Leestijd 7 — 10 minuten

Voor en voorbij de verbeelding

Het begrip ‘verbeelding’ wordt vaak aangehaald ter verdediging van de kunst. Maar kan de kunstensector vandaag beweren dat ze meer verbeelding heeft dan pakweg de wetenschap, de technologische sector of de financiële wereld? Deze tekst wil voorbij gaan aan een oppervlakkig en te algemeen gebruik van het begrip verbeelding. Het is een poging om verbeelding nauwer te definiëren aan de hand van twee proposities.

Vele kunstenaars beroepen zich erop dat ze met hun kunst de verbeelding stimuleren. Het lijkt een karakteristiek bij uitstek van de kunst. De verbeeldingskracht, inherent aan de kunst – zo wordt geclaimd -, bevat het vermogen om ons nieuwe werkelijkheden te laten zien, dominante zienswijzen open te breken en proposities te formuleren voor alternatieve manieren om het leven te benaderen. Kortom de kunst kan onze verbeelding in die mate verrijken dat we met vernieuwde inzichten uit de kunstruimte komen.

Niet zelden wordt de term verbeeldingskrachtgebruikt in relatie tot artistiek werk dat in min of meer expliciete termen proposities formuleert voor het domein van het politieke. Bekende recente voorbeelden daarvan zijn Some use for your broken clay pots, waarin Christophe Meierhans een voorstel doet voor een alternatief democratisch bestel, het meerjarenproject The New Forest waarmee het theatercollectief Wunderbaum poogt de transitie te verbeelden en een blik op de samenleving van morgen te werpen, of Benjamin Verdoncks acties in de publieke ruimte die trachten bij te dragen aan het idee van de maakbaarheid van onze samenleving.

Op Theater aan Zee 2015 hoorden we criticus Wouter Hillaert verdedigen dat de theatermaker zich maar beter zou herdenken tot verbeeldenaar, iemand die zich verdienstelijk kan maken door zijn vermogen om anders te kijken naar de werkelijkheid aan te wenden in allerhande domeinen in de samenleving.

Niet toevallig sluit de lof op verbeelding nauw aan bij de hedendaagse nadruk op creativiteit. In haar artikel Hoe creativiteit een talent van iedereen en een oplossing voor alles werdbeschrijft Lynn Berger de opkomst van het dictaat van de creativiteit, maar vooral ook de beperkte definitie van dat begrip. Er wordt namelijk niet van uitgegaan dat creativiteit iets slechts kan opleveren. Creativiteit wordt steeds als positief beschreven en moet in de eerste plaats (financiële) winst opleveren. Vaak wordt vergeten dat creativiteit ook kan leiden tot slechteof onethische praktijken. Een soortgelijke analyse kan worden gemaakt omtrent de vraag naar verbeeldingskracht (en de bijhorende verbeeldenaar). Er wordt immers uitgegaan van een de facto positieve invulling van het begrip verbeeldingskracht.

Deze tekst moet worden begrepen als een speculatie over hoe er kan worden voorbijgegaan aan de oppervlakkige claim van de kunstensector op de verbeeldingskracht. Elk domein, elke mens kan daar immers aanspraak op maken. Specifieker richt ik me tegen de invulling van verbeelding als middel voor maatschappelijke innovatie en probeer twee andere strategieën naar voren te schuiven: hoe ziet het vooraf en voorbij de verbeelding eruit?

Vóór de verbeelding

Het voor de verbeelding wil ik definiëren als een negatieve vorm van kritiek die een laakbaar politiek handelen onwerkbaar maakt en zo voorafgaat aan elke verbeelding van een maatschappelijk innovatief alternatief.

