Maak kennis met Michael Disanka, onze columnist in Congo!
Nieuwe reeks: Outside Eyes
Michael Disanka
© Heroen Bollaert
Collectif Malunés wordt graag en vaak verliefd. In hun jonge jaren verloor het nomadische collectief het hart aan een imposante, dieprode circustent. In dezelfde tent doet het publiek deze zomer haar intrede. Voor de voorstelling Tout va hyper bien nodigen de makers de toeschouwer uit om samen circus te maken. Is dit een queer liefdesverklaring, een kwetsbaar volksfeest, of oerdegelijk circus? En waarom kiezen? Les Malunés ontmoeten het publiek genereus in het midden.
De bar is open! De circuspiste, normaal de open ruimte waar het spektakel plaatsvindt, is bezaaid met tafeltjes waaraan toeschouwers anticiperend keuvelen, en op een klein podium naast de gelegenheidsbar staan de muziekinstrumenten verleidelijk te wachten – een volheid die de tent het allure van een volwaardig cabaret geeft. Neem je plaats aan tafel, of kies je voor de klassieke tribune rondom de piste om de bedrijvigheid afwachtend gade te slaan? Je maakt een bewuste keuze omtrent je eigen toeschouwerschap: dat behelst plots niet meer uitsluitend de veilige afstand van de tribune, maar ook de mogelijks onverwachte bewegingsvrijheid van de piste. En voorbij die concrete ruimtelijkheid is het een keuze die je, nog voor aanvang van de voorstelling, gevoelig maakt voor de al dan niet vrijwillige passiviteit die de rol van de toeschouwer kenmerkt.
Daarmee is de toon gezet, en bevindt Tout va hyper bien zich hand in hand met het publiek in een spannende spreidstand, die trapeziste en zangeres Juliette Correa behendig in stand houdt. Even gemoedelijk als ze in gesprek zit met enkele tafelgasten hangt ze opeens boven de hoofden van haar gezelschap en is de voorstelling begonnen. Ze laat zowel haar lichaam als het publiek soepel wennen aan de trapeze, terwijl haar Franse getater de act vrolijk doet meedeinen met het gonzende rumoer dat de tent tijdens het wachten heeft gevuld. Al handen schuddend, ‘Ça va?’, bepalen de korte ontmoetingen de richting van haar bewegingen. Ergens onderweg reikt ze me haar jasje met de vraag of ik het wil bijhouden voor haar. Een eenvoudige vraag, maar ik voel me uitgenodigd tot tactiele zorgzaamheid. Indrukwekkend buitelend vervlecht haar act zo onmiddellijke samenwerking en broze kennismaking. Hoeveel performers zijn er welgeteld aanwezig in deze tent?
“Indrukwekkend buitelend vervlecht Correa’s act onmiddellijke samenwerking en broze kennismaking.”
Terwijl Correa haar jasje komt halen en me fluisterend bedankt, verschijnt Nickolas Van Corven tussen de menigte aan de andere kant van de piste. Aan ademloze snelheid proclameert hij een tekst, cirkelend rond de zin ‘Tout va hyper bien’. Introduceert Van Corvens nachtclubpoëzie de bedwelmende veelheid aan acts die zullen volgen? Dient hij als handleiding voor de verbondenheid, het plezier en de concentratie die artiesten en toeschouwers te wachten staan, of staan zijn klaterende woorden op zich? Zijn woorden zijn net zo vluchtig als het geluksgevoel dat ze beschrijven, het tempo waaraan ze komen even duizelingwekkend als de luchtacrobatiek van zijn collega’s; ze beschrijven zelfs eenzelfde soort euforie als die tollende lichamen, ‘Je weet niet hoe je ermee om moet gaan,’ klinkt het – in Tout va hyper bien vermoedelijk even herkenbaar voor de artiesten als voor de toeschouwers.
Tout va hyper bien ontvouwt zich verder als een volle voorstelling waarin tijd niet meer bestaat, maar die voortdrijft op het tarten van de wetten van de zwaartekracht en het motto: samen uit, samen thuis.
