Links: ‘Kit’ (Beurs/OHS). Rechts: ‘Usurpation’ (Beurs/Kaai) – Foto M. Hendryckx.

Luk Van den Dries

Leestijd 8 — 11 minuten

Tussenstad

Zo ergens tussen ‘Le Petit Paris’ en ‘Washington aan de Zenne’ moet Brussel liggen. Een stad met een bruisend verleden, waar de ruis van de belle epoque als verre herinnering gekoesterd wordt. Een stad met een grootse toekomst, waar aan de belofte van een Europese visie hoogmoedig gebouwd wordt.

Brussel is een tussenstad. Tussen Amsterdam en Parijs. Tussen rangeerstations en kanaalzones. Vernietigd door bouwpromotoren met grootheidswaan. Verkneuterd door beleidsverantwoordelijken met een dorpsmentaliteit. Het bouwproject op het Europa(!)plein is symptomatisch voor deze stad: op de grens van laag- en hoog-Brussel, op weg van de Middeleeuwse kleinheid naar industriële strakheid, tussen gotiek en art-nouveau bouwt men een neo-rustiek Brussel, met trap- en klokgeveltjes, gerestaureerde gezelligheid, een toeristisch dorp in het centrum van Europa.

Het is een stad zonder identiteit, of met juist te veel gezichten: dat is de aantrekkelijke kant. Het gevecht tussen verleden en toekomst, de woekering tussen stijlen en tradities, de afwisseling van banaliteit en uniciteit, lelijkheid en schoonheid, verpaupering en rijkdom, maakt van Brussel een versplinterde stad met om de hoek een ander facet. Een metropool waar verschillende culturen met mekaar botsen: de marollien en de Franstalige bourgeois, zuiderse immigrés en westerse EG-ambtenaren, ringbaarddavidsfondsers en new look-stedelingen. Er is geen typische Brusselaar, geen typisch Brussel, geen Brusselse mentaliteit. Brussel is multicultureel, pluriform, chaotisch. Je bent er op jezelf aangewezen.

Duizend buurten

De pluriformiteit van deze stad met haar duizend buurten kenmerkt ook het leven van de theatertoeschouwer. Overweldigd door een enorm aanbod moet hij zelf keuzes maken: het Franstalige of het Vlaamstalige theater, het receptieve of creatieve, opera en dans, experiment of traditie, auteurgericht of vormvernieuwend, enz. De Brusselse theatertoeschouwer wordt geconfronteerd met een scala aan theatrale vormen en mogelijkheden, hij ziet alle theatrale werelddelen passeren, en kan daarin zelfstandig een theatrale route uitstippelen, een eigen theatraal landschap creëren. De toeschouwer regelt zelf zijn theaterleven, volgt zijn eigen kieskeurigheid, niet gehinderd door reguliere abo-afspraken.

Hoe is het nu om in deze stad theater te maken? Hoe verhoudt het Vlaamse theater zich tot het enorme aanbod aan de overkant? Hoe vind je tussen de grote Brusselse populatie de paar tiendeprocenten die geïnteresseerd zijn in het Vlaamse theater? Hoe Brussels is het Vlaamse theater? Het voordeel van de dubbele minderheidspositie van de Vlaamse theatermaker is dat je het hem zelf kan gaan vragen. Het Vlaamse theater in Brussel dat zijn Nand Buyl (KVS), Rudi Van Vlaenderen (BKT), Johan Wambacq (Beurs), Hugo De Greef (Kaai), Jari Demeulemeester (AB) en Ingrid De Ketelaere (vzw Paleis). Het Vlaams theater is telbaar en kenbaar. Maar even goed divers en pluriform. Zoals het Vlaamse publiek geen getto vormt in de stad — de nieuwe Vlaamse Brusselaar is de eerste gefederaliseerde Belg — vormt het Vlaamse theater geen blok in het centrum. Het enige dat deze twee Brusselaars, Brabander, Antwerpenaar, West- en Oost-Vlaming gemeen hebben is dat zij in Brussel iets met professioneel theater hebben. In de aard van het aanbod, de structuur, theatrale opvatting, financiële status wordt een ruim spectrum bestreken.

