IN MEMORIAM
Redactioneel Etcetera 182
Zoë Ghyselinck
© Koen Broos
‘Het kan zijn dat we nog iets verstandigs zeggen, maar dat is dan per ongeluk,’ flapt een van de twee personages eruit in Waar het waar de wereld naartoe gaat, daar gaan wij naartoe, een voorstelling van Ans Van den Eede, Louise Van den Eede en Greg Timmermans. Ik zag de voorstelling dertien jaar geleden in een te kleine studio op de toneelschool. Hun gezelschap heette toen nog Hof van Eede, ondertussen staat de voorstelling op het repertoire van De HOE. Dertien jaar later en een stukje leven verder blijft ze nog altijd even geestig als slim. De herneming is zowel voor acteurs als publiek een hernieuwde ontdekking.
Het uitgangspunt van de voorstelling is bedrieglijk eenvoudig. Van den Eede en Timmermans spelen ‘zichzelf’. Samen ondernemen ze een poging om het boek Jacques, le fataliste, et son maître van de achtiende-eeuwse verlichtingsfilosoof Denis Diderot te vertellen. Maar dat wil maar niet lukken. Bij elke poging iets over het boek te vertellen, duikt een nieuwe gedachte op, gaat weer een nieuwe deur open. In deze voorstelling is alles waarachtige schijn. Hoe verder ze van het boek van Diderot afdrijven, hoe getrouwer hun poging tot navertellen. Want ook Diderot slaagt er maar niet in de lijn van zijn verhaal te houden. Althans, dat is het spel dat hij met zijn lezer speelt. En dat spel verdubbelen Van den Eede en Timmermans meesterlijk.
“Diderot slaagt er maar niet in de lijn van zijn verhaal te houden. Althans, dat is het spel dat hij met zijn lezer speelt. En dat spel verdubbelen Van den Eede en Timmermans meesterlijk.”
Diderot werkte bijna twintig jaar aan Jacques, le fataliste, et son maître en publiceerde de roman in afleveringen, als feuilleton. Hij begon eraan in 1765, en bleef eraan werken tot aan zijn dood in 1784. Net zoals in Candide van Voltaire wordt een reisverhaal doorweven met filosofische dialogen. Jacques en zijn meester ondernemen een zakenreis. Op vraag van die laatste vertelt de babbelzieke Jacques over zijn amoureuze avonturen. Geen enkel verhaal wordt afgerond. Ofwel wordt het onderbroken door de erg aanwezige verteller, ofwel komen ze nieuwe avonturen op hun weg tegen. En soms worden de onderbrekingen op hun beurt weer onderbroken. Het zijspoor wordt de hoofdlijn. Of omgekeerd? Diderot laat de lezer achter met drie mogelijke eindes.
Jacques, le fataliste, et son maître is een parodie op de roman zelf. Hij haalde daarvoor de inspiratie bij Tristram Shandy (1759-1767) van Laurence Sterne, die de uitwijding tot kunstvorm verhief. In een ‘goede’ roman, zo luidt de algemene aanname, wordt de lezer mee op avontuur genomen, kan hij wegdromen omdat de narratieve constructie onzichtbaar wordt. Diderot herinnert zijn lezer echter net voortdurend aan die constructie. Hij suggereert – of beter: wendt voor – dat hij zijn roman zelf niet onder controle heeft. Elk evenement lijkt tot een nieuwe gedachte te leiden, maar geen van de personages controleert de loop der dingen en Diderot controleert geen van zijn personages. Laat dat nu precies de ietwat onbestemde filosofie van het hoofdpersonage zijn van de roman: ‘Tout a été écrit à la fois. C’est comme un grand rouleau qu’on déploie petit à petit’. Je kan maar beter berusten in de loop der dingen, want het ene brengt het andere mee, zonder dat je er vat op hebt.
