Amazonerivier © PLOS

Leestijd 7 — 10 minuten

Wat wordt het: Albertkanaal of Amazonerivier?

Wie afstudeert in de podiumkunsten, kan zoveel meer dan op een podium staan

‘Het is geen geheim dat er te veel studenten afstuderen in podiumkunstopleidingen. Dat er tout court te veel opleidingen zijn. En dat er te weinig manieren zijn om waardig uit te stromen.’ Deze stelling legde de Etcetera-redactie voor aan cultuur- en mediaonderzoeker Delphine Hesters. Dit opiniestuk is haar poging om die – blijkbaar – nieuwe common sense weer van tafel te krijgen.

‘Instroom en uitstroom’ is terminologie die meestal gebruikt wordt in discussies over het Kunstendecreet. Dan gaat het erover dat er te weinig instroom en uitstroom is bij de werkingssubsidies. Bij elke grote subsidieronde blijkt hoe moeilijk het is om structurele subsidies van kunstenorganisaties stop te zetten, ook bij negatief of minder positief advies. Daardoor komt er amper ruimte vrij om andere spelers voor het eerst werkingssubsidies toe te kennen. De vraag die naar mij toe kwam, heeft het over instroom van kunstenaars in het werkveld en linkt die instroom aan de vakopleidingen.

Van dat soort instroom is er blijkbaar te veel. Er studeren te veel studenten af en het professionele veld kan die vandaag niet opvangen. Daardoor zitten we met een groeiend leger freelancers met te weinig mogelijkheden: hier en daar een project met slechts een paar opvoeringen en tussendoor vooral veel onzekerheid, bijklussen en valse hoop. Dat is even fnuikend voor het welzijn van die mensen als voor de kwaliteit van de kunst, en daarom moeten we het aantal afstuderende kunstenaars in spe beperken. Een numerus clausus. Zo luidt de redenering. Ik heb daar bedenkingen bij.

“Dat een afgestudeerde met een kunstdiploma geen kunstenaar wordt, mag niet sowieso als mislukking gezien worden.”

De precariteit van de flexwerkende kunstenaars is inderdaad een groot probleem. En het klopt dat het gesubsidieerde podiumveld lijkt te versmallen, terwijl het aantal afgestudeerden de afgelopen decennia eerder gestegen is. Maar de antwoorden op die precariteit moeten in de eerste plaats gezocht worden in het werkveld zelf. Zolang de versnippering van de middelen (geld en ondersteuning in diverse vormen) over de vele kunstenaars niet gecounterd wordt en er geen andere werk- en tewerkstellingsmodellen ontwikkeld worden, zal de precariteit blijven bestaan, ook al wordt de instroom vanuit de opleidingen ingeperkt. Dat staat nog los van de vraag of je de instroom van kunstenaars in de sector werkelijk kunt reguleren door te snoeien in de opleidingen. Maar daarover verder meer.

Ongereguleerd beroep

Eerst even naar de cijfers, want die zijn interessant. Het aantal uitgereikte diploma’s aan de kunstopleidingen schommelde de laatste jaren tussen 1.750 en 1.950 per jaar1. In 2016 was 45 procent van de gediplomeerden beeldend kunstenaar, 31 procent muzikant, 18 procent audiovisueel kunstenaar, 5 procent podiumkunstenaar en 1 procent productontwerper: vooral veel beeldend kunstenaars en muzikanten dus.

Belangrijker is de vraag of deze afgestudeerden ook aansluiting vinden op de arbeidsmarkt en zich dus kunnen weren in ‘het echte leven’. Die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden, want afgestudeerden worden niet systematisch opgevolgd. Wie wel een poging doet om zicht te krijgen op de zaak, is het Sociaal Fonds Podiumkunsten (SFP). Op basis van cijfers van de VDAB volgt het fonds jaarlijks op hoeveel van de podiumkunstenaars in het jaar na afstuderen al werkervaring hebben opgedaan. Van de bachelors in de podiumkunsten staat één jaar na het afstuderen nog 10 à 20 procent geregistreerd als werkzoekende zonder enige werkervaring2. Hetzelfde geldt voor de bachelors muziek, beeldende en audiovisuele kunsten.