Hoe Brussels?

Bestaat er zoiets als een Brussels klimaat dat theatraal geëxploiteerd kan worden? Een hoofdstedelijke cultuur waarop het theater kan bouwen? Is er m.a.w. een specifieke inhoudelijke relatie tussen het theater en het stedelijk leven? In zoverre de invloed van een hoofdstedelijke context op de theaterprogrammatie meetbaar is, doet zich die blijkbaar eerder voor bij de receptieve organisaties. Een repertoiregezelschap als de KVS is natuurlijk enkel mogelijk in een stad, maar werkt daarbij niet anders omdat die stad toevallig Brussel heet. Het BKT is ontstaan uit het kamertheaterfenomeen dat een Antwerpse en Gentse aangelegenheid was. Brussel was niet meer dan een standplaats voor een in de beginfase vooral reizende groep die zich een tijdlang ook Brabants Kollektief voor Teaterprodukties genoemd heeft. De Beurs signaleert Mallemunt als link met de stadscultuur en ook AB profiteert voor zijn concerten en grote spektakels van de animo van deze stad. Maar misschien is Kaai wel de meest Brusselse organisatie: ontstaan als festival op de Kaai heeft het altijd voeling gehouden met het specifieke artistieke klimaat dat in Brussel heerste en met de noden die opgevuld moest worden. De Greef situeert de oorsprong van het werk in het nieuw Vlaams-Brusselse gevoel dat groeide rond de werking van de NCC en andere organisaties. In de evolutie van het Kaai werd dan vooral ingepikt op het artistiek werk dat in Brussel ontstond, zoals Decorte, De Keersmaeker, Radeis. Ook voor de internationalisering was de Brusselse context belangrijk. Typisch Brussels is ook het feit dat Kaai, als enige van de Vlaamse theaters, consequent promotie voert in twee talen.

Deze tweetaligheid, als meest specifieke eigenschap van deze stad, is voor decennia een Vlaamse eis geweest, een strijdplan, communautaire springstof. De gemeenschappenkwestie lijkt vandaag over de Brusselse hoofden heen gevoerd te worden. De Greef: “Door de uitschakeling van het FDF op politiek vlak is er een grotere bereidheid tot samenwerking gegroeid, een samenwerking die kan leiden tot een vergrote Brusselse identiteit. I.t.t. de situatie in Vlaanderen die aan haar eigenheid bouwt in een nogal besloten opvatting, groeit er in Brussel een openheid, een internationalisering.” Die openheid wordt echter tegengewerkt door de structurele patstelling die Vlaams- en Franstalige organisaties uit elkaar drijft. Op financieel en administratief vlak dient men taalkleur te bekennen, is er geen plaats voor gezamelijke initiatieven. De samenwerking tussen BKT en Atelier St.Anne b.v. wekte wrevel en onbegrip. Op het terrein is coöperatie echter al lang vanzelfsprekend geworden: theatermensen wisselen moeiteloos van taalrol, de Franstalige pers is meestal erg enthousiast over Vlaamse initiatieven, er worden coprodukties opgezet, Franstalige theaters tonen geregeld Vlaams werk, creaties worden opgevolgd, KVS telt voor sommige produkties meer dan 10% Franstalige zaalbezetting. Die openheid tussen beide gemeenschappen blijft natuurlijk altijd minimaal en occasioneel (Van Vlaenderen meldt nogal wat mensen die afkwamen op Madame De Sade, maar afhaakten toen ze hoorden dat er geen ondertitels waren) maar wijst toch op een veranderd klimaat. Geen infrastructuur voor cultuur Van oudsher is het theatrale aanbod geconcentreerd in de verschillende grote steden wat in Vlaanderen voor een eeuwige concurrentie gezorgd heeft tussen de theatersteden Gent en Antwerpen. Beide stéden hebben daar ook, ter ondersteuning van de theatrale cultuur in de stad, financiële middelen en infrastructuur voor over. In Brussel ontbreekt een culturele reflex, is er vanuit de stedelijke overheid zeer weinig aandacht voor het cultureel gebeuren, laat staan een beleid, en ontbreekt dan ook de nodige infrastructuur en financiële inbreng. Het faillissement van de stad Brussel en de saneringsplannen die daarvan een gevolg zijn, voorzien nu in de afstoting van de laatste stedelijke verplichtingen t.o.v. het theater. De KVS dreigt, samen met het Théâtre du Parc, haar dertig miljoen te verliezen die volgens het theaterdecreet door de stad moeten opgebracht worden. Een rampzalige maatregel voor de KVS die het al zonder proportionele subsidie van de provincie (2 i.p.v. 12 milj.) moest stellen en van de stad al minder kreeg dan door het decreet voorzien (30 i.p.v. 36 milj.). Buyl blijft rustig: “We hebben nooit problemen gehad met de stedelijke overheid. Men hield zich strikt aan de afspraken. D.w.z. dat de KVS altijd op gelijke voet behandeld is als het Théâtre du Parc. Die evenwichtspolitiek leidt er natuurlijk toe dat alles hier dubbel kost. Met als gevolg dat ons tweede plateau, het Garagetheater, er nog altijd niet is, en dat het KVS-gebouw in een lamentabele staat verkeert. Hoe de toekomst er zal uitzien is momenteel onduidelijk: zal de stad het saneringsvoorstel uitvoeren? Het zou een gevaarlijk precedent scheppen.”

