Johan Thielemans

Leestijd 7 — 10 minuten

Toneel over het Kanaal

Theater als politieke daad

De jonge Engelse regisseur Stephen Daldry heeft zich al een stevige reputatie opgebouwd en ook de aankomende generatie toneelauteurs lijkt veelbelovend. Volgens Johan Thielemans is dit beslist geen toeval.

Een bezoek aan Londense theaters is een vreemde ervaring geworden. Engelsen zijn met volledig andere dingen bezig dan hun collega’s in Nederland, Vlaanderen of Duitsland. Wat je er meemaakt getuigt van een verbluffende beheersing van het vak: je ziet indrukwekkende decors, jonge acteurs met een ongehoord métier, en je luistert naar teksten geschreven door landgenoten. Dat laatste is voor een Vlaming natuurlijk erg ongewoon. Het Engels toneel spreekt over Engeland, en het theater heeft er nog steeds een duidelijk politieke functie. Reeds meer dan twintig jaar hebben de belangrijkste theaterteksten van Howard Brenton, David Hare of David Edgar de versmachtende opkomst van het conservatisme kritisch begeleid. De sociale betekenis van een tekst wordt bij de critici hogelijk gewaardeerd. Ik lees bij ons zelden een zin die de strekking heeft van ‘this painfully funny, compassionate comedy goes right to the heart of contemporary Britain’, iets wat ik overschrijf uit de reclametekst waarmee het kleine Bush-theatre publiek lokt voor het nieuwe stuk The Mortal Ash van Richard Cameron. Die sterke betrokkenheid op de eigen situatie heeft tot gevolg dat deze toneelteksten een kleine internationale uitstraling hebben. De afbraak van de welfare state (nochtans een zorgwekkend internationaal fenomeen) heeft specifieke Engelse trekken, omdat de invoering ervan na de tweede wereldoorlog aangevoeld werd als een onomkeerbaar succes van de arbeidersklasse. Het moest de definitieve afbouw van de klassenmaatschappij betekenen. Van het ogenblik dat Margaret Thatcher de teugels in handen kreeg, kwam de ontgoocheling bij de linkerzijde als een bijzonder zware klap aan, want niets bleek heilig voor haar. Met de obsessie van de verdwaasde ideoloog gooide ze het systeem overhoop en creëerde om haar heen kommer en ellende. Over deze wanhoop, aan dit onaanvaardbaar failliet van een menselijk politiek systeem gaan vele stukken. Het merkwaardige hierbij is dat dit politiek protest geventilleerd werd in het officieel gesubsidieerde theater, want het was vooral vanuit het National Theatre en de Royal Shakespeare Company dat de rechtse bewindhebbers de zwaarste aanvallen te verduren hadden.

Dat alles verklaart gedeeltelijk waarom in Engeland de tekst een centrale plaats in het theatergebeuren is blijven innemen. Het theater wordt er gemaakt vanuit het standpunt dat regisseur en acteurs de inhoud moeten dienen, en zich dus moeten dienstbaar maken. Hier blijft het om de oude hiërarchie gaan waarbij de tekst de eerste plaats inneemt. Dit heeft enkele belangrijke gevolgen: het theaterleven heeft er minder narcistische trekjes dan bij ons, de theatercodes worden niet bevraagd omdat ze nog volledig dienstbaar blijken binnen het doel dat men zich stelt. Hierdoor is de activiteit van een belangrijk regisseur van een volledig andere orde, want hij gaat ervan uit dat hij een brede waaier aan activiteiten kan ontplooien. Het zuiver esthetische bezig-zijn kan zonder complexen gecombineerd worden met een activiteit in het commerciële entertainment circuit. Zo blijft Trevor Nunn één van de belangrijkste regisseurs van het klassieke repertoire ( met een paar schitterende Shakespeare-ensceneringen op zijn palmares), maar daarom voelt hij zich niet te min om grote musicals te regisseren. Hetzelfde geldt voor jongere collega’s. Nicholas Hytner bv. is verantwoordelijk voor spraakmakende opvoeringen van opera’s van Händel. Thans bekleedt hij een leidinggevende functie bij het National Theatre, waarvoor hij verrassend genoeg de musical Carousel heeft gemonteerd, een vertoning die dat jaar verschillende prijzen in de wacht sleepte en nu als commerciële productie te zien is op Broadway. Het is dezelfde Hytner die in het vrije circuit verantwoordelijk is voor Miss Saigon, de Vietnam-musical die nu al jaren in het Drury Lane Theatre Royal loopt, en ondertussen al evenveel succes op Broadway kent.

