Visies voor het veld: Kristien De Proost & Josse De Pauw
Een pleidooi voor morsigheid en risico
Kristien De Proost & Josse De Pauw
© Stanislav Dobak
Vera Tussing doet exact wat ze belooft met Un-staging Tactility: in vier delen onderzoeken de performers en het publiek wat aanraking is en wat haar voorwaarden zijn. Voorzichtig komen we dichter bij elkaar, tot we op elkaar botsen. Wie deelneemt, ontdekt iets over de anderen én over zichzelf.
Ik moet iets bekennen. Ik haat de meeste aanrakingen. Ik deins terug als iemand te dicht in de buurt komt, huiver voor festivals en overvolle bussen. De anderhalvemetersamenleving vond ik heerlijk, de covidbubbel was een opluchting. Ik zag dus op tegen de ‘immersieve ervaring’ rond tactiliteit die Vera Tussing beloofde met Un-staging Tactility. Als ze de focus niet had gelegd op ‘wat voorafgaat aan aanraking’, oftewel het moment vóór aanraking, was ik niet gegaan. Maar aan het einde heb ik volledig vrijwillig een laken gedeeld met zeker twintig mensen. Hoe is dat in vredesnaam gebeurd? Een reconstructie.
Helen D’Haenens, Raphael Philipe Damasceno Ferreira de Moura en Christine Sollie wachten hun publiek op in het midden van een klein zaaltje. Ze dragen blauwe outfits en ondersteunen een constructie uit neonroze en -oranje staven. De stoelen staan opgesteld in een kring rondom hen, en op elke stoel ligt een soort stressbal: een zakje — soms cilindervormig, soms ovaal met grillige uitsteeksels — met daarin plastic balletjes.
De drie dansers laten de staven op de grond kletteren en spelen een potje mikado, tot er nog drie stokken over zijn. Het is meteen een rake verbeelding van waar het Tussing om te doen is: aandachtig kijken en ontdekken wat mogelijk is in aanloop naar aanraking. Dan laten ze zich op de grond zakken en begint een soort mindfulnessoefening. We worden uitgenodigd om het object dat op onze stoel lag te strelen, erin te knijpen, het te plooien, etc. Waar dat tasten bij mindfulness een middel is om je aandacht te sturen, is het hier een doel op zich. We onderzoeken hoe het is om te voelen. Of misschien is de oefening hier óók een middel: al knijpend en aaiend raken we betrokken bij de performance.
Die betrokkenheid gaat deels verloren doordat Damasceno en Sollie de instructies vanaf een telefoon voorlezen. Wil Tussing iets meegeven over de afstand die technologie creëert? Wil ze illustreren hoe direct contact tussen mensen vervangen wordt door touchscreens? Of dient de gsm om de stemmen van de performers op te nemen (aan het einde dragen ze speakers in een crossbody-tasje waaruit dezelfde tekst weerklinkt)? We zien echter niet meer dan dat de performers naar hun tekst kijken, waardoor het overkomt als iets onopzettelijks.
“De choreografie echoot de filosofie van Merleau-Ponty, die stelt dat ons lichaam niet in de ruimte, maar naar de ruimte is.”
Terwijl het publiek verder speelt met de stressbal, tasten de dansers de ruimte af, onderzoeken ze hun ruimtelijkheid. Ze meten de afstand tussen hun handen, strekken en buigen hun lijf. Vervolgens krommen ze de drie overgebleven mikadostokken en haken ze de bogen in elkaar. Behoedzaam bewegen ze zich in allerlei constellaties, zonder dat de staven (of de dansers) elkaar raken. Het doet denken aan metalen hersenkrakers — nog zo’n geweldig meditatiemiddel — en aan nineties Windows-screensavers. Ernaar kijken is tegelijk ontspannend en spannend: je verwacht haast dat er een buzzer zal afgaan als ze elkaar toch per ongeluk raken.
Zo’n confrontatie blijft uit: zachtjes ‘ontkoppelen’ de dansers zich en verlaten de zaal. Ook wij worden naar een volgende zaal gegidst. Ons tastobject ruilen we in voor een neon staafje ter grootte van onze handpalm. De wandeling doorbreekt de spanning, maar die keert direct terug in de tweede zaal. Daar marcheren Sollie en Damasceno heen en weer, terwijl ze een onbuigzame neon stok voor zich uit schuiven als een soort blindenstok. Van voorzichtig aftasten is hier echter geen sprake, de mars oogt strak en assertief. Industriële geluiden en harde blauwe belichting completeren de autoritaire sfeer. Een pak slaag is ook aanraking natuurlijk.