Afbraak

Volgens Wambacq is de stad hoegenaamd niet geïnteresseerd in cultuur. “Dat creëert een grote vrijheid in het werk, de stad bemoeit zich b.v. nooit met de invulling van Mallemunt e.d. Gebrek aan belangstelling betekent echter ook gebrek aan beleid en aan inspanningen. De stad biedt b.v. geen mogelijkheden om promotie te voeren voor artistieke evenementen. Maar ze laat wel toe dat overal waar mogelijk, en liefst op de knooppunten van de stad, op de meest brutale wijze commerciële reclame gevoerd wordt. Het stedelijk leefmilieu wordt zo verziekt, terwijl er voor de directe communicatie met de bewoners via socio-culture-le affichage gewoon niets voorzien is. Dat tekent de houding tegenover cultuur. Eenzelfde afbraakhouding als tegenover het architecturaal patrimonium trouwens.”

Gebrek aan infrastructuur is het weerkerend motief in het gevecht om in Brussel theater te maken. Repetitiezalen waar men niet voortdurend plaats moet maken voor de plaatselijke seniorenbijeenkomst, zijn zeldzaam. Ateliers voor de aanmaak en stockage van decors: nauwelijks voorhanden. Degelijk geoutilleerde schouwburgen: de keuze is uiterst beperkt. Een hoofdstedelijk theater dat qua capaciteit en voorzieningen kan vergeleken worden met andere stadstheaters: het is er niet. Antwerpen baadt in een luxe. In Brussel is het zalenpatrimonium te klein, te verouderd, gebrekkig uitgerust. Demeulemeester: “Niet alleen voor de grote spektakels is er geen ruimte, ook voor kleiner experiment ontbreken de nodige voorzieningen. Men wil of kan vanuit de Vlaamse gemeenschap geen extra-inspanningen voor Brussel doen, omdat het dan voor iedereen moet: Tillemans gaat onmiddellijk zwaaien dat er voor hem ook niets gebeurt. In Brussel is het een acuut probleem: het gebrek aan infrastructuur, aan de ontmoetingsplaatsen daarrond, aan een theaterhuis, zet zich ook in negatieve zin af op het artistieke klimaat. Dat verklaart misschien ook het onevenwicht tussen het receptieve en creatieve aanbod in Brussel. Terwijl een hoofdstad toch recht heeft op een aantal eigen gezichten.”

Waar is het publiek?