Nieuwe Schrijvers. Voor Vlaanderen, waar het schrijven voor toneel toch nog veel te vaak huilen met de pet op betekent, blijft het een mysterie hoe de Engelsen erin slagen om steeds maar nieuwe, ervaren toneelschrijvers voort te brengen. Zo is er dit jaar weer een nieuwe naam toegevoegd aan het lijstje van de Osbornes, de Weskers, de Ayckbourns, de Lucies of de Hamptons. De jonge schrijver heet John Harvey.

Waar blijven die jonge auteurs vandaan komen? Velen van hen hebben bij de aanvang van hun carrière wat te maken gehad met het Royal Court Theatre, een gezelschap dat zich sedert de jaren vijftig tot doel heeft gesteld om nieuw schrijftalent een kans te geven. De Royal Court zit echter niet stilletjes te wachten tot al die jongens en meisjes die iets voor de planken willen schrijven, met iets waardevols afkomen. Voor de Royal Court gaat het om een actieve politiek, en het uitproberen van strategieën om van pril talent gedegen schrijvers te maken.

In Time Out van 12 oktober lees ik dat de Royal Court om de twee jaar een festival van jonge schrijvers organiseert. Met dat doel voor ogen richt het gezelschap in Engeland en Noord-Ierland workshops in, waar schrijvers jonger dan 23 jaar samenwerken met een ‘tutor’ en een regisseur. Een jaar lang worden deze jonge talenten gevolgd, en deze methode blijkt succesvol, want dit jaar heeft de Royal Court uitsluitend teksten op het programma staan die geschreven zijn door vroegere deelnemers aan deze workshops. Onder hen bevindt zich dus ook Jonathan Harvey, 27 jaar. In Londen zijn er twee stukken van hem te zien, en zijn opgewekte komedies over homosexuele liefdes hebben al de aandacht van Broadway getrokken. Harvey schreef zijn eerste theaterteksten toen hij 17 jaar oud was en zich bij de Royal Court had gemeld. In het festival van dit jaar (dat in oktober plaats vond in de kleine zaal Royal Court Theatre Upstairs op Sloane Square) werd Looking for Home gecreëerd van de 15-jarige Hayley Daniel, een meisje dat na twee eerdere schrijfpogingen haar stuk op een professioneel podium ziet staan. Zoals blijkt ontstaat er geen traditie, maar maakt men die.

Nieuwe regisseurs

Onder de nieuwe regisseurs heeft Stephen Daldry een grote reputatie opgebouwd. Hij was de artistieke leider van het Gate Theatre en ondanks de schaarse geldelijke middelen wist hij tussen ’89 en ’92 van zich te laten spreken, niet alleen door de kwaliteit van zijn opvoeringen maar ook door de avontuurlijke keuze van zijn repertoire. Daldry heeft, na een bitsige strijd met Max Stafford-Clarke, de leiding gekregen over de Royal Court, wat het National Theatre niet belet heeft om hem ook bij hen produkties te regisseren. Dat moet niet verwonderen, want in zijn carrière die in 1984 begon, heeft hij reeds zowat alle mogelijke theaterprijzen in de wacht gesleept. Daldry is, zonder meer, de nieuwe sterregisseur in Londen.

De produktie die het meeste ophef heeft gemaakt, is An Inspector Calls van J.B. Priestley. Verrassend is dat omdat Priestley, ooit een successchrijver, al lang niet meer in de markt ligt. Zijn laatste succes dateert van 1947, al bleef hij schrijven tot aan zijn dood in 1984. Daar Daldry bekend staat als de regisseur van onbekende stukken uit het verleden, en An Inspector Calls niet tot deze categorie behoort, rijst de vraag waarom Daldry tot deze tekst aangetrokken werd.