Zo zetten de broers Simon en Vincent Bruyninckx het publiek aan het werk wanneer ze gekluisterd aan elkaars lippen de tent doorkruisen; de bijtbeugels in hun mond zijn rechtstreeks met elkaar verbonden. Met enkel elkaars ogen om in te kunnen kijken, moeten de broers blind vertrouwen op het publiek, dat druk en luidruchtig in de weer moet om tafels onder de voeten van het duo te schuiven. Zo voorzien de toeschouwers de twee mannen van een podium, een draagvlak waarop ze de hele piste doorkruisen terwijl hun monden blijven hangen op een millimeter van een kus.
“Met een ambitieuze dramaturgie en een publiek dat zich act per act mee verplaatst met de performers, brengt Tout va hyper bien beweging in het denken over en de belichaming van het toeschouwerschap.”
In het duet ‘Icarian spelen’ – een subtype acrobatiek waarbij Mél Roguier teder jongleert met Lola Devault-Sierra’s lichaam – wordt dan weer beroep gedaan op het publiek om de bijna naakte lijven van de performers te belichten terwijl ze ingetogen tuimelen en steunen. Het zachte licht van de zaklampen uit het publiek, dat zich compact rond hen verzamelt, kan niet anders dan geconcentreerd met hen meebewegen. Zo wordt niet alleen de sensuele kwetsbaarheid zichtbaar van de genegenheid die hun duet verbeeldt, maar wordt ook de reële kwetsbaarheid van acrobaten aan het werk belicht. In de andere richting wordt tegelijk ook de vanzelfsprekendheid waarmee de toeschouwer kijkt op scherp gesteld. Een vlek licht van een zaklamp maakt de kijklijn van de toeschouwer namelijk expliciet. Je wordt als toeschouwer met andere woorden uitgenodigd tot zorgzaamheid en tegelijkertijd betrapt op voyeurisme.
Met een ambitieuze dramaturgie en een publiek dat zich act per act mee verplaatst met de performers, brengt Tout va hyper bien beweging in het denken over en de belichaming van het toeschouwerschap. Hoewel niet iedere act de toeschouwer op een even diepgaande manier betrekt, zet de hyperbolische verzameling aan circusnummers de toeschouwer wel aan tot actie, uitgenodigd om zich erdoor te navigeren, niet alleen door te kijken, maar ook door het circus mee te maken. Daardoor voelt Tout va hyper bien als bij wonder best coherent aan. En af en toe, zoals dat gaat met belichaamde inhoud, verdwijnt de voorstelling, ontvouwt ze zich wankel en onvoorspelbaar. Nam je plaats op de piste, dan weet je niet hoe je ermee om moet gaan, gestuurd door samenwerking wordt je liefdevol uit je lood geslagen. De tribune biedt wat dan weer meer tijd voor contemplatie en de mogelijkheid de verregaande ontmoeting tussen toeschouwers en artiesten te overwegen als poëtische act op zich.
“Nam je plaats op de piste, dan weet je niet hoe je ermee om moet gaan, gestuurd door samenwerking wordt je liefdevol uit je lood geslagen.”
Tout va hyper bien is veel, en vol, maar – net als de Vogue-ende Luke Horley – ook genadeloos flamboyant in hoe ze de verhouding tussen de toeschouwer en het spektakel herschrijft. Lichamen gooien zich uitbundig en broos alle kanten op, weg van elkaar en weer tegen elkaar aan, weg van het publiek en tegen het publiek aan. Kan geluk zo’n rijke lading krijgen dat het een act op zich wordt? Les Malunés bewijzen gul van wel. Meer zelfs, Tout va hyper bien cirkelt vakkundig rond de kwetsbaarheid van geluk, van plezier, en doet dat dan nog eens in een urgent aanvoelende samenwerking met de toeschouwer. De voorstelling herdefinieert op die manier de dynamiek in de circustent op een bijzondere, duurzame manier. Dat laatste is misschien wel de beste truc van de voorstelling.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.