Bij de masters in de muziek is ongeveer 10 procent van de afgestudeerden nog werkzoekend na één jaar. Voor de afgestudeerde masters in drama ligt dat percentage wat hoger3 en is het vinden van werk dus wat moeilijker. Dat is opmerkelijk, want de (doorgaans klassieke) muzikanten zijn met een pak meer en komen in een werkveld terecht dat veel gelijkenissen vertoont met dat van de podiumkunstenaars. (Overigens: het ijkpunt om te interpreteren of je deze percentages hoog of laag vindt, is niet 0 procent maar 4 procent: het aandeel van alle afgestudeerden hoger onderwijs dat volgens de VDAB-cijfers na één jaar nog geregistreerd staat als zonder werkervaring.)

Ook interessant om te noteren: de cijfers van het aantal ingeschrevenen blijven redelijk stabiel in de loop van de jaren. Eigenlijk hééft het hogere kunstonderwijs al een soort van numerus clausus. Alle opleidingen kennen een gecontroleerde instroom via de artistieke toelatingsproeven. Het aantal plaatsen voor drama- en dansstudenten wordt dus bewust beperkt gehouden, onder andere om de kwaliteit van de opleiding, die veel individuele opvolging en kleine werkgroepen vereist, te garanderen. Anders dan bij bijvoorbeeld artsen is het echter onmogelijk om het optimale aantal studenten eenvoudig te relateren aan de noden van het veld. Hoeveel dokters nodig zijn, valt in kaart te brengen op basis van bevolkingsaantallen en inzichten in hoeveel consultaties per bevolkingscontingent. Maar een dergelijke oefening kun je onmogelijk maken voor de nood aan acteurs en dansers in Vlaanderen.

“Hoeveel dokters nodig zijn, valt in kaart te brengen. Maar een dergelijke oefening kun je onmogelijk maken voor de nood aan acteurs en dansers in Vlaanderen.”

Er is nog een ander belangrijk verschil tussen een numerus clausus voor artsen en de beperkte studieplaatsen voor kunstenaars: het beroep van arts is gereguleerd (net als dat van bijvoorbeeld advocaat of architect). Wie de studie niet gevolgd heeft en geen erkenning heeft van de Orde, mag het beroep niet uitoefenen. Het beroep van kunstenaar, daarentegen, kent dergelijke sluizen niet. Wie een artistieke praktijk ontwikkelt en daar professionele ambities voor heeft, mag dat. Daarom is het eigenlijk onmogelijk om de toegang tot het beroep van podiumkunstenaar echt gecontroleerd te reguleren via het versmallen of afsluiten van de studiemogelijkheden. Je krijgt grip op het aantal degelijk opgeleide podiumkunstenaars die je het werkveld in stuurt, maar niet op al de rest: autodidacten, mensen met een traject in het deeltijds kunstonderwijs, podiumkunstenaars die in het buitenland zijn opgeleid, beeldend kunstenaars die performancewerk brengen, noem maar op. (Kijk bijvoorbeeld naar al die acteurs in tv-series of films die geen acteursopleiding gevolgd hebben of de vele internationale dansers die naar Brussel komen.) Misschien winnen die andere stromen wel aan kracht wanneer het aantal alumni uit de opleidingen zou dalen.

Hoeveel acteurs of dansers heeft Vlaanderen nodig? Kunnen we dat werkelijk niet in kaart brengen? Het aantal degelijke werkplaatsen voor podiumkunstenaars in het professionele veld is toch erg beperkt? Dat klopt. Maar het beeld van ‘het werkveld’ dat daaruit spreekt is veel te eng. Instroom en uitstroom in of uit wat? Hoe ziet de stroom eruit? Als een kanaal: overal even breed, rechtdoor, met stevige dijken, voorspelbaar? Of als een rivier: grilliger, met veel zijtakken en poreuze oevers die zich laten verleggen als de natuur zijn gang gaat? In- en uitstroom in de structurele subsidies: dat werkt volgens het kanaalprincipe: gemanaged. In- en uitstroom (en ook ‘doorstroom’) van individuen in de professionele praktijk volgen de logica van de rivier – als we willen en als we ambitieus zijn: van de Amazonerivier.

