Fred Six

Leestijd 5 — 8 minuten

Tweemaal Bernarda AIba

KNS, KVS

Twee Vlaamse versies van Het Huis van Bernarda Alba, in dezelfde periode. Wie stout wil zijn, kan meteen de vraag stellen of Vlaanderen dan zóveel goeie actrices rijk is. Immers, deze tragedie van Federico Garcia Lorca vraagt om een keure van een tiental uitgelezen vrouwelijke hoofdvertolkers. De twee betrokken partijen, de Antwerpse KNS en de Brusselse KVS, hebben er blijkbaar geen probleem van gemaakt. Al is, ook qua acteerniveau, het resultaat verschillend.

Een eerste vaststelling is dat het geen van beide repertoiregezelschappen te doen was om een verregaande ingreep in de dramatiek van Lorca. Anders dus dan de voorstelling door Arca een drietal jaar geleden. Toen zorgde Pol Dehert voor een vrij destructieve versie, waarin het huis van Bernarda eerder op een gekkenhuis leek, en het spel een corrida vol onnozele kinderen die de moederfiguur eigenlijk nooit au sérieux namen en aldus de kracht van haar tirannie grotesk ondermijnden. Tegenover deze ‘ontbladering’ brengen zowel KNS als KVS een ‘klassieke’ opvoering.

La Casa de Bernarda Alba (1936) is een gecondenseerd drama van liefde en dood, dat zich afspeelt in de schaduw van een tirannieke Moraal. Na de dood van haar man treedt Bernarda op als matriarch, die haar vijf dochters in het gareel laat lopen. Ze mogen het huis niet uit, maar het aanzien van de clan vereist dat ieder van hen geduldig op een economisch en sociaal aanvaardbare huwelijkspartij wacht. Alles wat de orde in het huis van buitenuit komt verstoren, moet worden geweerd. Maar de adders zitten binnenin. De jongste dochter rebelleert, door de minnaar die voor de oudste zus bestemd is, tot zich te nemen. Nu de ‘geslotenheid’ is doorbroken, moet de familiemoraal zo vlug mogelijk hersteld worden, in de eerste plaats voor de buitenwereld.

Het stuk geeft een universeel beeld van de tragische onverzoenbaarheid tussen dwang en vrijheid, tussen orde en begeerte. KNS lijkt vooral naar de mythisch-religieuze sfeer te hebben gepeild; KVS beitelde eerder aan de psychisch-sociale dimensie.

Voor de regie deed de KNS een beroep op de jonge franstalige theaterbelofte Dominique Serron, die in Brussel haar eigen Infini Théâtre heeft. In een gesprek, waarvan fragmenten opgenomen zijn in het programmaboekje, licht ze haar uitgangspunt toe: “Toen ik Het Huis van Bernarda Alba las, zag ik lichamen onder spanning, ingebonden lichamen, die gebukt gingen onder het insnoeren van hun buik. Ik zag wijd open ogen (…)”. Voorts geeft ze toe dat ze minder belang hecht aan de betekenis van de woorden, dan aan de adem, de ademhaling, de impulsen die de woorden meekrijgen. Dit wijst in de richting van een activeren van het primair fysieke bewustzijn bij de acteurs. Als deel van een werkmethode is dit uiteraard aanvaardbaar, maar als spelconcept is het dat minder. Niet alleen omdat het hier gaat om een toneelstuk met een zo grote poëtische taalkracht, maar vooral omdat een aantal consequenties in de KNS-enscenering niet voldoende geassimileerd zijn. Wat als spelimpuls goed bedoeld was, is blijkbaar stijlmiddel geworden, en het stijlmiddel heeft de tragische realiteit van het stuk grotendeels weggeduwd.

Weggeschreeuwd ook. Want vanaf de eerste minuut dreunt de meid als een helse furie. En even later ligt ze krampachtig uitgestrekt op de zwarte tafel, als op een sarcofaag, haar ellende uit te razen om de dood van de man die altijd onder haar rokken zat. Een erotische toets, die pas aan het einde even terugkeert. In het geschreeuw gaan woorden verloren, en de uitdrukking van emoties heeft van bij de start iets geforceerd pathetisch. Het lijkt erop dat ze allen een expressievorm opgelegd kregen die ze zich nooit helemaal eigen hebben gemaakt.

Toch blijft er ook nog wat goeds te zeggen. B.v. over decor en kostuums van Hélène Kufferath en John Bogaerts. De naar elkaar overhellende zijwanden van de grauwe kamer versterken nog de indruk van een gekerkerd bestaan, een benauwende verstikking, waarin de dochters na het afleggen van de rouw een witte kamerjas aantrekken, als een beeld van opgedrongen onschuld. Onder de dreiging van een reusachtig crucifix, dat — in wankel evenwicht — de Moedermoraal ondersteunt.

De bij momenten gevoelige lichtregie (Jan Darden) legt af en toe een mooie klemtoon. Zoals b.v. aan het slot, wanneer Bernarda uitgerekend door haar oude waanzinnige moeder, die in het stuk zowat het bedwongen oerleven symboliseert, naar de dode dochter wordt geleid. Een cirkel die zich sluit. Maar het blijft enkel een symbolisch teken, in een voorstellingsvorm die lijdt aan een kwalijke tendens tot sublimering. De bedelares die als een madonna ‘verschijnt’, is hier een concreet voorbeeld van.

