Infini 1-15 © Phile Deprez

Joachim Robbrecht

Leestijd 6 — 9 minuten

Voorbij oud tegen nieuw

Hoe repertoire en vernieuwingsdrang samen theatergeschiedenis kunnen schrijven    

In een interview met de Italiaanse krant La Repubblica pleit Milo Rau voor het ‘stoppen met de karaoke van klassiekers zoals Shakespeare, Tsjechov, Camus’. De NTGent-directeur spreekt waarschijnlijk niet zozeer vanuit zijn ervaring met het Vlaamse theater, maar eerder vanuit zijn kennis van het Duitse veld. Van een karaoke van klassiekers is in Vlaanderen immers nauwelijks sprake. Joachim Robbrecht, die pleit voor een opheffing van de (ideologische) tegenstelling tussen oud en nieuw, ziet meer heil in een kritische verzoening van repertoire en vernieuwingsdrang.

Een motie uit 2009 in het Vlaams Parlement waarin opgeroepen werd tot meer aandacht voor repertoire, zorgde even voor opschudding maar sorteerde verder weinig effect. De laatste jaren is wel een hernieuwde aandacht voor tekstrepertoire waarneembaar, bijvoorbeeld bij de jongere generatie makers – zie Camping Sunset of Tibaldus. Ook in het amateurcircuit worden klassiekers nog iets meer gekoesterd. Maar voorts legt men zich in Vlaanderen vooral toe op de ontwikkeling van nieuw werk – wat niet per se gelijkstaat aan ‘vernieuwend’. Dat heeft natuurlijk voor een deel te maken met de postdramatische wortels van het Vlaamse theater, en misschien met een gebrek aan een uitgebreid repertoire van ‘eigen’ theaterliteratuur.

Toch mis ik in het werk dat hier geproduceerd wordt soms de dialoog met de geesten uit het verleden, en een discours over hoe we onszelf tot dat verleden verhouden en wat we eruit opdiepen om te herhalen. Ik geloof dat het Vlaamse werk aan kracht kan winnen als we ons daar juist vaker mee zouden bezighouden. Natuurlijk kan dat veel verder gaan dan het louter opvoeren van klassieke teksten. Bovendien hoeft de interesse absoluut niet op te houden bij de grenzen van de tekst, noch bij de grenzen van Europa.

Mobiliseren van theatergeschiedenissen

Wat kunnen we, naast teksten, nog uit dat verleden opdiepen? Welke motieven, thema’s, speltechnieken, opvoeringspraktijken en esthetische principes zijn de moeite van de herhaling waard, en waarom? Die vragen worden in de praktijk al gedeeltelijk gesteld. Kijk maar naar INFINI 1-15, waarvoor Jozef Wouters het werk van de 18de-eeuwse scenograaf Giovanni Servandoni als uitgangspunt nam. Een ander noemenswaardig voorbeeld is De Warme Winkel speelt De Warme Winkel, waarin de groep Café Müller van Pina Bausch plagieert.

Als we onze definitie van repertoiretheater een beetje verbreden, zouden we deze voorstellingen daaronder kunnen catalogiseren. Belangrijker is dat ze vragen oproepen die interessanter zijn en breder gaan dan wel of geen repertoireteksten, en meer of minder klassiekers: de voorstelling van Wouters onderzoekt de hedendaagse kracht van een grotendeels in de vergetelheid geraakt scenografisch middel: het infini. De Warme Winkel speelt met de vraag of herhaling origineel kan zijn.

“Mijn indruk is dat vernieuwing juist veel interesse wekt op plekken waar ook voortdurend repertoirestukken worden opgevoerd: in Berlijn, Wenen en Praag bijvoorbeeld.”

Onder een cultuurminister die zijn oog heeft laten vallen op (immaterieel) erfgoed, kan het de moeite waard zijn om een wat intensievere artistieke zoektocht aan te vatten naar onze omgang met de theatergeschiedenis. Misschien zou een van de grotere stadstheaters of kunstencentra zich er zelfs volledig op kunnen profileren.

