Johan Thielemans

Leestijd 7 — 10 minuten

Vorm geven aan centrale mythen

Binnen de Etcetera-redactie, maar ook daarbuiten, is al geruime tijd een discussie aan de gang rond repertoire-theater. Is dat het theater van de grote zalen, de grote middelen, de ‘grote’ teksten, het grote publiek? Johan Thielemans wil in zijn bijdrage reageren op Gezocht: Profiel van een gezelschap van Marianne Van Kerkhoven (Etcetera 24). Volgens hem vormen de grote schouwburgen door hun architectuur een concrete uitdaging om vorm te geven aan de centrale mythen waarrond zich het publiek massaal kan verzamelen. Vlaamse theatermakers als Dirk Tanghe, Luc Perceval en Guy Joosten zijn klaar om deze uitdaging aan te gaan. Marianne Van Kerkhoven probeert op haar beurt een nieuwe ‘uitdagende’ invulling te geven aan ‘auteur’, ‘repertoire’, ‘theaterdirectie’ en komt terecht bij artistieke continuïteit, publieksopbouw en een noodzakelijk internationalisme.

Het ogenblik is interessant.

In Vlaanderen merk ik veel zenuwachtigheid in de toneelwereld. Ik zou kunnen zeggen dat er wat gebeurt en wijzen op de verbazende toeloop voor voorstellingen van Dirk Tanghe, Guy Joosten of Luc Perceval. Wat men ook over deze vertoningen zegt (Het is nu bon ton, zo merk ik zuurtjes, om te vinden dat De Meeuw toch niet zo denderend was. Met veel plezier keer ik hier de bon ton de rug toe), feit is dat een reeks produkties aangeven dat een relatief groot publiek zit te wachten op theater. Molière, of Tsjechow, of Norèn zien er dan misschien niet uit zoals verschillende boekjes het voorschrijven (traditioneel noch avant-gardistisch), maar stuk voor stuk hebben deze produkties een kwaliteit waarin een nieuwe generatie theaterbezoekers zich kan herkennen.

Men speurt dat vernieuwde enthousiasme op een ogenblik dat er in Vlaanderen veel te gebeuren staat. Het theaterdecreet wordt herwerkt; belangrijke wissels van theaterdirecties zijn in zicht. Men oppert ‘poolvorming’, verwerpt of koestert het ‘repertoire-theater’. Ik hoor zelfs stemmen opgaan voor een Nationaal Toneel, en velen vragen zich terecht af wat er met die dynamische, jonge generatie zal gebeuren. Ook in de meest vastgeroeste theaters kunnen we tekenen van onvrede, pogingen tot koersverandering vaststellen, want het is een ogenblik vol beloftes.

Het lege centrum

Ik stel vast dat de grote gezelschappen vaak ontgoochelen. De vraag is of dat toevallig zo is, want een gevolg van een constellatie van bepaalde persoonlijkheden, ofwel wijst op diepe verschuivingen binnen het moderne bewustzijn. Misschien loont het de moeite om toch nog eens goed te omschrijven wat ‘repertoire-toneel’ kan betekenen.

Bij mij roept het de volgende inhoud op: in een cultuurgemeenschap leven noden die geformuleerd worden door cultureel geïnteresseerde leden onder het publiek; deze leden geven niet alleen te kennen dat ze de activiteit van het toneelspelen waardevol vinden — de meest algemene, vrijblijvende opstelling — maar dat ze de nood voelen aan de aanwezigheid van een geheel van teksten, die een soort verzameling zijn van de centrale mythen, die aan onze samenleving een bepaalde waarde geven.

Opteren voor een repertoire-theater is ook opteren voor een bepaald mensbeeld. Zolang men daar geen duidelijke definities bij vooropstelt, loopt de discussie rond het repertoiretheater in kringetjes van onduidelijkheid, vaagheid en misverstand.

In onze maatschappij zijn er vanzelfsprekend geen algemeen geldende beelden meer. Behoudsgezinde commentatoren zullen dan de zucht slaken dat dit zo niet was toen de godsdienst voor een centrale betekenis zorgde. Ik slaak geen zucht, maar dank de goden dat zo een centrale betekenis niet meer bestaat.

Samenhorigheid

Dat leeggekomen centrum is tegelijkertijd een probleem.

