© Celine Chariot

Wouter Hillaert

Leestijd 5 — 8 minuten

Une Cérémonie – Raoul Collectif

Een revolutie van zaagsel

Mannenclubjes hebben de tijd niet langer mee, maar een uitzondering blijft het Franstalige Raoul Collectif. In Une Cérémonie strijkt het vijftal die tijd tegen de haren in, om hem des te beter te vatten: premodernistisch postcorona, of zoiets. ‘Peut-être’ zelfs prerevolutionair? ‘Kameraden, laten we de degen slijpen…’ Toast!

Al na een kwartier in Théâtre National volgt een beeld dat perfect de apotheose had kunnen zijn. Acteur David Murgia klimt op een stoel om voorzichtig aan een touwtje te trekken en zo beweging te brengen in wat decoratieve dode takken die daar in de hoogte hangen. Spontaan ontbolsteren zij tot een traag wiekende ooievaar. Twee takkenvleugels en een takkenkop: een zwevend karkas. Op en neer. Op en neer. Gewoon uit zichzelf, als een mobiel. Alles en iedereen is stilgevallen. Een vol podium en een volle zaal staren naar de zwijgende poëzie van een gracieuze vogel van rank hout. Wel vijf minuten leek het te duren.

Dat is toch wat de schouwburg vóór heeft op het museum: die collectieve adem, die lucht en leven inblaast in de stilstand. Maar wat dit moment echt verheft, is de meerduidige metafoor die zich ontvouwt. Hoop die oprijst uit de dood. Aftakkingen die samen richting krijgen. Iets van stille volharding. Een vleugelslag naar overzicht, op vlerken zonder voorzienigheid. Tegelijk blijft het fladderen zonder voortgang, in het volle bewustzijn van vergankelijkheid, misschien wel wieken tegen wil en dank. Niemand in de zaal, zo voelde het, die er niet hét gevoel van de laatste maanden in las.

Kompanen in crisis

Precies die onbewogen beweging karakteriseert ook de voorstelling zelf. Une Cérémonie drijft op een consistent besef van verlies, maar weigert dat verlamde geloof in verandering te laten neerzijgen in de poel van ideologische wanhoop.

Net dat geloof in verandering is ook wat Romain David, Jérôme de Falloise, David Murgia, Benoît Piret et Jean-Baptiste Szézot in februari 2009, in volle kredietcrisis, aan elkaar klonk als jonge studiegenoten aan het Conservatoire de Liège. Op hun website leest hun missie bijna als een manifest: ‘Nu de liberale heerschappij over de wereld zich aankondigt als levenslang en ‘de revolutionaire hypotheek’ voorgoed is afgelost, onder de hopeloze fataliteit van een wereld die afstevent op zijn ondergang, koesteren wij het onuitputtelijke verlangen tot verzet, als een kreet uit de vroegste jeugd: de noodzaak om te leven. (…) Wij willen affirmeren dat, in een wereld die zich vernietigt, creatie het enige middel blijft om niet mee vernietigd te worden.’

En maken kunnen ze. Al na drie creaties ontwaar je de karakteristieken van een oeuvre dat zich consistent ontwikkelt. Van hun gevierde debuut in 2012, Le signal du Promeneur, herkennen we ook in Une Cérémonie de takkenhelmen en de piano waarrond ze meteen verzamelen voor wat intieme samenzang met drie mannelijke muzikanten en de bijna 70-jarige actrice Anne-Marie Loop. Zang en fanfare is bij Raoul Collectif nooit veraf: even intiem als feestelijk, met de nodige knipogen en plaagstoten, vol zelfverklaarde ‘puberale energie’. Net als toen roepen ze elkaar voortdurend aan met dezelfde voornaam: ‘Francis’. Het klinkt zo ongeveer als ‘kompanen!’.

Van opvolger Rumeur et petits jours (2015), een theatraal radioprogramma waarmee ze een jaar later zelfs naar Avignon mochten, proef je dan weer de expliciet politieke inspiratie. Toen gaven ze het TINA-principe (‘There Is No Alternative’) lijf en leden als een heus personage. Nu duurt het evenmin lang voor Romain David het neoliberalisme identificeert als het boze spook: ‘de financiële baronnen, de vastgoedmaffia, de fascisten die in dit trotse en vermoeide Europa de macht hebben gegrepen, allemaal stropdassen met chique pakken en hagelwitte tanden, stinkend naar duur parfum, die hun recht op winst uitzingen als het recht op andermans zweet. Ze zitten overal: overal waar het brandt, overal waar de zee stijgt. Om je met de ene hand een reddingsvest te verkopen terwijl ze met de andere de lont aansteken.’

Opgeven of ageren?

Wat doe je ertegen? Het is al jaren de vraag van één miljoen. In weerwil van alle progressieve twijfel en versplintering grijpt Raoul Collectif terug naar het premoderne broederschap van musketiers, de samenhorigheid van ondergrondse verzetsgroepjes, het gloeiende utopisme van Don Quichot. Terwijl de wodka lustig rondgaat voor steeds nieuwe toasts, zaagsel de vloer vult als confetti en de accordeon herinneringen oproept aan Kusturica’s Underground, klimmen ze een voor een op plastic stoelen voor elk hun ridderlijke rede. Waarin ze hun degens slijpen tegen het onrecht. Hun bloedband onverbrekelijk heet. Hun namen in brons gegraveerd zullen staan in de tempel der onsterfelijkheid!