Albertkanaal

Grillig parcours

Bijna tien jaar geleden hoorde ik Bart Verschaffel, filosoof en professor architectuurtheorie en -kritiek, een uitspraak doen die ik als Belangrijk Inzicht heb opgeslagen en waarop uiteindelijk deze bijdrage is gebouwd: het moet niet de bedoeling zijn dat elke student die een kunstopleiding volgt later ook als kunstenaar opduikt in musea, cinema’s of op het podium. Kunst is een vak, maar kent geen duidelijke parameters voor succes. Kunstenaars leggen een grillig parcours af en de ontwikkeling die ze doormaken, ook na de opleiding, is particulier en onvoorspelbaar. Een school kan daarom nooit helemaal voorzien, laat staan garant staan voor, wie zich later succesvol als kunstenaar zal ontpoppen4. Dat een afgestudeerde met een kunstdiploma geen kunstenaar wordt, mag niet sowieso als mislukking gezien worden. Wel moeten we onze blik verruimen op wat het werkveld is of de arbeidsmarkt waarvoor kunstenaars een betekenisvolle opleiding hebben.

Het (‘rechtstreekse’) werkveld van de podiumkunstenaar is ruimer dan het gesubsidieerde podiumveld. Ook scenarioschrijvers, radiopresentatoren, spelers in het commerciële podiumcircuit, acteurs in tv-series of films, lesgevers op kunstacademies of in het reguliere onderwijs zijn allemaal actief binnen hun kunstvorm, maar buiten de strikte afbakening van het kunstenveld. Voor performers en dansers is het bovendien onzinnig om het Vlaamse veld als referentie te nemen. Ook zijn er genoeg voorbeelden van theater- of dansmakers die misschien niet (meer) maken of spelen, maar die vanuit een grondige kennis van het artistieke proces een sterke productiemedewerker, tourmanager, lichtontwerper, kunsteducator, programmator of festivaldirecteur worden. (Graag zelfs meer van die corekennis in de niet-artistieke rollen in de sector).

“Het imago van wereldvreemde artiesten staat ronduit haaks op hoe kunstenaars vandaag opgeleid worden.”

Tegelijkertijd verbreedt en diversifieert het werkveld vandaag enorm. Net zoals beeldend kunstenaars niet gelijkgesteld kunnen worden aan schilders of beeldhouwers die hun werk tentoonstellen in musea en verkopen in galerijen, kunnen podiumkunstenaars niet gereduceerd worden tot makers van black-boxvoorstellingen van een uur en een kwartier om mee te toeren in cultuur- en kunstencentra. ‘Podiumkunstenaars maken meer dan voorstellingen, ze creëren ook levende bibliotheken, stadiums in de publieke ruimte, affichecampagnes over de vluchtelingenpolitiek, een museum over Europa, gespreksmarathons, guerrilla-acties, sociale documentaires, buurtprojecten, een maquette die in een rugzak past …’, schreven Charlotte De Somviele en Dries Douibi een paar jaar geleden in de krant5. Veel kunstenaars van de jongere generaties werken samen met niet-professionele mensen en partneren met organisaties buiten de kunsten: buurtwerkingen, sociale organisaties, psychiatrie, culturele middenveldspelers, bedrijven enzovoort. Er zijn er ook die films gaan maken, een band oprichten of schrijven.

Maar ik wil het perspectief nog breder trekken. Tot nog toe gaat het nog steeds over het artistieke werkveld of artistieke praktijken. Wie denkt in termen van de competenties die kunststudenten dankzij hun opleiding ontwikkelen, ziet een nog ruimere mogelijke arbeidsmarkt. Niet alleen als ‘uitweg’ voor wie niet als kunstenaar werkt, maar als plekken in de samenleving waar artistiek opgeleiden een unieke bijdrage kunnen leveren. Zoveel jobs vandaag en morgen hebben juist dat nodig: verbeelding, een getraind inlevingsvermogen, een onderzoekende houding, expertise in beeldcultuur, het kunnen verbinden van diverse perspectieven, collectief en resultaatgericht werken, fysieke intelligentie, kunnen functioneren in onvoorspelbare, onzekere en onduidelijke processen, flexibiliteit. Ook sociologen, germanisten, economen of filosofen komen op de arbeidsmarkt met een bagage aan expertise en competenties, en met een diploma waarop niet geschreven staat welke jobs het garandeert.

Hoezo, wereldvreemd?

Dit perspectief op een werkveld als Amazonebekken, eerder dan als Albertkanaal, vraagt wel wat randvoorwaarden. Om te beginnen moet in de opleidingen dat bewustzijn over de breedte van de mogelijke praktijken en relevantie van de competenties van kunststudenten binnen en buiten de kunsten verder kunnen rijpen, zodat uitstroom van studenten naar niet-artistieke jobs niet enkel als jammerlijke uitval wordt gezien, en de studenten zelf ook met die brede blik de wereld in kunnen stappen. Dat wil overigens niet zeggen dat de kern van de opleiding – het opleiden tot podiumkunstenaar – moet veranderen. Ook, en moeilijker te bewerkstelligen: het vereist een wijziging in hoe de samenleving denkt over kunstenaars. Het imago van wereldvreemde artiesten staat ronduit haaks op hoe kunstenaars vandaag opgeleid worden.

