HUNTER – Liesa Van der Aa / B O D I E S
Let’s play!
Evelyne Coussens
© Nastia Krasinskaia
In Visies voor het veld vraagt Etcetera aan sleutelfiguren naar hun perspectief op de podiumkunsten van morgen. Wat loopt goed, wat moet dringend anders? Wat zouden ze veranderen als ze morgen een almachtige minister van cultuur waren, met onbeperkte middelen en bevoegdheden? Deze week: Lotte Vrancken, dramaturg en artistiek coördinator van detheatermaker, een ontwikkelings- en productieplatform voor nieuwe makers.
Tijdens de nationale betoging op 14 oktober 2025, tegen de besparingsmaatregelen van de regering De Wever, pleegde de politie buitenproportioneel geweld op actievoerders, in het zwart gekleed en met bedekt gezicht, herkenbaar als ‘black block’. Politiegeweld is theatraal: het oprijden van het waterkanon, traangas dat zich als rook verspreidt, gemaskerde mensen die zich verschuilen achter een personage (de robocop) om geen verantwoordelijkheid te moeten nemen voor hun daden. De dramaturgie is die van angst: als je één keer bent geraakt door een matrak twijfel je de volgende keer misschien een seconde langer voor je een politieagent filmt, ‘ACAB’ roept, of verf gooit naar een repressief orgaan als Dienst Vreemdelingenzaken. Het machtsvertoon geeft je het gevoel dat je veel risico loopt wanneer je er tegenin gaat.
Ook zonder excessief geweld is ‘politie & burger’ het machtigste rollenspel binnen onze samenleving. We hebben afgesproken dat burgers in politieuniform dingen mogen die burgers zonder uniform niet mogen: geweld plegen, bespioneren, kinderen doodrijden.
Tijdens de nationale betoging bestond het black block niet alleen uit activisten, maar ook uit politie in burger, ook in het zwart gekleed en met een bedekt gezicht. Ze spelen, al waren het Shakespeare-adepten, a play in a play: burgers die politie spelen, die spelen dat ze burger zijn.
De politie speelde geen ‘gewone’ burgers. Toen andere mensen binnen het black block een persoon (die stiekem politie was) niet herkenden, vroegen ze hen wie die was. De politieagent antwoordde: ‘Je suis Jean, je suis artist.e’. Deze vermomming, het personage dat de agent creëerde, vat al het potentieel van de kunsten. Of dat geloof ik toch graag: de kunsten als de ultieme tegenstem, de kunstenaar als verzetsstrijder. Natuurlijk kiest een agent de kunstenaar als alias.
Mijn voorstel voor de sector richting 2030 is dat we allemaal de kunstenaar of cultuurwerker zijn die deze politieagent speelt. Stel dat deze politieagent (van wie we natuurlijk niet het identificatienummer hebben) een personagebeschrijving zou maken van Jean, wat zou daar dan in staan?
Jean is een kunstenaar, die heeft een praktijk. Daarnaast heeft die tijd en ruimte om geïnformeerd en georganiseerd te zijn, kan die op dinsdagochtend op een protest zijn, en wil Jean het risico lopen burgerlijk ongehoorzaam te zijn. Het maakt voor deze politieagent niet uit wat voor kunst Jean maakt, of die daarbinnen politiek is of niet. Het maakt uit dat Jean daar, binnen de black block, is. Jean neemt een risico waar anderen de privileges misschien niet toe hebben, maar dat het kunstenaarschap die toestaat.
Hoe kunnen we dat als kunstenveld faciliteren?
Jean is niet bang om risico te nemen. Risico nemen kan je oefenen. Misschien is dat wel wat repeteren is: het schetsen van nieuwe situaties, en verschillende manieren uitproberen om daarbinnen te reageren. Opnieuw en opnieuw, tot je zelf gelooft wat je aan het doen bent, ook al blijft de situatie buiten jezelf (tot op zekere hoogte) onvoorspelbaar. Wie al eens een training burgerlijke ongehoorzaamheid heeft gevolgd, weet dat die niet zo erg verschilt van een namiddag les aan een toneelschool.