Een hele reeks kritische en inspirerende voorstellen zou geformuleerd kunnen worden rond vragen als: kan culturele herhaling meer zijn dan een bevestiging van of terugkeer naar esthetische en sociale normen, en hoe? Kan niet juist ook het verdrongene of ongekende opgediept worden uit dat verleden? Wiens cultuur wordt hier herhaald, voor wie en met welk doel? Hoe organiseer je de balans tussen vernieuwing en herhaling? Wat zijn eigenlijk de voorwaarden om de geschiedenis van het theater voort te schrijven? Heb je daar een ensembletheater voor nodig? Meer dramaturgen? Meer publicaties waarin het gedachtegoed van makers en groepen wordt opgeslagen? En verder, wat is het verschil tussen een karaoke-achtige herhaling en een kritische positionering ten opzichte van de theatergeschiedenis? Hoe herhaling en kritiek verzoenen?

Histoire(s) du théâtre II – Faustin Linyekula © Agathe Poupeney

De voorstellingenreeks Histoire(s) du Théâtre, in het leven geroepen door Milo Rau, opent vooral in het tweede deel een perspectief op hoe die geschiedenis op een andere manier gemobiliseerd kan worden. Daarin geeft de Congolese regisseur en choreograaf Faustin Linyekula ruimte aan drie acteurs en dansers van het Congolese Nationaal Ballet om zowel hun persoonlijke drijfveren als de politieke projecties op het ballet te memoreren en analyseren. Centraal in de voorstelling staat de eerste voorstelling van het Ballet, waarvan videofragmenten te zien zijn. Aandacht voor het verleden toont ook Jaha Koo in The History of Korean Western Theatre, waarin hij de koloniserende cultuurpolitiek aan de kaak stelt die het Koreaanse theater verwesterde, ten koste van zijn traditie.

Rau suggereert in La Repubblica1 dat men met de karaoke van klassiekers zou moeten stoppen om plaats te maken voor ‘nieuwe globale klassiekers’. Anders dan Rau zie ik niet noodzakelijk een conflict tussen karaoke van het oude enerzijds, en ruimte en interesse voor het nieuwe anderzijds. Integendeel, mijn indruk is dat theatervernieuwing vaak juist veel interesse wekt op plekken waar tegelijkertijd voortdurend bekende en obscure repertoirestukken worden opgevoerd: in Berlijn, Wenen en Praag bijvoorbeeld.

“De voorwaarde voor een nieuw stuk om ‘een klassieker’ te kunnen worden, is dat er een kritische cultuur van herhaling bestaat.”

Een systematische repertoirepraktijk, al dan niet in klassieke bonbonnière, gaat vaak hand in hand met een kritische verhouding tot de theatergeschiedenis en vernieuwing. Ook in Tokio kunnen Noh en Kabuki bestaan naast hedendaagse theatervormen die zich in meerdere of mindere mate laten voeden door die zeer traditionele vormen. Plekken waar over theatergeschiedenis gesproken wordt zijn ook humus en context waarin nieuw werk kan wortelen. Het publiek wil zowel voorstellingen zien die gisteren geschiedenis schreven, als voorstellingen die vandaag geschiedenis maken.

Intensiever inzetten op herhaling

In zijn interview met La Repubblica signaleert Rau ook dat ‘er nood is aan een echte, esthetische en economische solidariteit met het Globale Zuiden’ en dat de instituten en podia ruimte moeten creëren voor nieuwe globale klassiekers. Ik ben het met hem eens dat die nood er is. De voorwaarde voor een nieuw stuk om ‘een klassieker’ te kunnen worden, is dat er een kritische cultuur van herhaling bestaat en dat we niet alleen kiezen voor ‘nieuw’. Zijn daar dan niet meer inzetbare middelen en aandacht voor nodig, vraag ik me af.

