Frank Vande Veire

Leestijd 4 — 7 minuten

Wat willen wij?

De moed om zich aan het onbekende te wagen

De cultuurindustrie reduceert haar publiek tot zuigelingen. Frank Vande Veire pleit ervoor dat cultuurproducenten hun keuzes verantwoorden voor zichzelf, uit respect voor het publiek.

Het is altijd vernederend als het lijkt alsof een ander van je weet wat jij wil en het je nog kan geven ook. Alleen een zuigeling laat zich zonder problemen door een ander bevredigen. De moeder weet wat hij wil: voedsel, warmte, aandacht. Alhoewel: reeds de zuigeling neemt niet alles voor goed. En hoe meer de zuigeling een kleuter wordt, hoe meer hij zich laat kennen als een persoon, namelijk als een wezen dat in staat is iets te weigeren, niet omdat het hem duidelijk is wat hij dan wél wil, maar omdat hij zich wil bewijzen als iemand die zich niet laat bevredigen door wat de ander hem geeft.

De cultuurindustrie heeft evenwel de neiging de mensen te reduceren tot zuigelingen van de meest primitieve soort. Hoe vaak hoort men degene die cultuur produceert en programmeert niet zeggen dat hij ‘de mensen geeft wat ze willen’, waarmee hij suggereert dat hij weet wat ze willen. Natuurlijk kan dat eigenlijk niet, want mensen zijn mensen omdat ze niet weten wat ze willen en hetzelfde geldt voor de cultuurproducent. Maar dit verhindert deze laatste niet de fictie te creëren van een publiek waarvan hij weet wat het wil. En daarbij stuit hij op weinig tegenstand. Vluchtend voor de onzekerheid over wat het zelf wil, geeft het publiek zich maar al te graag over in de handen van een ander die weet wat het wil en het ook opdient.

Men kan het publiek hierin nog oprecht noemen: het kiest voor zichzelf uit wat wordt geprogrammeerd en probeert er zich niet tegelijkertijd uit te praten. De cultuurproducent van zijn kant neigt tot lafheid. In de plaats van uit zijn geprivilegieerde verhouding met de kunstscène voor zichzelf uit te zoeken wat hij het beste vindt, verschuilt hij zich achter Jan Publiek die hij zijn gading wil geven. Bang voor de lichte duizeling die hem zou bevangen indien hij zou moeten nadenken over wat hij zelf wil, doet hij slechts wat de ander, de zuigeling, wil. Daarom zijn zoveel tentoonstellingsmakers, televisiemakers, radiomakers, tijdschriftredacteuren, uitgevers, enz. zo glibberig als men ze aanspreekt op wat ze aanbieden: zij beweren enkel te brengen wat ‘men’ wil, en wie kan daar iets op tegen hebben, wie heeft de pretentie iets tegen dit ‘men’ te hebben?

Cultuurproducenten zijn vaak mysterieuze wezens. Want wat krijgt men steeds weer te horen als men vraagt wat zij zelf echt willen, wat ze zouden doen indien dat logge ‘men’ er niet was? – ‘Ikzelf? Eh, daar heb ik geen tijd voor, dat ligt nogal ingewikkeld, uiteindelijk is kunst toch communicatie, en wat zou kunst zijn indien er geen volk voor was? Hebben we wel het recht om onze smaak op te dringen? Zijn alle smaken niet evenwaardig, zoals de mensen zelf?’ Kortom, wie doorvraagt, loopt vast in het slibsel van het ‘men’. Niet weinig cultuurproducenten blijken wezens zonder diepte die vergeten zijn waar het voor henzelf om ging. Hun grote zorg is de indruk die het gepresenteerde op Jan Publiek maakt. Hun grote zorg is dat er ‘communicatie’ is.