Zelden voelde klassiek erfgoed zo dankbaar, precies omdat deze ‘dolende ridders’ het zo mooi in balans houden met hun eigentijdse melancholie. Shakespeare, Cervantes, de Grieken: in het Frans klinken hun uitgesneden replieken nog zoveel antieker, nog zoveel meer majestatisch. Als een pleister op de vertwijfeling. Maar ook als aanzwellende wind door een uitgerafelde vlag.

Wint het wieken het van het karkas? De beweging van de stilstand? Met een variatie op Hamlets ‘to be or not to be’ expliciteert Jean-Baptiste Szézot die keuze ook op de scène: ‘zich onderwerpen of zich bewapenen?’. Daarmee beslecht hij een onderlinge discussie binnen het broederschap over de precieze inzet en het hoofdthema van hun hele ceremonie. Is het de dood? De crisis? Het theater zelf? Nee, zegt Jean-Baptiste. Ageren of opgeven: dát is de vraag waar het ons hier om gaat. Maar welke optie wint dan het pleit?

De relativering voorbij

In veel Vlaamse voorstellingen zou dat uiteindelijk de ironie zijn, als zoete strooisuiker op de helaasheid der dingen. In Une Cérémonie lijkt Raoul Collectif ook echt veel opgestoken te hebben van het onbevangen spelplezier waarin die ironie zich in Vlaanderen graag kleedt. Voortdurend wordt klassieke retorica doorsneden met brechtiaanse afbrekingen en wisselt plechtstatigheid af met dwazigheid, donderen met drinken, acteren met uit je rol vallen. Veel schallende redes zijn niet alleen inhoudelijk citaten, maar presenteren zich ook zo door hoe ze opgevoerd worden. Een pruik of een harnas is snel gevonden, om scheef op je kop te zetten.

Alleen dient dat spelplezier hier niet alleen de lach in de zaal, niet de vaak voorkomende ‘relati-vier-ing’ in theater, maar wel een gestage opbouw naar iets wat – ondanks alle nadruk op het ‘ook niet weten’ van deze spelers – steeds meer gaat lijken op een oprechte verdediging.

Dé theatrale vorm die daarvoor al in Le signal du promeneur van onder het stof gehaald werd, duikt ook hier weer op: de rechtszaak. Terwijl Benoît Piret zich de toga van Kreoon aanmeet, kruipt Anne-Marie Loop in de huid van Antigone. Haar splijtende afrekening met het hogere gezag is die van het hele collectief: ‘Het zijn niet de wetten van de gemeenschap waarop u zich beroept, maar de regels van uw uitzonderingstoestand, van uw noodstaat.’

Bijna fluisterend wordt eraan toegevoegd dat Antigone niet alleen was, maar dat er ook schaduwen zichtbaar waren van nog anderen, van tientallen, honderden medestanders. Zijn het de contouren van een sluimerende opstand? Nu? Hier? In 2020?

Intuïtieve bevlogenheid

De immense uil die vanuit het duister de scène op schuifelt, lijkt één grote tegenspraak van de verlichte ratio zelve, perfect in de sfeer van de aloude struikrover-filosofie die Une Cérémonie doordrenkt. Sprekende beelden zijn Raoul Collectif nu eenmaal dierbaar, zeker als ze zich zoals deze uil of de zwevende ooievaar hullen in stilzwijgen. Maar met sleutelfiguren als Antigone en Don Quichot blijkt het tegendeel van ratio en realisme hier niet naïef utopisme of irrationaliteit, wel intuïtieve bevlogenheid. Net die aanvuring is wat ‘les Francis’ anderhalf uur lang bij elkaar proberen aan te wakkeren. Voorbij de onmacht, het immobilisme, de onvoorspelbaarheid.

Vanuit de zaal word je gestaag mee aangestoken, zelfs tot het punt waarop één Francis verdedigt dat het oeroude rechtsprincipe van gewettigde zelfverdediging doorgetrokken dient op mondiale schaal: ‘Als de leidende minderheid van de uitzonderingstoestand het risico omarmt om alle leven en de hele planeet uit te roeien, hebben dat leven en die planeet dan niet het recht om op hun beurt te intimideren wie hen intimideert? Moeten wij hén niet een beetje vaker bang maken? Met geweld? Ja of nee? Ik leg gewoon de vraag op tafel.’

Het antwoord is wel duidelijk. Weifelaars zijn deze jongens van geboorte, maar manifestanten zijn ze tot in hun ziel. ‘Hoop’, besluit er één, ‘is gewoon een ander woord voor lafheid.’ En toch blijven ze bovenal spelers, die van hun mannenclubje net hun kracht én hun boodschap hebben gemaakt: een beetje meer bevlogen broederschap van lang geleden, verenigd tegen de argumentatie van de macht, zou de wereld deugd doen. Net nu. Net hier. In 2020.

Een apotheose komt er niet, zoals ook Don Quichot nooit zijn glorie vond. Wel de zacht ritmische soundtrack van een aanzwellend orkestje. De belofte van een beweging, de stilstand voorbij. Met de vleugelslag van verzet, op vlerken zonder voorzienigheid. Toast!

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#161

15.09.2020

14.12.2020

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist. Hij werkte vijftien jaar als freelance theatercriticus voor achtereenvolgens De Morgen en De Standaard en is betrokken bij de burgerbeweging Hart boven Hard.