In die optiek zouden de kunsten, in navolging van Rodrigo Batista’s Kidnapped, de perfecte training ground for the brutality that is coming kunnen zijn. De plek waar we blijven zoeken naar nieuwe manieren om met onze steeds brutaler wordende realiteit om te gaan, om risico’s te durven nemen.. Zowel de maatregelen die de betogers aankloegen, als het politiegeweld dat dat uitlokte, tonen dat onderzoek naar brutaliteit hoogst urgent en relevant is. Toch lijkt de ruimte voor risico binnen de structureel gesubsidieerde podiumkunsten kleiner te worden. Zowel binnen als buiten de black box is er geen tijd om Jean te zijn, geen ruimte om grote risico’s te nemen.
“In de kunsten heerst een werkcultuur die corporate is geworden. Er wordt met zo weinig mogelijk middelen heel erg hard en zo efficiënt mogelijk gewerkt. Dit was misschien nooit de visie van organisaties in de kunsten, maar is door de omstandigheden wel de realiteit.”
Tegenover het idee van de training ground – het open veld waarop geoefend kan worden, een plek met ruimte voor onverwachte ideeën met onduidelijke uitkomst – staat een werkcultuur die corporate is geworden. Er wordt met zo weinig mogelijk middelen heel erg hard en zo efficiënt mogelijk gewerkt. Dit was misschien nooit de visie van organisaties in de kunsten, maar is door de omstandigheden wel de realiteit.
De malaise die dit oplevert is algemeen bekend. Agenda’s zitten twee jaar op voorhand vol. Het steunen van kunstenaars die geen huisartiest zijn, wordt steeds moeilijker. Het aantal coproducties is geslonken, de coproductie-bedragen zijn al jaren niet meer geïndexeerd. Ruimtes staan leeg omdat er geen budget is om binnen het kader van fair practice betaalde residenties te voorzien.
Wie hard en efficiënt moet werken, doet dat liefst op een manier die loont. Risico’s nemen betekent falen toelaten. Daar is, begrijpelijk, binnen overbevraagde teams vaak geen animo voor. Naast deze interne drempels die risico en experiment bemoeilijken, zijn er externe. Er is schrik voor verlies in het percentage van eigen inkomsten1. Er is schrik voor de risico’s van tax shelters. Hoe groter de organisatie, hoe kleiner de kans dat ze risico’s willen lopen.
Ik wil met deze paragraaf niemand met de vinger wijzen. Ik ben zelf erg geschrokken hoe logisch deze laatkapitalistische redeneringen voelen wanneer je in een kleine structurele kunstenorganisatie als detheatermaker werkt. Ook ons kleine en wendbare team heeft een limiet aan onvoorspelbaarheid, ook wij willen dat onze voorstellingen in première gaan, ook wij willen onze eigen inkomsten halen. Het maakt dat ook wij sneller ‘nee’ zeggen tegen ideeën die totaal tegen onze gemaakte planningen en begrotingen ingaan. Het maakt dat ik het niet makkelijk vind om naast Jean te gaan staan op de nationale betoging, want als ik word opgepakt kan ik de volgende dag niet op een vergadering zijn waar ik die ene coproductie voor een van onze kunstenaars kan verdedigen. Deze afweging is absurd. De schaarste die binnen de kunsten heerst is reëel, maar ze staat niet op gelijke voet met de urgentie en schaarste die rondom ons heerst.
Hoe kunnen we weer ruimte voor risico binnen en buiten de kunsten inbouwen? Hoe kunnen we een training ground zijn? In de landschapstekening wordt er gesproken over het begroten en plannen van ‘witruimte’, budgetten en tijd die nog niet op voorhand worden besteed, waardoor die op onverwachte manieren kan worden ingezet. Kunstenpunt haalde aan dat dit zowel voor onverwachte praktijken (een interdisciplinair onderzoek) als gebeurtenissen (verzet tegen een genocide) zou kunnen dienen. In het minst spannende geval gaat dit geld naar meer coproducties. In een spannender geval wordt er ruimte gemaakt voor echt risico.
“We zijn allemaal tegen overproductie. Tenzij het over kunstproductie gaat: dan willen we allemaal meer. Het is die productielogica die efficiëntie afdwingt en artistieke risico’s uitsluit.”
Deze witruimte is natuurlijk meer dan welkom, maar ik denk dat oningevulde budgetten en tijd geen structurele oplossing zijn voor de overbevraging die er binnen het veld heerst. Ruimte voor risico toelaten betekent (contradictorisch genoeg) ook: minder produceren. Jean is zeker en vast tegen overproductie. Veel kunst- en cultuurwerkers die niet naast Jean in de voorhoede van de betoging staan, ook. Tenzij het over kunstproductie gaat: dan willen we allemaal meer. Het is die productielogica die efficiëntie afdwingt en artistieke risico’s uitsluit.
