Het jaar van de kreeft

Leestijd 7 — 10 minuten

Waarom ik Luk Perceval geloof (en de anderen niet)

Wat is een regisseur, wat maakt iemand tot een goede regisseur, een grootse regisseur? Of zelfs: een kunstenaar? Moeilijke vragen die om de zoveel tijd opnieuw oppoppen, meestal in deeldiscussies rond termen als ambacht of noodzaak, die op hun beurt vaak voorgesteld worden als twee elkaar uitsluitende begrippen – alsof teveel ambacht de noodzaak zou doden, en een brandende drive zich niet zou laten vertalen in een wellmade play. Op een gegeven moment stelt zich ook altijd weer hetzelfde epistemologische probleem: hoe ziet noodzaak eruit? Over ambacht zijn critici het meestal sneller eens, maar waaraan herken je noodzaak, hoe kan bewezen worden dat die er is, of niet is, zonder in het hoofd en het hart van de regisseur te kruipen? En hoe arrogant is het om als criticus daarover iets te willen zeggen?

Dat een hele generatie ‘groten’ uit de Lage Landen beschikt over het ambacht om grotezaalproducties te maken behoeft geen discussie; een aantal van hen produceren aan de lopende band voorstellingen voor de grote bühne. Die band is zo lopend dat je je kunt afvragen of hun ambacht niet vooral dat van het delegeren is. Hun gebrekkige (mentale of fysieke) aanwezigheid voel je, in de eenvormigheid van de voorstellingen, in het feit dat de ensceneringen allemaal uit dezelfde moule lijken te komen, maar met dat ‘voelen’ begeef je je als kunstbeschouwer op glad ijs. Toch gaat het hierover, over hoe anders het werk van Luk Perceval ‘aanvoelt’: ook een grote naam, ook internationaal gelauwerd, evengoed behoorlijk productief. Kort na elkaar zag ik Oogst van de wrok (coproductie NTGent/Thalia Theater Hamburg) en Het jaar van de kreeft (Toneelgroep Amsterdam). Ik kon alleen verheugd vaststellen dat de geruchten over een schielijk overlijden van het grotezaaltoneel voorbarig zijn, sterker nog: in handen van Perceval leeft het meer dan ooit. Is Perceval dan een ‘goede’ of ‘grootse’ regisseur? Of zelfs: een kunstenaar? Ik doe een poging om onder woorden te brengen wat dat zou kunnen betekenen.

Wat is een ‘goede’ regisseur? Het is iemand die zijn materiaal weet te kiezen en zich beperkt tot dat materiaal waarover hij werkelijk iets te vertellen heeft. De twee voorstellingen zijn bewerkingen van romans waarvan de kwaliteit boven verdenking staat: hun auteurs zijn respectievelijk een Nobelprijswinnaar en een eeuwige-net-niet-Nobelprijswinnaar. Maar op hun beider controversiële ontvangst na zijn The Grapes of Wrath (1939) van John Steinbeck en Het jaar van de kreeft (1972) van Hugo Claus zeer verschillende boeken. Het eerste een deterministisch familieverhaal van vergeefse migratie, politiek én actueel in al zijn vezels; het andere een persoonlijke parabel over de liefde, gesitueerd in de microkosmos tussen twee mensen. Het doet vermoeden dat Perceval kiest wat hem vandaag interesseert, niet wat toevallig modisch is – op dit moment duidelijk het politieke. Om de sprong van roman naar drama te maken gebruikt hij twee keer hetzelfde procedé: hij laat bepaalde personages optreden als de vertellers van het verhaal, waardoor ze ‘in’ en ‘uit’ hun rol stappen, beurtelings beleven en beschouwen. Het moet gezegd dat dat in beide gevallen de zwakste schakel is van de ensceneringen – het zorgt voor een wat oubollige toets ‘verteltheater’, bij momenten overhellend naar mime of clownerie. Dat zou een bewuste keuze kunnen geweest zijn, maar dan is ze niet overtuigend genoeg aangezet.