Ik heb altijd het gevoel dat de afwezigheid van een gevoel van samenhorigheid niet alleen iets pijnlijks, maar ook iets negatiefs is. Ik heb ook altijd ervaren dat iets van deze eenzaamheid overwonnen kan worden op ogenblikken van intense artistieke communicatie. Dat is voor mij de optimistische, en meteen ook de waardevolle zijde van het artistieke werk. Het is een soort formele categorie, want mijn stelling zegt niets over de inhoud. De uitbeelding van de diepste ellende Nachtwake of van de meest hopeloze psychische afgronden (De Meeuw) creëert paradoxaal genoeg een groepsgevoel. De moed om de wanhoop te erkennen, er mee om te gaan en hem wellicht hanteerbaar te maken, deze moed brengt me niet alleen dichter bij de acteurs (met dank voor de emotionele roekeloosheid van Els Dottermans), maar ook dichter bij de mensen – mes frères, ces étrangers – om mij heen.

Dit gevoel, dat schuilt achter het woord ‘publiek’ wordt op velerlei manieren opgewekt, geactiveerd, gevoed.

Solar plexus

Waarom is het voor mij zulk een waardevol gevoel? Omdat het vanuit de solar plexus, de zonnevlecht komt, en omdat D.H. Lawrence gezegd heeft: vertrouw je solar plexus. Of, om het anders te zeggen: het is in de eerste plaats irrationeel, het vindt zijn oorsprong in het ES, dat rijke, geheimzinnige gebied, dat ons doet geloven aan en ons doet smachten naar het paradijs in het hier en het nu.

Het is een triomfantelijk gevoel, dat zich goed voelt bij heel eenvoudige tekenen: het houdt van inslaand licht, het houdt van gezang, geschreeuw en gefluister, het houdt van virtuositeit, van de speelse overwinning van de moeilijkheden. Het is dus een eenvoudig gevoel, en het staat wantrouwig tegenover de puriteinen, de Savonarola’s, zij die spreken vanuit het Über-Ich, zij die zich het Über-Ich aanmeten.

Genoeg onverbloemde Freudiaanse lyriek. Maar met of zonder Freud, er wordt een bepaald mensbeeld duidelijk. Het punt is dat zo een mens in onze maatschappij nauwelijks een plaats wordt gegund.

Waarom niet? Omdat deze maatschappij ons alleen naar de isolatie drijft, ons tracht aan te smeren dat de isolatie een ideale toestand is. De groep wordt uit elkaar gerukt, over solidariteit wordt gemeesmuild, van een burger wordt men door het systeem gedegradeerd tot consument. De ideologie van het doorgetrokken individualisme loopt uit op de algehele eenzaamheid. Men is dan klein, kwetsbaar, en waar het op aankomt is, hoe men met deze kwetsbaarheid omgaat. (Bespaar me, b.v. kwetsbaarheid als cliché of excuus).

Eén gedachtengang maakt me altijd nijdig: hij beschrijft de toestand waarin we ons bevinden, en prent ons dan in: zo is het nu eenmaal.

Dat soort realisme maakt mij nijdig omdat we tegenover elke toestand van de wereld ja of neen kunnen zeggen. Als men mij vraagt om de gewilde isolatie te aanvaarden, het narcisme te cultiveren als het hoogste goed, weiger ik mee te gaan.

Het centrale gebouw

Repertoire dus. Repertoire is vorm en inhoud, en deze twee aspecten hoeven niet samen te vallen. Vorm, bijvoorbeeld, is in de eerste plaats een gebouw. Als een culturele gemeenschap in het hart van de stad ruimte maakt voor duizend personen, spreekt ze niet alleen het geloof uit dat duizend mensen tegelijk rond eenzelfde artistiek evenement verzameld kunnen worden, maar nodigt ze de creatieve mensen ook uit mythen gestalte te geven, waarrond zich duizend mensen, met meer of minder instemming, kunnen en willen verzamelen. Het probleem rond dat gebouw ontstaat wanneer de verbeelding andere paden begint te bewandelen, wanneer de interesse van de maker en de toeschouwer sterker en sterker uiteen begint te lopen.

Als die scheiding der wegen zich voordoet, blijft het centrale gebouw leeg staan, en vormt door zijn architectuur een concrete uitdaging in steen. Op dit ogenblik maken we zo’n, crisisperiode mee, en we zouden blind zijn als we er een lokaal Vlaams probleem van maken. Ter staving: Toneelgroep Amsterdam van Gerard-jan Rijnders vindt de juiste aanpak niet om met recht te kunnen zeggen dat ze in een grote stadsschouwburg thuishoort. Bewijs? Het feit dat ze als ze naar Brussel uitwijken, steevast terecht kunnen in de Beursschouwburg.

Het feit dat hun grote-zaalprodukties buiten Amsterdam al te vaak moeten afgelast worden of plaatshebben voor een select groepje van vijftig man. Ter staving: als Jürgen Gosch de Schaubühne intrekt en daar als eerste werkstuk een Macbeth aflevert waarop de hele theatergemeenschap van Berlijn afknapt, zit hij met een huizenhoog probleem. De Schaubühne is blijkbaar zijn plek niet, omdat de dialoog tussen dat publiek en deze maker fout gaat.