De afgelopen beleidsperiode hebben we die logica meer dan ooit toegelaten in onze organisaties, door het groeiende beroep op de tax shelter. In ruil voor easy money hebben we producties afhankelijk gemaakt van dwingende contracten die worden afgesloten met anonieme, al dan niet dubieuze bedrijven. Dat een kunstenaar dit soort steun aanneemt is logisch: die wil hun ei leggen. Ik vind dat organisaties, in de plaats van het snelle en efficiënte geld te omarmen, moeten inzetten op alternatieven. Als we af willen van de efficiëntielogica binnen onze organisaties (‘meer witruimte, minder oververhitting’, zoals Kunstenpunt het noemde) moeten we af van de afhankelijkheid van de bedrijven waar deze logica wet is.
Minder produceren kan alleen als er grondig wordt geïnvesteerd in onderzoek en ontwikkeling. Als we ‘tragere’ kunstenaarscarrières die niet van première naar première hollen, maar waarbinnen er ruimte is voor uitgebreid onderzoek, voorop stellen. Hoe vinden we daarvoor genoeg middelen? Misschien moeten de projectcommissies opgesplitst worden zodat onderzoeksprojecten en productieprojecten niet in dezelfde poule worden beoordeeld? We zouden ook nieuwe subsidielijnen kunnen gebruiken? Een wild voorstel aan de minister: schaf de tax shelter af, en investeer de belastingvermindering die bedrijven via de tax shelter krijgen (en dus een subsidie is) rechtstreeks in de kunsten. Investeer in structuren en projectmiddelen die onderzoek ondersteunen: in de plaats van extra middelen die zorgen voor premièredwang, extra middelen voor duurzaam onderzoek.
“In ruil voor easy money hebben we producties afhankelijk gemaakt van dwingende contracten die worden afgesloten met anonieme, al dan niet dubieuze bedrijven.”
Voor je dit als onnodige scheenschopperij ziet van de Jean in mij: stel je voor hoe het veld er zou uitzien met deze influx aan middelen voor traag, raar en minder doelgericht werk. Wat voor risico’s er genomen zouden kunnen worden als onderzoek niet de jongere sibling van productie is. Als we meer een training ground kunnen zijn, en minder een bedrijf. Stel je voor dat bedrijven gewoon hun belastingen zouden betalen, en wij gewoon subsidies zouden krijgen daaruit.
Misschien denk je nu: ik ben kunstenaar of cultuurwerker, en zelfs als ik niet de overproductielogica zou moeten volgen, meer risico zou kunnen nemen, wil ik Jean niet zijn. Meer tijd voor onderzoek? Oke, maar ik wil helemaal niet met rode verf naar de Dienst Vreemdelingenzaken gooien. Ik zie het nut niet van wekelijks aan de ambassade van ‘Israël’ te staan. Ik lig niet wakker van het beperken van de werkloosheid in tijd, want het kunstenaarsstatuut is gevrijwaard.
Ik denk dat je je vergist. Stel je een kunstenlandschap voor dat ligt in een land waar iemand op straat wordt opgepakt, in een gesloten detentiecentrum wordt opgesloten en daar sterft. Waar een ambassadeur van een bezetter die genocide pleegt, niet wordt uitgezet, want de rechtse eerste minister van het land schaart zich achter het genocidair regime. Stel je voor dat het geld waarmee je je voorstelling taxsheltert, komt van een bank die (in het buitenland) veroordeeld is voor medeplichtigheid aan weer een andere genocide. Stel je voor dat je kunst maakt in een land dat de werkloosheid heeft beperkt in tijd, waardoor massa’s mensen hun huis verliezen, terwijl er op nachtopvang wordt bespaard. Stel je voor dat je je daar niets van aantrekt, maar wel van het feit dat er geen publiek meer in de zaal zit. Stel je voor dat dit nog maar het begin is.
Enkele jaren geleden deed ik mee aan een project waar progressieve kunstenaars uit de grootstad (could-be Jeans) gingen praten met mensen op het conservatieve platteland. Binnen de kunstenaarsgroep waren er verhitte discussies over of we vooral ‘uit onze bubbel moesten treden’ en louter in gesprek moesten gaan met iemand die anders dacht, of dat we moesten proberen om de conservatieve stemmers te overtuigen van onze strijd. Aan de kant ‘overtuigen’ stond één van de meest sociaal geëngageerde kunstenaars die ik ken. Geboren in ‘Israël’ zei die vijf jaar geleden: ‘als we er nu niet in slagen om een kritische massa op de been te brengen, is onze toekomst die van de etnostaat2, zoals in “Israël” al het geval is.’ Toen klonk dat voor mij onvoorstelbaar dystopisch. Nu denk ik dat het realistisch is.
