestijd 6 — 9 minuten

#25

15.03.1989

14.06.1989

Wim Van Gansbeke