D’Haenens sluit zich aan en op een soundtrack die niet zou misstaan bij een actiefilm, volgt een choreografie van bijna-aanraking en spiegeling. Herhaaldelijk trekken de dansers een cirkel rond zich met de stok, alsof ze hun ‘bubbel’ afbakenen. Tegelijkertijd verandert die bubbel met elke beweging, we zien hoe de ruimte van de een verkleint als de ander meer plaats inneemt. De choreografie echoot de filosofie van Merleau-Ponty, die stelt dat ons lichaam niet in de ruimte, maar naar de ruimte is. We zijn vastgeknoopt aan onze omgeving, vormen ons naar die omgeving en naar de anderen. Die lichamelijke ervaring vormt de basis van ons bewustzijn. Ook daarop doelt Tussing als ze spreekt over ‘wat voorafgaat aan aanraking’: waar die lichaamservaring de ene persoon doet verlangen naar nabijheid, zijn andere lichamen getekend door schroom of trauma, waardoor aanraking een opgave of zelfs iets walgelijks wordt.
Die verschillen worden blootgelegd als de performers het publiek uitnodigen om aan de zijkanten van de scène te zitten. Ze nemen de buigzame stokken van het begin vast en strekken die gekromd naar ons uit. Terwijl ze de bogen laten zweven boven knieën en handen, moedigen ze enkelen aan om ze aan te raken met het ministaafje tussen duim en wijsvinger. Sommigen blijven star zitten, anderen weifelen of houden hun staafje zo stil mogelijk klaar, als een snaar die wacht op een strijkstok. Nog anderen grijpen de grote staven enthousiast vast met hun hand, of strekken zich over hun buurman heen om mee te doen.
Na dit intermezzo herhalen de performers de choreografie van ervoor, maar nu onder zachte, meerkleurige spots. Ook raken de drie elkaar nu voor het eerst direct aan. Sollie laat D’Haenens zelfs op haar schouder klimmen. De dansers dragen crossbody-tasjes met daarin kleine speakers, die krakend de woorden van het begin herhalen: plooi, streel, knijp … Het lijkt een gecamoufleerd mantra, dat samen met het steeds zachtere licht de opmars vormt voor de apotheose: jawel, het ‘gedeelde laken’.
D’Haenens, Sollie en Damasceno spreiden een grijs doek uit over de vloer, met daarin tal van gaten waar een hoofd door kan. Eerst nodigen ze enkele mensen uit, dan kruipen ze zelf naar het midden van het doek. De rest volgt, tot uit bijna elk gat een hoofd piept. Ik doe dus mee, tegen mijn gewoonte in. De grijze stof toont duidelijk hoe de afstand tussen mij en de anderen vergroot en verkleint. Tegelijk verbindt de stof ons. Technoklanken vullen de zaal en we bewegen en laten ons bewegen. Hoe meer het licht dimt, hoe meer ik me deel van een geheel voel. We worden niet gebruikt als performers, maar zijn deel van een golvende massa. Zelfs een zachte botsing her en der is niet ongemakkelijk.
Al golvend besef ik dat mijn weerstand is getransformeerd tot openheid. Dat ik via kleine stapjes — de stressbaloefening, de wandeling, de uitnodiging om op de scène te zitten — en indirecte aanraking naar dit moment ben geloodst. Door de spiegeling in de choreografie voelde het natuurlijk om de anderen na te volgen. En doordat de performers elkaar direct aanraakten in het laatste deel, voelt deze ‘lakendans’ als een klein dingetje. Door Tussings aandacht voor consent en de zorgvuldige opbouw, belichting en muziek van Un-staging tactility, heb ik mijn eigen grenzen overschreden. En met plezier.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.
Wat is de toekomst van cultuurspreiding in Vlaanderen? De nieuwe Strategische Visienota Kunsten van minister Caroline Gennez wil expliciet meer inzetten op spreiding in landelijke gebieden en een breed bereik.
Moderator: Ciska Hoet. Panel: wordt binnenkort bekend gemaakt.