In zijn boek The persistance of the negative formuleert filosoof Benjamin Noys een scherpe kritiek op de vele bottom-up protestbewegingen. Hij verwijt hen een te affirmatieve positie aan te nemen binnen het bestel waarop ze kritiek uiten. Hun verzet is vaak positiefgeformuleerd: een lokaal initiatief hier, een ludieke propositie daar In hun pogingen om prefiguratief te handelen en alternatieve ideeën in de praktijk om te zetten, voegen ze louter waarde (ook potentieel economische) toe aan het kapitalistisch systeem waar ze tegen vechten. Hun positie is vaak, paradoxaal genoeg, systeem-bevestigend. Ondanks hun poging tot ideologisch verschil opereren ze vaak aan de hand van strategieën en structuren die reeds lange tijd onschadelijk zijn geworden. Het politieke handelen, zo schrijft Noys, schuilt vandaag niet in de toevoeging van waarde, maar in een niet-participerende vorm van verzet. Hij definieert dit verzet aan de hand van de notie negativiteit. Handelen in het negatieve voegt niets toe aan het kapitalisme. Het politieke, binnen de kunst, schuilt niet in het verbeelden van alternatieve maatschappelijke innovaties (wat als een positieve reflex kan worden begrepen), maar juist in het negatieve, ja zelfs destructieve. Een handelen dat een weigering tot participatie inhoudt en zich positioneert vóór de verbeelding. Het is een handelen dat in de eerste plaats een problematische situatie zichtbaar maakt en daardoor in zekere mate het dominante politieke handelen onwerkbaar maakt.

Hoe kan dit worden begrepen in relatie tot de kunst en haar praktijk?  Misschien blijft het voorbeeld bij uitstek Bitte Liebt Österreich, ook bekend met de ondertitel Ausländer raus. Dit project van de polemische kunstenaar Christophe Schlingensief (helaas in 2010 overleden) vond plaats in 2000 tijdens de Wiener Festwochen. Zeven dagen lang woonden asielzoekers in containers op een plein voor de Weense opera (het hart van de Weense bourgeoisie) en konden ze uit het land worden gestemd door het aanwezige publiek. Dit alles gebeurde ten tijde van de opkomst van de rechts populistische partij FPÖ onder leiding van Jörg Haider. Ausländer raus wakkerde intense discussies en reacties aan bij zowel de linkse als rechtse zijde van het politieke spectrum. Schlingensief fungeerde daarbij als een hedendaagse nar. Door een megafoon spoorde hij elke dag de toeschouwers aan om mee te stemmen en hield hij lange monologen en dialogen over de politieke situatie. Hij nam daarbij een ambigue positie in, zijn standpunten waren soms rechts, soms links en even vaak onplaatsbaar.

Het is een werk dat tot op vandaag nog niets aan relevantie heeft ingeboet en ongeëvenaard blijft. Schlingensiefs propositie heeft niets met de verbeelding van alternatieven te maken. Hij stelt geen nieuwe horizonten voor, geen oplossingen voor het probleem (in dit geval racisme en de opvang van vluchtelingen/asielzoekers), geen blauwdrukken voor migratie. Auslander raus gaat de verbeelding vooraf. Het is een inherent negatief werk dat niets anders doet dan een situatie te creëren waarbij de politieke manier van handelen van de rechtse regering onwerkbaarwordt gemaakt (in dit geval door ze zichtbaar te maken). Het is een blootlegging van hun rechtse, nationalistische ideologie en waar die toe leidt: de onfatsoenlijke behandeling van medemensen.

Voorbij de verbeelding

Er is nog een tweede weg: een weg voorbij de verbeelding. Het gaat om een zone waar we ons (nog) niets kunnen verbeelden, daar waar het kunstwerk buiten bestaande referentiekaders treedt en een richting inslaat die als utopisch moet worden gekenmerkt.

Wanneer we voorbij de verbeelding gaan, bevinden we ons in een wereld die nog niet in taal (als communicatiemiddel) is gevat. Taal geeft een structuur aan de manier waarop we de wereld begrijpen. Deze structuur maakt vele dingen mogelijk, maar is tegelijk een limiet. Om een beeld van Wittgenstein te gebruiken: wij bevinden ons in ons spreken als een vlieg onder een glas. Er is een eindigheid aan wat in taal gezegd kan worden, taal die onze verbeelding in kunst en politiek meestal vertaaltnaar een concrete situatie. Die talige vormgeving impliceert dat er ook een grens is aan de verbeelding. Kunstvormen die hun expressie niet in de eerste plaats in taal als structurerend principe vinden, bezitten de mogelijkheid om voorbij de verbeelding te gaan. Hiermee wil ik geenszins talige media uitsluiten, taal kan immers ook meer klank dan inhoud zijn wanneer de betekenis er wordt uitgefilterd.