Hoe onbaatzuchtig zijn ze niet! Niet alleen voor ‘het publiek’ verbergen zij deemoedig hun eigen smaak, maar zelfs voor zichzelf. Maar deze cultuurproducenten, voor wie alleen al de idee van een eigen smaak te hebben een obscene gedachte is geworden, hebben niettemin een duidelijke keuze gemaakt. Hun ontroerend offer kan niet verhelen dat zij al lang hebben gekozen voor een welbepaald soort kunst, een soort kunst dat duidelijke, liefst positieve boodschappen brengt, sterke effecten en veel afwisseling, een soort kunst dat door een geslaagd mengsel van sentimentaliteit en grofheid, uitnodigt tot identificatie. Vandaar dat de bescheiden toon van neutraliteit, van pluralisme die zij zich als functionaris aanmeten, elk moment kan omslaan in een onomwonden verdediging van de vulgaire smaak, in een agressieve aanval op ‘moeilijkdoenerij’, ‘hermetisme’, ‘cultuurelitarisme’, enz.

In de jaren dertig was er reeds dat beangstigende fenomeen van een door intellectuelen georchestreerd anti-intellectualisme, het fenomeen van de universitair opgeleide cultuurproducent die, zijn eruditie beu, plots een knieval doet voor de ‘volksziel’, voor het gesundes Volksempfinden. Tegenwoordig is voor menig intellectueel het ultieme tribunaal dat over de kwaliteit van cultuuruitingen oordeelt de grillige smaak van een gezichtsloze meerderheid.

Als de jaren zestig anti-elitair waren, dan was dat vanuit het ideaal van een maatschappelijk en geestelijk bevrijde consument. Nu bestookt men het elitarisme vanuit de bestaande smaak. Elke smaak is evenwaardig aan de andere, gewoon omdat hij nu eenmaal voorkomt. Belangrijk is dat de smaak raak is: dat hij ‘echt’ is, ‘recht uit het hart’ komt. Zolang men zich niet verveelt, geen leegte voelt, is er niets aan de hand. Als het maar smaakt, als Jan Publiek maar wordt geprikkeld, geschokt, gepakt, gemasseerd.

Sinds de jaren tachtig is het bij steeds meer intellectuelen bon ton op te komen voor de televisiecultuur, kitsch, ‘camp’, of gewoon oppervlakkigheid. Ze vinden de oppervlakkigheid interessanter, spannender, ja ‘dieper’ dan elke poging tot diepgang. Gedachteloos herhalen ze in koor dat er geen geldige redenen zijn om ‘low culture’ van ‘high culture’ te onderscheiden. Wie iets anders wil doen dan bestaande smaaktypes bevredigen, wordt beschouwd als elitair, ‘oncommunicatief’, als iemand die zijn voeling met zijn medemens heeft verloren. Zelf weten ‘intellectuelen’ zich dan wel op hun manier van de massa te distantiëren: door de ironische of cynische toon waarmee ze het voor die massa opnemen.

Nietzsche zei het reeds: de slaven hebben het gewonnen van de meesters. De meesters zijn de slaven van de slaven geworden. Anders gezegd: degenen die het onbekende zouden moeten verkennen, sloven zich uit om voor het publiek het bekende voor te schotelen, waardoor zij zich al gauw in niets meer van dit publiek onderscheiden.

Stel dat zo een cultuurproducent zich even van het alibi van het publiek ontdoet en tegenover zichzelf zijn keuzes verantwoordt? Stel dat hij, uit respect voor het publiek, het niet paternalistisch ‘geeft wat het wil’, maar zich durft bezighouden met wat hij zelf eigenlijk wil, en dus met zijn eigen diepe onwetendheid hieromtrent? Ware dit naïef, pretentieus, elitair…?

Geen serieus mens, zeker niet iemand uit ‘het publiek’, heeft ooit in ernst geloofd dat de norm in kunst de mening of de smaak van ‘het publiek’ is. De norm is de niet te normeren moed om zich aan het onbekende te wagen, om af te dalen naar die zone waarin we niet weten wat we willen, maar toch blijven willen, handelen, praten… Het schouwspel dat dit oplevert is meestal niet verheffend en vaak zelfs niet leuk. Niemand kan verzekeren dat Jan Publiek er beter van wordt. Maar heeft wie zich daarom bekommert niet reeds van deze brave Jan een zuigeling gemaakt?

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

opinie
Leestijd 4 — 7 minuten

#71

15.03.2000

14.06.2000

Frank Vande Veire