Als we in Vlaanderen problemen hebben, delen we die met het buitenland, ook al zijn onze moeilijkheden van een andere aard. De voorbeelden uit het buitenland kunnen ons leren, in welke richtingen de oplossingen niet liggen.

Een Vlaamse dramaturgie

Een ander aspect van het repertoire heeft met het bewaren, doorgeven en vernieuwen van de centrale teksten van onze gedeelde cultuur te maken. In Vlaanderen is dat altijd een moeilijk punt geweest, omdat die centrale teksten altijd uit het buitenland komen, gezien ons eigen verleden ons zo tegenvalt. Hierdoor is cultuur altijd iets exotisch: we leren over Amerika, Engeland, Rusland, en het is langs deze vervormde spiegels dat we onszelf leren zien. Het is een winst in zoverre dat het een eng chauvinisme uitsluit, het is ook een verlies, want de ons omringende culturen hebben, ondanks de huidige propaganda voor een ‘Europees’ gemeengoed, elk sterk afwijkende accenten. Zowel het Duitse ongenoegen (Strauss), als de Franse retoriek (Koltès), als het Engelse engagement (Brenton), als de Hollandse relativering (Maatschappij Discordia) worden bij ons als vreemde lichamen, als exotische, vaak zure vruchten ervaren. Daarom, zo lijkt me, vallen de jonge theatermakers zo vaak terug op ‘grote’ teksten, omdat het de enige overblijvende inhouden zijn, waarmee ze langs hun opleiding een echt en warm contact hebben meegekregen.

Het repertoire in Vlaanderen vertoont een groot gat in het centrum. Er ligt dan ook een taak weggelegd in het ontwikkelen van een centrale mythe voor de Vlaamse en Belgische gemeenschap. Ik zie te weinig sporen van bezinning over onze eigenheid, over onze problemen uit het verleden, het heden. In dat opzicht ontbreekt het Vlaanderen aan echte verbeelding en inzicht. Het kijkt nooit in zijn eigen spiegel. Toneelmakend Vlaanderen zit teveel verstrikt in zijn eigen, naar binnen gekeerde kring. De noodzakelijke spanning en uitwisseling tussen de burger (de man die het gevoel moet hebben dat hij naar dat grote gebouw moet) en de kunstenaar is al te vaak afwezig, en dan gaat het toneelbedrijf ofwel voorthinken op de platgetreden paden, ofwel zich verliezen in de kleine tuinen van het narcistische ongenoegen. Tekenen van de tijd. Zonder twijfel. Maar de opdracht is met verbeelding na te denken over het probleem van het verlies aan menselijkheid waaronder onze maatschappij gebukt gaat. Het clichématig koesteren van het kwetsbare biedt daarbij geen uitweg. Zoals altijd: alleen het kunnen plaatsen van de eigen problemen in een ruimer kader zodat het historisch en sociaal relevant wordt, levert een waardevolle activiteit op.

De handschoen opnemen

De uitdaging ligt, zoals altijd, in het kamp van de creatieve leden van de gemeenschap. Op dit ogenblik zijn er tekenen genoeg dat Vlaanderen over een generatie jonge regisseurs en acteurs beschikt, van wie men geredelijk mag aannemen dat ze aan dit project op een interessante manier gestalte zullen geven.

Het ogenblik is interessant.

Nooit eerder heb ik als toeschouwer zo uitgekeken naar zoveel verschillende vormen van creatieve arbeid, die, willens nillens, met elkaar een concurrentiestrijd aangaan. De tijd dat het wachten was op wat Tillemans tijdens dat ene seizoen deed, of, later, Jean-Pierre De Decker uit zijn fantasievolle mouw zou schudden is voorbij. Nu tel ik zonder moeite acht mensen uit één generatie die aan het Vlaamse theater van het einde der jaren tachtig een heel eigen gezicht geven.

Van de kant van de maatschappij kan men eisen dat ze zich bewust is van deze uitzonderlijke constellatie, én dat ze de nodige maatregelen neemt die het mogelijk maken dat dit talent zich in de juiste materiële omstandigheden kan ontwikkelen. De grote schouwburg zou een probleem zijn?

De Vrek, De Meeuw, Medea, Pinokkio, Nachtwake, Nachtasiel om het daar bij te houden, is dat een oprisping uit een voorbije tijd? Het ogenblik is razend interessant.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#25

15.03.1989

14.06.1989

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.