Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
© Mariia Shulga
Elk jaar op 7 oktober vieren Rudolf Höller en zijn zussen Vera en Clara de verjaardag van Heinrich Himmler, leider van de SS en mede-architect van de Holocaust. Dat macabere ritueel is het vertrekpunt van Voor het pensioen van Thomas Bernhard. Olympique Dramatique brengt een dienstbare enscenering van diens gitzwarte, in salpeterzuur gedrenkte satire uit 1979. Die behoeft geen actualisering om ze in het heden te laten resoneren.
We bevinden ons in een groot salon. Alles ademt vergane glorie. Het water druppelt door het dak en wordt noodgedwongen opgevangen door emmers. De luiken zijn dicht. Alles is er gedempt, het licht, de kleuren en het leven. Zus Vera (Katelijne Damen) heeft de tafel gedekt en alles klaargezet, want zo wil Rudolf (Pierre Bokma) het op 7 oktober. Haar bewondering voor haar broer is mateloos en ziekelijk, net zoals die voor haar vader. ‘Ons vader’ zou dit of zou dat, blijft ze maar herhalen. Over de moeder spreekt ze enkel met dédain: die was teergevoelig en pleegde zelfmoord. Rudolf is een voornaam heerschap met status. Hij staat op het punt met pensioen te gaan als rechter.
Maar onder het burgerlijke vernis schuilt een duister verleden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij kampcommandant. Daarna leefde hij noodgedwongen tien jaar ondergedoken, mede met de steun van zijn zus Vera, die hem ziekelijk bewondert. ‘Ik heb me niks te verwijten, ik heb enkel mijn plicht gedaan,’ blijft hij herhalen. Rudolf was slechts een radertje in de machine, voerde enkel plichtsgetrouw, als een goede patriot, bevelen van hogerhand uit. En dat is de grond van zijn trots. Clara (Tiny Bertels), verlamd door een Amerikaanse bomaanval, leest elke dag dwangmatig haar linkse kranten en boeken (die haar zus Vera als een soort drugskoerier aanvoert), als stil verzet. Gruwend moet ze het kleffe toneel van haar broer en zus aanschouwen. Zwijgen is haar verzet, en af en toe onderbreekt ze die stille sabotage met een ziedende tirade.
“Rudolf, Vera en Clara zijn tot elkaar veroordeeld. Ze zitten letterlijk en figuurlijk vast in het verleden, samen in de gedempte schemer van een oude villa.”
Rudolf, Vera en Clara zijn tot elkaar veroordeeld. Ze zitten letterlijk en figuurlijk vast in het verleden, samen in de gedempte schemer van een oude villa. En dus hebben ze enkel elkaar. Bernhard brengt hen samen in een toxische wurggreep. In het eerste deel van de tekst raast Vera over haar zus heen. En wanneer de broer thuiskomt, na een drukke dag op de rechtbank, raast die over zijn jongste zus heen, met dezelfde woorden en gedachten. Dat Clara van geluk mag spreken dat ze haar broer en haar zus heeft. Dat ze haar nooit naar een instelling zullen sturen. Maar dat ze wel een vreselijk blok aan het been van het duo is. En dat haar socialistische ideeën ‘extreem’ en ‘fanatiek’ zijn. Clara staart ondertussen het grootste deel van de tijd de zaal in, in het luchtledige.
Die avond is een speciale avond. Dan vieren ze samen, zoals elk jaar de verjaardag van Himmler. Rudolf koestert een diepe bewondering voor hem: hij mocht hem ooit kort ontmoeten in het kamp. En dat wordt elk jaar gevierd. Elk jaar wordt zijn portret van de muur gehaald en klinkt Herbert Von Karajan op de platenspeler. En elk jaar gaan Rudolf en Vera met elkaar naar bed, want in dit beklemmende universum is incest de enige mogelijke warmte. Ook die avond kleedt Vera met grote zorg Rudolf aan: de botten, het zwarte uniform, de gesp, het pistool, de swastika, de kepie. Parmantig schrijdt hij het salon rond. En, kijk, ja, hij kan het nog steeds, de hielen van de botten tegen elkaar slaan! Ook Vera doet haar mooiste Duitse jurk aan en meet zich twee vlechten aan. En daar is het Arisch meisje van weleer. Elk jaar hetzelfde stramien, tot grote minachting van Clara, die echter geen enkele andere optie heeft dan noodgedwongen, in haar rolstoel, mee aan tafel te schuiven. En net zoals het jaar ervoor en het jaar ervoor en het jaar ervoor worden herinneringen opgehaald.