Het Vlaamse publiek in Brussel is een moeilijk definieerbare grootheid. Het is moeilijk aanspreekbaar, omdat het zich verschuilt in een veel grotere anderstalige groep, wat betekent dat een affiche op straat nauwelijks gezien wordt door de groep waarvoor het bedoeld is. Promotie voeren in Brussel vraagt gespecialiseerde technieken en kost veel meer. Het is moeilijk localiseerbaar omdat het publiekspotentieel wijd verspreid is over de 19 gemeenten, de Brusselse rand, de provincie, de forenzen. Van Vlaenderen schat het Brusselse publiek voor het BKT op minder dan 20%, de helft komt uit provincies buiten Brabant. Ook de KVS recruteert het publiek uit de wijde Vlaams-Brabantse omtrek. HetBrusselse potentieel is beperkt, tenzij voor niet-talige produkties. De vzw Paleis b.v. mikt met het lunchtheater (taalgebonden produkties) op de kantoorvlamingen, en voor de avondvoorstellingen (grote dansprodukties zoals Maguy Marin, Alwin Nikolais) op de residentiële Brusselaar. Het financieel verlies van ‘s middags wordt op die manier gecompenseerd. De randbrusselaar is ook weinig geneigd ‘s avonds nog naar Brussel af te zakken: de auto moet kwijt geraakt worden, en liefst niet voor altijd. En er is ook de gordel van culturele centra, bedoeld als stootband tegen de verfransing, die belet dat Vlamingen voor culturele behoeften naar Brussel gaan, dat nochtans een veel exclusiever aanbod heeft dan de doorsneecultuur in de centra.

Ondanks dat aanbod, dat kwalitatief zeer belangrijk is en in het geheel van het theatrale landschap een volstrekt eigen indruk laat, zijn de perspectieven voor het Vlaams-Brusselse theaterleven weinig hoopvol. Toch zijn er projecten en dromen: de Beurs wacht op de realisatie van de verbouwingsplannen die een tweede zaal en een foyer voorzien waardoor er een groter contact met het publiek en een sterkere inbedding in het stadsweefsel mogelijk wordt. De AB droomt van een toneeltoren op het dak (die van het PSK kon niet doorgaan wegens moerassige ondergrond). De KVS verwacht classering en renovatie. HetBKT voorziet een directiewissel. Het Kaai is minder optimistisch, vindt geen respons op de expansieve artistieke planning. De Greef: “Ik moet toegeven dat we in Brussel aan het einde van onze mogelijkheden zijn. We voelen aan dat het hier opgeraakt, uitgepuurd is.

De logische evolutie van het artistieke werk kan niet gerealiseerd worden. Elders zou een Needcompany toch al verder staan, zou een De Keersmaeker serieuze kansen gekregen hebben. Onze artiesten weten dat ook, zij zullen dat niet blijven nemen. Dat is eerder op rekening te schrijven van de Vlaamse overheid, maar heeft ook te maken met een stedelijk beleid.”

Nieuwe schakelingen

Het artistieke klimaat in Brussel, voor enkele jaren nog stimulerend en een aantrekkingspool voor andere groepen, vraagt nieuwe impulsen. Artistiek, waardoor het potentieel dat er nu al is zich verder kan ontwikkelen en er meer ontmoetingspunten en nieuwe schakelingen kunnen ontstaan, ook tussen de nu meer gescheiden opererende creatieve en receptieve sectoren. Infrastructureel en financieel, zodat het hoofdstedelijk gewest ruimte kan creëren voor een eigen culturele identiteit binnen een internationale roeping. Bij wijze van denkoefening: een KVS in handen van een Blauwe Maandag Cie, met een aan een nieuwe werking aangepaste structuur, zou het repertoiretheater in Brussel een cruciale functie bezorgen. Een BKT o.l.v. een Pol Dehert zou daarnaast op zoek gaan naar andere soorten teksten en andere theatraliseringen. Een coördinerend receptief platform dat de belangrijke grote produkties uit het buitenland naar de hoofdstad brengt zodat we ook eens de recente ensceneringen van Brook of Peymann konden zien. Een nieuw theatergebouw dat architecturaal iets betekent voor vandaag en waar theatermensen uit binnen- en buitenland kunnen samenwerken en waarvan het publiek weet dat er constant op hoog niveau theater gebracht wordt. Werkplaatsen voor het fundamentele theateronderzoek. Een theaterhuis waar theater en publiek in alle facetten begeleid worden. Sluit de denkoefening. Brussel is een tussenstad. Tussen een verworven culturele uitstraling en een nieuwe artistieke leegloop.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#25

15.03.1989

14.06.1989

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.