Er is ook een tweede, licht verschillende manier om voorbij de verbeelding te gaan. Het gaat om de strategie van wat ik een conflictueuze remixwil noemen. Ik denk hierbij aan kunstwerken die gebruik maken van verschillende referenties, materialen en operaties die worden samengebracht of gemonteerd in één geheel, een installatie, collage, performance of video. Door de heterogeniteit van het resultaat ontstaan er fricties en geschillen die tot verwarring leiden. Deze verwarring is in mijn ervaring een poort om voorbij de verbeelding te gaan en een wereld te openen waarin niets ons nog vertrouwd overkomt.

Graag geef ik een voorbeeld uit de film. In 1974 bracht de Braziliaanse kunstenaar Arthur Omar een fictieve antropologische documentaire uit, getiteld Triste tropico. Dit uiterst bizarre werk vertelt het verhaal van een dokter die na zijn studies in Parijs naar Brazilië trekt om daar een inheemse messias te worden en het kannibalisme te praktiseren. De film is een aaneenrijging van found footage en nieuwe gefilmde beelden die gemonteerd worden in een hoog ritmische, contrasterende, ja zelfs conflicterende trip. Door het gebruik van diverse bronnen en een ruwe manier van monteren word je als toeschouwer uitgedaagd om een wereld binnen te treden die onbekend is.

Omar zelf zei ooit over zijn werk: I am fascinated by sound interference and remixes, ultra-editing, blending, everything that goes beyond the immediateness of the image and the verbal. Words, depositions, speech; for me its all raw material to be modulated. Im not interested in anything that preexists the images, but the production of an experience through the image, in the image, like a chemical reaction in the brain, that can only occur there.

Een vreemde vermenging

Er bestaan ook kunstwerken die zowel voor als voorbij de verbeelding gaan. Zo is er een bijzonder werk van Tilman Aumüller, Jacob Bussmann, Bettina Földesi, Christopher Krause, Arne Salasse en Ruth Schmidt (ScriptedReality) met de titel The piece concerning the question of purposefulness.

De voorstelling is een (ambitieuze) poging om de econoom Friedrich von Hayek, grondlegger van het neoliberalisme, te bannen. In een bordkartonnen decor creëren de makers een curieuze inspanning om hun ambitie waar te maken. Zo proberen ze de verbanning eerst met een kabbalistisch ritueel. Een ritueel waarbij fragmenten van von Hayeks boeken via een programma op de computer worden vervormd tot een nonsensicale tekst. Door iedere betekenis uit de fragmenten te verwijderen, pogen ze een nutteloze daad te stellen, een die ingaat tegen de neoliberale logica. Hun daad produceert namelijk niets, hij breekt alleen af. Dit ritueel loopt uit op een sisser: het blijkt moeilijker te zijn dan gedacht om von Hayek te bannen. Daarop belanden de performers in een wereld die de registers van de fantasie uitrekt. Een personage – de onderzoeker/detective – belandt in een ruimte zonder uitgang (een metafoor voor het kapitalisme). Doorheen een reeks intrigerende situaties probeert hij toch een uitweg te vinden. Uiteindelijk blijkt die te schuilen in een enorme (financieel valideerbare) rijkdom. De conclusie is eerder negatief: aan het systeem valt niet te ontsnappen. Alleen wie erin slaagt om deel te worden van de rijke toplaag kan zich enigszins onttrekken aan de problemen die het kapitalisme voor de vele, armere medemensen veroorzaakt.

The piece concerning the question of purposefulness is een vreemde gebeurtenis waarbij er door de keuze van (performatieve) materialen, de montage daarvan en de wijze van presenteren wordt voorbijgegaan aan de verbeelding. Dit voorbijgaan vraagt een inspanning van de toeschouwers die zich ten volle moeten concentreren om de vele wendingen in het plot te volgen en om te begrijpen waarheen het stuk leidt. Dat einde is echter uiterst negatief. Het breekt elke verbeelding, of onbekende verbeeldingsruimte, af. De gehoopte uitweg van het kapitalisme wordt ogenschijnlijk niet geboden. Alhoewel. Misschien is juist dit negatieve einde, het in de kop drukken van elke proactieve, participerende filosofie, de enige uitweg.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#144

15.03.2016

14.06.2016

Michiel Vandevelde

Michiel Vandevelde is choreograaf en curator.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!