In Waar het waar de wereld naartoe gaat laten Van den Eede en Timmermans vorm en inhoud van de roman meesterlijk samenvallen met de spelsituatie. Anderhalf uur lang proberen ze elkaar eraan te herinneren dat ze gekomen zijn om de roman van Diderot te vertellen. Even lang onderbreken ze zichzelf en de ander met nieuwe gedachten. De spelsituatie saboteert de vertelling. Zo laveert Timmermans zich in een absurde denkoefening over vrouwen met drie borsten om die vervolgens om te kneden tot een reflectie over ‘de suggestie van het mogelijke’. Net zoals in de roman slagen ze er niet in tot een vertelling te komen. Dus wordt er rond de pot gedraaid: ‘hoeveel woorden hebben we nu nodig om iets uitgelegd te krijgen’. Want eigenlijk gaat het niet om de roman, maar om wat ze elkaar zo graag zouden vertellen. Dat verraden hun blikken, hun kleine gebaren. Maar die emoties krijgen ze niet gezegd. Tot de kern komen ze dus niet. En dus wordt er rond de hete brij gedanst, met de roman als excuus. Afdwalen in een tot mislukken gedoemde poging dichter bij de kern te komen. Alleen ontbreekt de tijd: ‘we hebben niet veel tijd, we moeten nog ergens naar toe’. Afdwalen vergt tijd, en daar is in onze kortademige samenleving geen tijd voor. En zo wordt een voorstelling die schijnbaar over niks gaat, een existentiële spiegel.
“Afdwalen vergt tijd, en daar is in onze kortademige samenleving geen tijd voor. En zo wordt een voorstelling die schijnbaar over niks gaat, een existentiële spiegel.”
Diderot was niet alleen romanschrijver, maar ook toneelauteur. Met Paradoxe sur le comédien (postuum gepubliceerd in 1830) schreef hij één van de belangrijkste reflecties over toneelspelen. In 2002 brachten Damiaan De Schrijver, Matthias De Koning en Peter van den Eede, een meesterlijke versie van die tekst. Toneelspelen is niet inleving, zo stelt Diderot, maar simulatie van die inleving. Je moet je dus niet verliezen in de emotie, maar voorwenden dat je je verliest. Je doet alsof je vergeten bent dat je alsof aan het doen bent, je doet alsof je ‘vergeet’ dat je toneelspeler bent. Of nog anders geformuleerd: spelen is het simuleren van het niet-weten. Dat ambacht beheersen Timmermans en Van den Eede waarlijk meesterlijk. Ze wenden voor niet te spelen en dus zichzelf te zijn, ze doen alsof ze verstrikt geraken in hun poging de roman te vertellen. Precies dat spel van gesimuleerde onhandigheid maakt het hen moeilijk tot de kern van de zaak te komen, namelijk hun gevoelens voor elkaar. Maar ook die gevoelens bestaan slechts in de verbeelding van de kijker, want ze zijn slechts toneel. Diderot laat zijn vertelling vastlopen in de roman, Waar het waar de wereld naartoe gaat raakt moedwillig verstrikt in de eigen spelsituatie.
“Is repertoire niet precies dat: de hernieuwde ontdekking van bestaand materiaal?”
Aan die complexe architectuur, die nooit intellectueel is maar altijd speels blijft, komt met de herneming een nieuwe laag bij. Op de achtergrond speelt een projectie van de oorspronkelijke voorstelling. Soms wijken tekst en spelsituatie af van die beelden, op andere momenten vallen ze samen. ‘Je kunt iets kapot spelen’, grapt Timmermans over de zetel uit de oorspronkelijke voorstelling. De herneming is een nieuwe poging om nooit aan te komen, want ook nu is er – opnieuw – onvoldoende tijd. Maar is repertoire niet precies dat: de hernieuwde ontdekking van bestaand materiaal?
‘Wat is, is zowel werkelijkheid als mogelijkheid,’ oppert één van beide spelers in de voorstelling. Want wat zich als mogelijk openbaart, wordt een nieuwe optie. Onderweg zijn is belangrijker dan aankomen. Niet afmaken, dat is vrijheid. Of in de al dan niet geveinsde woorden van de al dan niet geveinsde mama van Greg Timmermans: ‘winnen is bevrediging, verliezen is leven’.
Waar het met de wereld naartoe gaat, daar gaan wij naar toe is op tournee tot eind januari 2026.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.
Wat is de toekomst van cultuurspreiding in Vlaanderen? De nieuwe Strategische Visienota Kunsten van minister Caroline Gennez wil expliciet meer inzetten op spreiding in landelijke gebieden en een breed bereik.
Moderator: Ciska Hoet. Panel: onder andere Wouter Hillaert (cultuurjournalist), Rolf Quaghebeur (kabinetsadviseur bij Minister van Cultuur Gennez)? Andere namen worden snel bekendgemaakt.