Bovendien gebeurt het heruitvinden en herdenken van theaterstructuren vaak ook vanuit een studie van historische voorbeelden en bekende praktijken. Is bijvoorbeeld Une tempête (1969) van de Frans-Martinikaanse theaterauteur Aimé Césaire, een adaptatie van Shakespeares The Tempest (1610-11) vanuit postkoloniaal perspectief, geen globale klassieker te noemen terwijl het ook een herhaling van Shakespeare is? Met andere woorden: ook de nieuwe wereldklassiekers hebben wortels in de theatergeschiedenis.

The History of Korean Western Theatre, Jaha Koo © Leontien Allemeersch

Hoe zouden we intensiever kunnen inzetten op herhaling? Een eerste voorbeeld, dat al bestaat, is natuurlijk De Nieuwe Toneelbibliotheek, die bijvoorbeeld intensief gebruikt wordt door Leesclub, een almaar uitdijende Facebookgroep van enthousiastelingen die via Zoom samen theaterrepertoire lezen. En waarom zouden we elk seizoen niet een aantal voorstellingen die waardevol geacht worden langer op het podium laten staan? Veel voorstellingen bereiken niet hun potentiële publiek omdat ze te vroeg worden afgevoerd. Het Duitse repertoiresysteem maakt dat wel mogelijk: ik zag bijvoorbeeld de laatste opvoering van Murx den Europäer! Murx ihn!, de legendarische voorstelling van Christoph Marthaler, ongeveer twaalf jaar na de première. Ook het weer opnemen van ouder werk zou ondersteund kunnen worden, zoals dat bijvoorbeeld gebeurde voor Einstein on the Beach van Robert Wilson en veel van het oeuvre van Rosas.

“Herhaling en variatie zijn krachten die de geschiedenis van het theater drijven.”

Een ander voorstel zou kunnen zijn om podiumkunstenaars naast de korte periode van de kunstopleidingen, die natuurlijk het belangrijkste intergenerationele doorgeefluik vormen, in de vorm van workshops en studiedagen maar ook residenties en dergelijke, meer gelegenheid te bieden om zich te blijven verdiepen in en te verhouden tot de theatergeschiedenissen van het acteren, schrijven, ontwerpen.

Wat een dergelijke mentaliteitswissel zou kunnen opleveren, is dat het theater zich gedeeltelijk kan lostrekken van de imperatief van het modieuze en het actuele. Misschien ben je dan als theatermaker minder gedoemd een kind van je tijd te blijven. En misschien creëren we zo een veld dat nog gevarieerder is in esthetieken en een groter langetermijngeheugen heeft.

Levend erfgoed

Laat ik duidelijk zijn: ik verlang ook naar het nieuwe. En toch vind ik dat we onze verhouding tot de geschiedenis, het archief, het overgeleverde meer aandacht moeten geven en complex moeten durven te maken, in plaats van steeds opnieuw alleen het nieuwe te preken. De hang naar een voortdurende tabula rasa en de actualiteitsdwang zijn immers ook symptomatisch voor een sector die neoliberale en westerse waarden als productiviteit, originaliteit en onuitputtelijke creativiteit heeft omarmd.

Het theater kan alleen zijn eigen geschiedenis schrijven als het van lijf tot lijf doorgegeven en herhaald wordt. De drager van het theater is zijn gemeenschap van acteurs, schrijvers, makers, technici én publiek. Wie eens met een dinosaurus in het vak aan tafel zit, kan versteld staan van het enorme archief aan jargon, teksten, technieken en natuurlijk anekdotes dat in het gesprek verweven zit. In Japan krijgen acteurs van het Noh-theater soms de status van ‘levend erfgoed’. Herhaling en variatie zijn krachten die de geschiedenis van het theater drijven. Juist in die herhaling en variatie ontstaat de humus van het theater, waaruit artistieke verdieping, virtuositeit, conventies en codes ontstaan… en esthetische conflicten.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 6 — 9 minuten

#162

01.12.2020

14.03.2021

Joachim Robbrecht

Joachim Robbrecht is lid van de kleine redactie van Etcetera. Hij schrijft en maakt toneel en werkt onder meer samen met Sarah Moeremans en Enkidu Khaled. Daarnaast is hij betrokken bij de masteropleiding DAS Theatre (Amsterdam).

essay

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!