Wat is een ‘goede’ regisseur? Het is iemand die betekenisvolle beelden weet te maken – geen esthetisch mooie plaatjes gericht op effect, maar beelden die pijn doen, aan de ogen, aan het hart. Zoals het huiveringwekkende, Bijbelse openingsbeeld van Oogst van de wrok. Een grote man in wit woestijngewaad staat vastgeklemd aan een schrale tak, lichtjes gebogen, alsof hij zich staande moet houden in een loeiende zandstorm. Zijn donkere gezicht met dichtgeknepen ogen is vertrokken van smart en omlijst door het witte gewaad is het nauwelijks zichtbaar, enkel de tanden lichten bleek op. Hij jammert zachtjes, als een dier. Zo’n beeld van uiterste wanhoop is tegelijk oeroud en razend actueel; zonder expliciet te worden resoneren er verschillende geschiedenissen in, van de Israëlische uittocht uit Egypte tot de vluchtelingencrisis van vandaag. Het jaar van de kreeft opent met een scènebeeld dat minstens even omvattend is, zij het op het vlak van de liefde. Met één decoridee vat scenografe Katrin Brack de weemoed van de menselijke paringsdrift als een vergeefse poging om in leven te blijven. Van het plafond bengelt een bos jaren ’70-sekspoppen naar beneden. Zachtjes wiegen ze, met parmantig uitstekende erecties, hun plastic lijven vaalbleek oplichtend als sterren tegen een donker zwerk. Kleine mens(beelden) tegen een immense kosmos.

Wat is een ‘goede’ regisseur? Het is iemand die lichamen doet vibreren. Eigenlijk is bij Perceval alles ritme, de puls van kloppend bloed, heartbeat. De personages zwijgen vooral, ze communiceren voornamelijk via hun lijf met elkaar en met het publiek. Neem de eerste ontmoeting tussen ‘hij’ (Gijs Scholten van Aschat) en ‘zij’ (Maria Kraakman) in Het jaar van de kreeft. De aantrekking ontspint zich als een voorzichtige pas de deux, twee paar voeten dat elkaar zoekt met onzeker geschuifel, uitmondend in een vrolijk op en neerhuppen en vervolgens in woest gespring – neen, het is geen dans, daarvoor is het te weinig berekend, te weinig esthetisch doordacht. Scholten van Aschat en Kraakman springen simpelweg op en neer, een beetje lomp zelfs, met onhandig neerhangende armen, maar ze schateren het uit – zuiverder zag je de blije opwinding van een eerste verliefdheid zelden vertaald. Ook Oogst van de wrok wordt gedreven door het ritme van bewegende lijven, wiens enige doel (en hoop) het is om vooruit te komen, ook al is de bestemming onzeker. ‘Waar halen ze de moed vandaan?’, vraagt de cynische prediker Casy (Bert Luppes) zich verwonderd af, wanneer de familie Joad zich voor de zoveelste keer samenraapt en voortgaat, met ritmisch voetengetrappel dat zowel het geklop van een zware automotor zou kunnen zijn als het getrappel van de paardenhoeven van voorgaande generaties migranten. Over hun wanhoop wordt niet gesproken. Wanneer de moeder kraakt op de teleurstelling van het ‘beloofde land’ – de familie komt van droogte in zondvloed terecht – begint ze rondjes te lopen, steeds sneller, alsof ze de rondtollende zorgen en gedachten in haar hoofd wil voorblijven – zo drukt zij uit dat het niet meer gaat, en zo drukken de ‘stomme’ personages van Perceval zich wel vaker uit: door te lopen, te stampen, te springen, te bewegen.

Wat is een ‘goede’ regisseur? Het is iemand die een essentie weet bloot te leggen met eenvoudige middelen. In Oogst van de wrok is het centrale attribuut een groot doek, een weefsel – het familieweefsel, waar iedereen soms letterlijk maar steeds metaforisch in gewikkeld is. Het doek sluit zich verhullend om de vader, wanneer die in wilde razernij zijn eigen verdorde land wil verbranden, en onttrekt hem aan de ongewenste blikken van de kijkers. Het dient als schuilplaats voor de nacht, wanneer de gezinsleden ‘voddenbalen’ worden die enkel elkaars aanwezigheid hebben om zich te beschermen. Het verbeeldt de auto, aangezwengeld door zoon Tom, die tijdens de reis letterlijk de trekker is. Al ‘rijdend’ spant het doek zich op tussen alle personages, die elkaar op die manier in evenwicht houden, tot een iemand lost en de gezinsleden hulpeloos over elkaar heen tuimelen. Hierover gaat Oogst van de wrok: over elkaar nodig hebben, over de kracht en de kwetsbaarheid van een familie die op zichzelf is aangewezen om te overleven. In Het jaar van de kreeft is het geen decorattribuut, maar een regieconcept waarin zich de essentie van de voorstelling vertaalt: de idee van banaliteit. Kijk naar het onhandige gefriemel waarmee ‘zij’ zich tijdens het eerste liefdesspel uit haar kleedje wurmt – allesbehalve elegant is het, dat gepruts, het benadrukt vooral haar alledaagsheid. Of hoe vulgair ze zich uitdrukt wanneer ze gedronken heeft… Ze is geen voorbeeld van hoofse verfijndheid, noch is ze een schoonheid, noch een grote intellectueel, maar haar geheim is dat ze ontroert. In haar ontroerende levensdrift schuilt de kern én het bedrog van de liefde. Perceval laat ‘hem’ én ons geloven dat het hier een uitzonderlijk verhaal betreft, van grootse liefde, anders dan alle andere verhalen – om hun liefde vervolgens wreed te ontluisteren tot een banale geschiedenis van overspel en verveling.  Zoals haar as aan het eind op twee minuten tijd vervliegt tot niets, zo blijkt dat wat groots bleek te zijn tussen twee mensen van een ongelofelijke nietigheid.