“Ik vind het vaak hypocriet van mezelf, hoe ik op straat ‘en bas l’état, les flics et les fachos’ sta te roepen en de volgende dag mee een projectsubsidiedossier schrijf om geld te vragen van diezelfde overheid.”
Misschien denk je nu: ‘zo ver zal het wel niet komen’. Ik zeg: dat is omdat je rekent op de kritische massa, op mensen zoals Jean, die zich verzetten. Dat is toch waar ik op reken, terwijl ik samen met mijn collega’s nieuwe plannen bedenk voor 2028-2032. Ons plan heeft de ambitie een steentje te verleggen in het podiumkunstenveld, maar het zal niet als een bom inslaan in het land errond.
Ik vind dat vaak hypocriet van mezelf. Hoe ik op straat ‘en bas l’état, les flics et les fachos’ sta te roepen en de volgende dag mee een projectsubsidiedossier schrijf om geld te vragen van diezelfde overheid. Deze hypocrisie zit ook al in deze tekst. Hoe kan je een tekst beginnen over politiegeweld en het vervolgens hebben over het afschaffen van tax shelter?
Die spreidstand is volgens mij exemplarisch voor het structurele kunstenveld vandaag. Sinds Caroline Gennez aangesteld is als minister heerst er een opluchting die bijna chauvinistisch is. We hebben een minister die van kunst houdt, laten we vooral daar alles uithalen: mooie plannen schrijven, onze organisaties uitbouwen met de (beperkte) middelen die we kunnen krijgen.
Ik stel me voor dat Jean zou zeggen: ‘We hebben een minister, een centrale figuur in een partij die zowel Vlaams als nationaal meeregeert, die naar onze huizen komt, laten we daar alles uithalen. We moeten druk zetten voor de uitbreiding van het kunstenaarsstatuut naar een basisinkomen voor iedereen, van het gebruik van leegstand voor ateliers naar slaapplek voor mensen die op straat leven, van visumperikelen voor buitenlandse kunstenaars naar regularisatie voor alle ongedocumenteerde burgers. Laat ons het paard van Troje zijn. Alleen met radicale voorstellen gaan we extreemrechts voor zijn.’
“Na één structurele beleidsperiode te hebben meegedraaid, geloof ik niet dat verandering in het veld uit het veld gaat komen, van de ene structurele ronde op de andere. Als een nieuw voorstel ook steeds het behoud van de bestaande structuur moet inhouden, kan het nooit radicaal of progressief zijn.”
Ik stel me voor dat Jean dat zegt, want ik weet niet wat die zegt. Hoe langer ik in het structurele kunstenveld werk (op dit moment vier jaar) hoe moeilijker het is om een outside eye te zijn. Om kritisch te blijven, om me altijd af te vragen waarom we het zo doen en niet helemaal anders. Om niet te denken: we roeien met de riemen die we hebben en we gaan niet het risico nemen om die te verliezen. Ook ik word banger voor risico’s.
Na één structurele beleidsperiode te hebben meegedraaid, geloof ik niet dat verandering in het veld uit het veld gaat komen, van de ene structurele ronde op de andere. Als een nieuw voorstel ook steeds het behoud van de bestaande structuur moet inhouden, kan het nooit radicaal of progressief zijn.
‘Radicaal en progressief’ is hoe de politieagent kunstenaar Jean ziet. Twee eigenschappen waarvan ik hoop dat het kunstenveld ze in 2030 kan vieren. Hoe we daar komen? Tot Jean het systeem, waar de structurele organisaties bij horen, omver heeft geworpen, stel ik voor dat structurele organisaties diens ideeën en praktijken ondersteunen. Door ruimte voor Jean te maken op onze eigen training grounds, maar vooral door de training grounds die al bestaan in woord, daad en financieel te ondersteunen.3
Door ons niet te beperken tot witte vlaggen of rode lijnen, maar door te staken, te betogen en te bezetten. Ook als we dan te laat op een vergadering of repetitie komen.
Door op z’n minst de pony van Troje te zijn.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.