Ankers, bomen en gelouterde liefde
Reflecties over vaderschap na Fatherload, Zo gaat het verder en Ik ben een boom
Pieter Martens
© Mahieu Yvan
In Vier zusters grijpen Luna, Winter, Toulouse en Jules De Cock Tsjechovs Drie zusters aan voor een collage-vertelling over het verbeelden en begrijpen van de eigen zussenband, het eigen gezin, het eigen trauma. In een poging het persoonlijke te overstijgen vertrouwt de voorstelling op een veronderstelde herkenbaarheid. Maar echt spannende inzichten levert te veel herkenbaarheid op scène natuurlijk zelden op.
De vier zusters staan samen op een lege scène, omringd door het park dat dienst doet als locatie. Ze spreken het publiek direct, en frictieloos, aan: “Welkom lieve mensen, fantastisch dat jullie hier allemaal zijn”. Zo’n warme ontvangst in het theater, ik schrik er wat van. Op een rij naast elkaar vertellen ze over de dromen die ze delen. Samen een voorstelling maken; Tsjechovs Drie zusters spelen; en tot slot, spelen op de planken uit het ouderlijk huis waarop zij min of meer werden verwekt. Zo geschiedde.
“Refereren de zussen naar zichzelf, toneelspelend in de woonkamer, naar dat warme nest als de oorsprong van hun verbinding en verbeelding?”
Ons geheugen wordt opgefrist met een snelle recapitulatie van Tsjechovs theatertekst, concluderend dat de zussen verder willen en verder moeten. Ze dromen van “… Moskou!”, klinkt het enthousiast in koor. De metafoor is geïnstalleerd. Vervolgens stellen de zussen zichzelf voor aan de hand van een lied, met badmintonraketten als gitaar. Deze vorm, en het feit dat ze niets meer is dan dat, maar ook hoe ze statisch naast elkaar op een rij staan en ons frontaal aankijken, heeft iets weg van een TikTok-format.
De voorstelling volgt vanaf hier een helder verloop. Vier bedrijven, voor elke zus een. Met enkele planken uit dat ouderlijk huis waar nu een gat in zit, schetsen ze een podium-huiskamer op scène. Zo verplaatsen ze de intimiteit van hun verstrengelde levens ter gelegenheid naar de theatercontext. Refereren ze naar zichzelf, toneelspelend in de woonkamer, naar dat warme nest als de oorsprong van hun verbinding en verbeelding? Het lijkt de bron van de getheatraliseerde, enigszins opzichtig gefictionaliseerde verhouding die ze als zussen met elkaar spelen, alsof tijdens het onstuimige gekibbel bij het avondmaal iemand opmerkte dat dit echt goed materiaal voor een scène zou zijn.
De zussen praten door en langs elkaar heen, onderbreken en becommentariëren elkaar dwangmatig. Naast de herkenbaarheid die dat wat doorzichtige zussenspel veronderstelt, is ook de flirt met de grens tussen fictie en realiteit een constante. Onzekerheden, onderlinge competitie, de grenzeloosheid die zussenbanden kunnen kenmerken en daartegenover verlangens naar autonomie en eigenheid, maar evengoed het pijnlijke vertrek van hun vader uit het gezin: het zijn thema’s die braaf worden aangewezen in schijnbaar alledaagse anekdotes, vermengd met situationele scènes met opzichtige metaforen, maar óók behandeld in muziek, poëzie en dans. Tsjechovs tekst is voelbaar aanwezig als subtekst waar de makers zich tegenover kunnen verhouden. Zo is de voorstelling, althans technisch gezien, geen louter egodocument.
“Vier zusters lijkt in die zin vooral voor de makers zelf te zijn gemaakt, voor en door elkaar als zussen.”
Samen vormt dat een metatheatrale collage-vertelling. In zeker contrast hiermee staan de audiofragmenten die met regelmaat de theatrale situatie onderbreken. We horen de jeugdige stemmen van de zussen openhartig reflecteren over hun ervaringen van opgroeien in dit gezin. In de generositeit en kwetsbaarheid van hun getuigenissen schuilt ook iets opdringerigs. Je moet er naar luisteren. Maar wanneer de zussen – opnieuw met vier op een rij – hand in hand roerloos het publiek inkijken tijdens zo’n fragment, benadrukken ze hun eigen authenticiteit zodanig dat die omslaat in haar tegendeel. De waarachtigheid van de blauwe lucht en groene boomkruinen die de scène omgeven, wordt tastbaarder in contrast.
Benieuwd hoe “the biggest boss of the theatre” hierover denkt, zoals ze vader De Cock wellicht ironisch omschrijven. Dat doen ze in een scène die aanvangt met een hysterische lachbui. Opgelucht ademhalen is het bij deze grillige uitbarsting, na de overdaad aan enthousiaste, opgewekte, meisjesachtigheid die we tot nu toe zagen en die een ongeloofwaardige (gelukkig!) onschuld uitdrukken. Soms spelen ze haast kinderlijk. Dat zijn ze ook: kinderen van gescheiden ouders. Een gezinsdrama dat in het tweede deel van de voorstelling de nodige ruimte krijgt. Het is de oudste zus die in een razende monoloog uithaalt tegen die zelfobsessie. “Oh, ja! Nog trauma! Meer! Meer trauma! We hebben zo veel te zeggen, toch willen jullie het weer hebben over die scheiding. Menen jullie dit nu echt?” Niet toevallig gebracht vanuit de publiekstribune, lijkt dit zowel een metatheatraal pleidooi tegen de zelfreferentie als een manier om zichzelf ervoor in te dekken.
“In die aanname van herkenbaarheid schetst de voorstelling het heteronormatieve kerngezin, gebroken of niet, iets te vlot als een universeel gegeven.”
Zussen spelen of zussen zijn? Door naar hun eigen verhaal te wijzen lijken de makers het te willen leren begrijpen. Vier zusters lijkt in die zin vooral voor de makers zelf te zijn gemaakt, voor en door elkaar als zussen. De voorstelling is daarin echter niet transparant: ze verstopt zich achter het repertoire van Tsjechov. Ze lijkt dat te doen in een poging een verbeelding van buitenaf aan het persoonlijke relaas toe te voegen, maar waarom voelt die poging dan zo overbodig? Omdat ook in de omweg via Tsjechov de makers met moeite verder komen dan het representeren van zichzelf?
Hoewel het spel van de zussen die zich verliezen in iets wat alleen zij begrijpen paradoxaal genoeg heel herkenbaar is, en het groteske karakter ervan een komisch potentieel in zich draagt, is meelachen omwille van die zelfreferentialiteit op den duur gênant. Daartegenover lijkt de amicale toon van Vier zusters te willen zeggen: “We zitten allemaal in hetzelfde schuitje.“ In die aanname van herkenbaarheid schetst de voorstelling het heteronormatieve kerngezin, gebroken of niet, iets te vlot als een universeel gegeven. Ze mist minstens de suggestie van inbedding in een breder bewustzijn. Mijn vraag blijft: wat is de artistieke relevantie van deze voorstelling, behalve ze te maken – een “droom” van de makers? En voor wie is ze gemaakt, behalve voor de makers zelf?
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.