Wat is een ‘goede’ regisseur? Het is iemand die acteurs weet te bezielen. Misschien is dat wel het punt waarop Perceval zich het meest onderscheidt. Het is voor een buitenstaander moeilijk te proberen benoemen waarin deze ‘acteursregie’ precies schuilt. Maar de indruk overheerst dat hij zijn acteurs weet te ‘belichamen’ eerder dan te bezielen. Ze denken niet wat ze spelen, ze zijn ervan doordrongen. Het effect daarvan raakt aan wat regisseur Eric De Volder ‘dansen met het onbewuste’ noemde – geen psychologiserend spel, maar een onderliggend ‘zijn’ dat bovenkomt en zich buiten de wil van de acteurs uitdrukt: in tics nerveux, in lichaamshoudingen, of in de intensiteit van hun aanwezigheid. De latente waanzin van prediker Casy en de wanhopige koppigheid van zoon Tom hebben zich in Oogst van de wrok op een onbewuste manier ingeschreven in de lijven van Bert Luppes en Kristof Van Boven. De overtreffende trap van dit acteurswerk manifesteert zich bij Maria Kraakman, die in Het jaar van de kreeft misschien wel de rol van het seizoen neerzet. Als een Duracell-konijntje op te sterke batterijen raast ze door, ze wringt haar lijf in groteske bochten, lijkt geen blijf te weten met haar ledematen, ze is een en al levenskracht – als reactie op de dood die voortdurend op haar schouder meereist. Haar lichaam vertelt alles over haar zijn: dat iedereen en alles moet sneuvelen onder de pletwals van haar narcisme, dat ze een kleine, kwade kleuter is, machtig en manipulatief, maar tegelijkertijd weerloos in haar nood om te behagen, om zich te laten vullen met de verlangens van anderen. Niets daarvan wordt gezegd – het is het rondstuiterende lijf dat het vertelt. Maria Kraakman is op zich een uitstekende actrice, maar wat Perceval hier van haar weet te bekomen overtreft haar eigen kunnen.

Luk Perceval is een ‘goede’ en in mijn ogen zelfs een ‘grootse’ regisseur. Materiaalkeuze, beelden, ritmiek, acteursregie… zijn aanwijsbare en benoembare facetten van het regisseursambt, maar in dit geval zo zorgvuldig en doordacht ingezet dat ze Percevals producties een kwaliteit verlenen die uitsteekt boven de basiskwaliteit in het werk van generatiegenoten. Het verklaart echter nog steeds niet waar die extra sprankel vandaan komt, die bij het geroutineerde kijken van een criticus de bewondering (‘dit is goed gedaan’) vervangt door een zeldzame geraaktheid. Ik kan dus niet anders dan opnieuw op de tast het terrein van het ‘voelen’ betreden, of eerder van het ‘geloof’: het geloof in de intentionaliteit van het beeld, in de noodzaak van de mededeling – met welke urgentie, met welke energie is dat beeld (zijn de acteurs, is het materiaal…) bezield? En waaruit vloeit bezieling voort: uit de betrokkenheid, de persoonlijkheid, de intense aanwezigheid van de regisseur…? Misschien is het al bij al een simpele kwestie van fysica, zoiets als de wet van behoud van energie: alle energie die een regisseur in een kunstwerk steekt komt er ook weer uit, onder eender welke vorm. Is noodzaak dan gewoon een ander woord voor energie? Of sterker: voor liefde? Percevals voorstellingen lijken de liefde terug te geven die de regisseur er persoonlijk heeft ingestoken – niet de inspanningen van de regieassistent, van de dramaturg of van de omringende machinerie. Perceval lijkt persoonlijk aanwezig in zijn voorstellingen – en omdat die aanwezigheid duidt op een noodzaak geloof ik hem, en op basis van die noodzaak zou ik hem ‘kunstenaar’ durven noemen. Een titel waarop in de theatersector niet zo gek veel regisseurs aanspraak kunnen maken.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#144

15.03.2016

14.06.2016

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!