Het is vanuit dezelfde logica dat we over uitstroom van kunstenaars kunnen nadenken, of over transitie zoals dat in de klassieke danswereld heet. Transitieprogramma’s van overheden of balletcompagnieën begeleiden stoppende balletdansers in hun overgang naar een andere carrière en bouwen daarbij graag voort op zogenoemde transferable skills. In tegenstelling tot bij balletdansers is ‘uitstroom uit de kunstpraktijk’ een erg relatief gegeven voor flexwerkende podiumkunstenaars. Als multiple job holders met opdrachten in verschillende artistieke en niet-artistieke rollen vervellen zij bij wijze van spreken dagelijks en zijn zij sowieso ‘in’ noch ‘uit’. Doorheen hun brede praktijk vergaren ze weer nieuwe kennis en competenties en ontdekken ze misschien zelfs andere ‘goestingen’. Wie zich grondig wil heroriënteren kan daarop voortbouwen. Een belangrijke randvoorwaarde hier is een actief beleid om die delta te cultiveren. In een wereld waarin levenslang leren en schakelen naar tweede of derde carrières meer ingang vinden op de ruime arbeidsmarkt, is er ruimte om een gericht coachings- of transitieaanbod te ontwikkelen. Is daarbij meer dan welkom: financiële ondersteuning tijdens periodes van herbronning of scholing voor podiumkunstenaars die tijdens hun voorgaande carrière doorgaans geen spaarpot hebben kunnen aanleggen. 

1Deze cijfers haal ik uit de Landschapstekening Kunsten van Kunstenpunt (2019), pp.155-156. Ze gaan terug op cijfers die toenmalig onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) in 2017 in het Vlaams Parlement presenteerde als antwoord op een vraag naar in- en uitstroom in het hoger kunstonderwijs. Ze gaan terug op de jaren 2011-2016 en zijn dus enkele jaren oud. Maar zoals gesteld in de tekst: de cijfers blijven, gereguleerd door de toelatingsproeven, jaar na jaar stabiel, dus ook na 2016 liggen de cijfers in deze lijn. Een mooi overzicht van het jaarlijkse aantal afgestudeerden van de drama- en dansopleidingen in Vlaanderen sinds pakweg de jaren 1980 moet helaas nog gemaakt worden.2Het gaat om eender welke werkervaring, dus niet enkel om artistieke jobs. Omgekeerd kun je je ook afvragen of de eerste artistieke ervaringen wel meteen opduiken in de cijfers van de VDAB. Mogelijk hebben afgestudeerden die geregistreerd staan als ‘werkzoekend, zonder werkervaring’ wél aansluiting op het veld en hebben ze aan artistieke projecten gewerkt, maar zonder vergoeding. Deze cijfers geven met andere woorden een erg onnauwkeurig beeld van waar mensen terechtkomen, maar ze zijn de beste die we hebben om iets van de aansluiting op de arbeidsmarkt te vatten.3Het percentage werkzoekenden na één jaar bij de afgestudeerde masters Drama schommelt erg en de aantallen zijn klein. Een exact cijfer van het gemiddelde percentage is daarom weinig zinvol.4Ik herneem hier een stukje dat ik eerder neerpende in de Landschapstekening Kunsten (Kunstenpunt, 2019) p.156.5Charlotte De Somviele en Dries Douibi, ‘Als de poppen aan het dansen gaan’, De Standaard, 1 september 2016. (Douibi is trouwens een mooi voorbeeld van een festivaldirecteur die als kunstenaar is opgeleid.)

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

opinie
Leestijd 7 — 10 minuten

#162

01.12.2020

14.03.2021

Delphine Hesters

Delphine Hesters is cultuursocioloog. Ze werkt als onderzoeker, facilitator en adviseur voor organisaties en beleidsmakers in cultuur. De afgelopen tien jaar deed ze onderzoek over o.a. de precaire positie van de kunstenaar, het Kunstendecreet, fair practice, culturele diversiteit en genderongelijkheid in de kunsten.

RECENT VERSCHENEN

opinie

RECENT VERSCHENEN

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!