Dit kan zeker niet gezegd worden van de KVS-produktie, in een regie van Ronnie Commissaris. Zonder in het andere uiterste te vervallen (een grof naturalisme b.v.) wordt de profilering van de dramatische personages en onderlinge relaties hier veel scherper uitgetekend. Het is de grote verdienste van Commissaris dat hij erin geslaagd is om de signalen van binnenuit te laten komen, vanuit een homogeen hoogstaand en authentiek acteren. Eens te meer blijkt dat het mogelijk is een acteur/actrice die jarenlang meedraait in de routinemolen, zó te inspireren dat clichés worden afgekrabd en hij/zij een nieuw, zuiver elan krijgt.

Het decor van Niek Kortekaas maakt aanvankelijk een verrassend ‘open’ indruk. Geen celmuren, maar een in zwarte doeken verdwijnende ruimte (met daarin enkele stoelen) die in de diepte van links naar rechts afgebakend wordt door een reusachtige glazen wand van 2 X 10 panelen (w.o. één deuropening), met uitzicht op buiten: blauwe lucht, dorre boom, witte zandgrond, Andalousië.

Van bij het begin valt het op dat de levendigheid niet steunt op geschreeuw, maar op de vanzelfsprekendheid van een realistische typering: de huishoudster (Chris Lomme) is superieur aan de meid (Gerda Marchand), en de meid — volks en nieuwsgierig — is superieur aan de bedelares. Door de abstractie van het decor en een streng gecontroleerde bewogenheid wordt deze configuratie echter opgetild en gaat er een zekere dreiging van uit. Wanneer de meid van buitenuit de ramen één na één witkalkt, groeit geleidelijk zowel het beeld van opsluiting als de woekering daarbinnen. Pas wanneer de catastrofe voltooid is, ontwaakt de scène uit haar duisternis, alsof de schellen van de ogen vallen: er is weer het uitzicht op buiten, waar Adelazich aan de dorre boom verhangen heeft.

Ann Petersen is een indrukwekkende Bernarda. Ze vertegenwoordigt de fnuikende moraal, maar daarnaast laat ze zien hoe haar tirannie wellicht wortelt in een diep gevoel van verslagenheid. Het is haar manier van overleven, haar ‘eer’ is een vorm van koppigheid. Haar kleinheid zit af en toe subtiel ingebakken in haar spel. (ïn de KNS-voorstelling was hier een teken voor nodig: Bernarda, die alleen is, legt even de hoofdkap af.) Maar haar dwingelandij tegenover de dochters is des te frappanter.

En die dochters (Leah Thijs, Sien Eggers, Mieke Bouve, Elsemieke Scholte, An Tuts) hebben werkelijk iets van kinderen die altijd gekortwiekt werden, samen opgesloten in een speelkamer. Ze stoten elkaar aan, treiteren, gaan elkaar te lijf. Er wordt een heel veld van spanningen en samenzweringen opengelegd.

Maar ook hier gaat het om méér dan het visualiseren van een heksenketel. De vrijgekomen emoties worden eerst zuinig uitgezet, pas dan kunnen ze losbarsten. De ritmische structuur van de voorstelling wordt aldus sterk bepaald door een zekere stilering, die niet vreemd is aan het gebeuren, maar die als katalysator en verdeler van accenten fungeert.

Het scènebeeld wordt soms opvallend gekenmerkt door stilstand, bewust ingeschatte afstanden en stiltes in het gesprek. Maar ze onderbreken de dramatische werking niet. Integendeel. ‘Suggestief’ en ‘expliciet’ vloeien samen. En hiervoor zijn geen grote theatrale ingrepen nodig. Even gewoon op een stoel naast elkaar gaan zitten en het dan maar laten loskomen, dat zijn momenten van groot theater.

De KVS-voorstelling grijpt je veel directer aan. Dat het lied van de werkers op het veld als een echt Vlaams volkslied klinkt, of dat de muziek van Willy De Maesschalck (piano en fluit) heel gevat inspeelt op stemmingen, kan daar misschien iets mee te maken hebben. Maar wat je vooral bezighoudt is het spelpatroon, dat een tragische geladenheid creëert en toch de grote realistische reflexen niet uitsluit. Bovendien geeft het op voortreffelijke wijze reliëf aan de mooie vertaling van Claus. Je wordt m.a.w. niet omgeleid.

Het Huis van Bernarda Alba

auteur: Federico Garcia Lorca;

vertaling: Hugo Claus.

KNS Antwerpen.

Regie: Dominique Serron;

decor en kostuums: Hélène Kufferath en John Bogaerts;

lichtregie: Jan Darden;

muziek: Paul Lefèbvre en Gauthier Lisein;

actrices: Mart Gevers, Rita Smets, Kristin Arras, Els Cornelissen, Camilia Blereau, Peggy de Landtsheer, Hilde Heijnen, Ketty van de Poel, Marilou Mermans, Tine Thijs, Annick de Grom.

Gezien op 17 januari 1989 in de Kortrijkse stadsschouwburg.

KVS Brussel.

Regie; Ronnie Commissaris;

decor: Niek Kortekaas en Ronnie Commissaris;

kostuums: Yan Tax;

muziek; Willy De Maesschalck;

belichting: Dré Delys;

actrices: Ann Petersen, Cara van Wersch, Leah Thijs, Sien Eggers, Mieke Bouve, Elsemieke Scholte, An Tuts, Chris Lomme, Gerda Marchand, Véra Veroft, Ingeborg Lievens.

Gezien op 20 januari i989 In KVS.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#25

15.03.1989

14.06.1989

Fred Six