Het fotoalbum wordt bovengehaald. ‘Kijk, Rudolf, dat ben jij met Himmler’, ‘O, wat was je mooi in jouw uniform’, en ‘kijk, daar, kijk, dat is het kamp, wat was het daar prachtig groen’. De foto’s worden geprojecteerd op de achterwand van het decor. Alleen, ze zijn onscherp, de figuren lijken spoken, net zoals op het bekende schilderij Uncle Rudi (1965) van Gerhard Richter. Op het schilderij zien we een lachende, jonge man in uniform: het is Rudolf (!) Schönfelder, Richters oom, die als soldaat bij de Wehrmacht sneuvelde. Net zoals op het schilderij van Richter zijn ook hier de herinneringen onscherp, spookachtig en daarom ongemakkelijk. Elk jaar opnieuw beleeft het drietal dezelfde geschiedenis, dwangmatig. Maar de macabere gezelligheid van de avond ontspoort. Rudolf heeft te veel champagne op, begint vervaarlijk met zijn pistool te zwaaien, om vervolgens in zijn dronken razernij over orde en vaderlandsliefde neer te zijgen. Hij stikt letterlijk in zijn eigen verleden. Komedie van de Duitse ziel, zo luidt de ondertitel van het stuk. Maar in Bernhards zwarte universum valt er enkel groen te lachen.
“De burgerij is motor en schouders van het nazisme. ‘Beheerst u!’ is misschien de meest gebruikte zin in Voor het Pensioen. Maar die plicht tot beheersing is de basis van het geweld dat blijft voortwoekeren in de Duitse en Oostenrijkse ziel. Haat en zelfhaat voeden elkaar, in een infernale spiraal.”
In Voor het pensioen komen alle grote lijnen van Bernhards oeuvre samen: het onverwerkte verleden van het nazisme in Oostenrijk en Duitsland, de afgrondelijke minachting voor de burgerij en diens zieligheid, het bestaan als leugenachtige komedie, de burgerman (en -vrouw) als marionet van zijn eigen perversie én zijn halfslachtigheid. Bernhard laat scherp zien hoe conformisme als voedingsbodem voor een extreme ideologie als het nazisme functioneert. In Die Ermittlung (1965), een documentaire theatertekst over de Auschwitzprocessen in Frankfurt, legde Peter Weiss de bureaucratie van de normaliteit bloot, Bernhard doet hetzelfde met de burgerlijkheid.
De burgerij is motor en schouders van het nazisme. ‘Beheerst u!’ is misschien de meest gebruikte zin in Voor het Pensioen. Maar die plicht tot beheersing is de basis van het geweld dat blijft voortwoekeren in de Duitse en Oostenrijkse ziel. Haat en zelfhaat voeden elkaar, in een infernale spiraal. Gevangen in het verleden, afgesloten van de werkelijkheid, rest er enkel nog de stilte om zich in te hullen. Om af en toe uit te barsten. Het nazisme is als tandpasta: eenmaal uit de tube krijg je het er niet meer terug in.
“Nooit komen de drie figuren écht vervaarlijk dichtbij. Het nazistische verleden wordt opnieuw folklore, een grap uit het verleden.”
De dwingende tekst van Bernhard laat weinig ruimte. De schriftuur is verstikkend (het raast maar door), net zoals de omgeving zelf. Tom Dewispelaere kiest voor regie ten dienste van de tekst, en dat geldt ook voor de scenografie. Geen contrapunt dus, maar ondersteuning. Die keuze valt zeker te verdedigen, tegelijk ontbeert ze scherpte. Regie en scenografie verdubbelen de tekst, ze laten zien wat de tekst al zegt. De setting is burgerlijk-realistisch, en de vierde wand wordt tot op het einde na min of meer gerespecteerd. Dat is raar, want Bernhard sleurt, zoals in vele van zijn andere stukken, het toneel mee in het spel. De personages spelen die avond namelijk een toneeltje: kostuumpje aandoen, botten opblinken, haar schikken, nazietje spelen. Elk heeft zijn of haar rol in dit jaarlijkse ritueel.
Bernhard maakt ons getuige van dat perverse spel. Hij gebruikt het toneel als een huis clos: hij sluit zijn personages, samen met zijn kijkers, op in het theater van het verleden. Die dimensie – het hier en nu van de opvoering en hoe die opvoering de tekst anders en opnieuw doet zinderen in het heden – is met slechts een paar vage contouren uitgewerkt. Nooit komen de drie figuren écht vervaarlijk dichtbij. Het grappige maar flauwe einde, waarbij Tiny Bertels jodelend naar het publiek toestapt, stuurt de kijker met een makkelijke, ironiserende knipoog de nacht in. Het nazistische verleden wordt opnieuw folklore, een grap uit het verleden.
De voorstelling gaat daarom moeilijk écht onder het vel zitten, de tekst doet dat echter wel. De personages mogen dan in het verleden leven, ze kijken uit naar de toekomst: ‘wie weet wat er nog komt’. Binnenkort mogen ze weer zichzelf zijn, in een tijd waar de roep om zuivering en vaderlandsliefde opnieuw luid mag klinken en de fascistische grootheidswaanzin van weleer de waan van alledag wordt. Maar vooral: Voor het Pensioen toont waarom het nodig is het verleden in de ogen te kijken, of zelfs maar gewoon te kennen. De geheugenlozen (ondertitel: De herinnering als wapen tegen populisme), zo heet een bekend boek van de Duits-Franse journalist Geraldine Schwarz uit 2017. Aan de hand van haar eigen familiegeschiedenis laat ze zien hoe een groot deel van de Duitsers zich gedwongen hebben zonder verleden te leven en legt ze uit waarom dat gevaarlijk is. In onze door het heden geobsedeerde, geheugenloze tijd, is historische kritiek een elementaire vorm van (zelf)hygiëne.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.