Op deze vraag krijgt de toeschouwer tijdens de opvoering een zeer duidelijk antwoord. Priestley was een geëngageerd schrijver, en zijn stuk schreef hij in 1944-45 toen er een harde politieke strijd werd gevoerd. De voorbije oorlog had voor een grote ommekeer in de Britse mentaliteit gezorgd, en de Labour-partij zette alles op alles om aan de macht te komen, want ze had een programma dat de maatschappij grondig zou veranderen en een stap in de richting van Utopia zou vormen. Priestley’s stuk sloot perfect aan bij deze nieuwe geest. Hij liet het trouwens niet alleen bij het schrijven van deze tekst met een niet mis te verstane boodschap, maar hij nam zelf deel aan de verkiezingscampagne die Labour eclatant won.

In zijn stuk schreef hij aan de hand van een politie-enquête een aanval op de leidende kapitalistische klasse. De inspecteur, die op bezoek komt, kan aantonen dat een rijke, deftige familie verantwoordelijk is voor de zelfmoord van een jong meisje dat enige tijd eerder ontslagen werd. Stap na stap blijkt het morele failliet van deze familie, die een steunpilaar van de maatschappij lijkt te zijn.

De inspecteur kan dan ook op het einde van zijn onderzoek een aanklacht tegen deze mentaliteit formuleren en pleiten voor een betere maatschappelijke vorm. Priestley laat op deze climax een verrassing volgen. De inspecteur verdwijnt op een surrealistische manier, en de familie, constaterend dat er ‘niets’ gebeurd is, stapt onmiddellijk weer in de oude rol. Tot inkeer en besef komt de leidende klasse nooit. Ze reageert alleen als ze op haar misdadig gedrag betrapt wordt.

Het merkwaardige van deze tekst schuilt in de grote monoloog van de inspecteur. Hij klinkt wel erg nadrukkelijk als een zedenles, maar de woorden hebben een pijnlijk hedendaagse klank. Elk verwijt uit 1944 past volledig het huidige regime. De inspecteur pleit voor maatschappelijke solidariteit en in het programmaboekje drukt Daldry een citaat af van Margaret Thatcher: ‘Zoiets als de maatschappij bestaat niet. Er zijn alleen individuele mannen en vrouwen, en er zijn families.’ Het is bijna woordelijk wat de schuldigen uit het stuk beweren. Je krijgt wel een schok, want het lijkt wel of Priestley gisteren dat pamflet tegen de ongeremde reactionaire theorieën van de jaren tachtig geschreven heeft.

Om dat te beklemtonen heeft Daldry het stuk losgemaakt van de woonkamer waarin het speelt. Het huis van de rijke familie plaatst Daldry in een decor van straatstenen. Je bent steeds bewust van een ruimere context. Wanneer de inspecteur zijn aanklacht formuleert, verschijnt het proletariaat op de scène: het beeld van het arme, weerloze volk geeft een bredere, politieke betekenis aan de tekst. Het gaat hier dus duidelijk niet om een ‘interessante’ herneming van een bekend stuk. Het theater blijft het als zijn taak zien om een duidelijk politiek standpunt in te nemen. Ook bij de jongste generaties regisseurs.

Een andere constante van het Engels toneelleven blijft de kwaliteit van het acteren. Ook Daldry toont zich een waardig opvolger van zijn voorgangers. Daarbij zie je, onder meer, een schitterende vertolking van Paul Bettany, een acteur die in juli 1994 afgestudeerd is, en meteen bewijst dat ook hier de toekomst van het Britse theater verzekerd is, omdat ze over het Kanaal zulke wonderlijk goede toneelscholen hebben.

Een oprisping

Tot slot een kleine opmerking. In Brussel hebben we in oktober Les Liaisons Dangereuses door de Royal Shakespeare Company gezien. Dat liet het beste verhopen, want de Royal Shakespeare Company heeft dit stuk in 1985 gecreëerd. Voor de opvoering in Brussel werd de oorspronkelijke regie van Howard Davies opnieuw ingestudeerd onder de leiding van één van de nieuwe leiders van de troep, Michael Attenborough. Het resultaat was niet meer dan een wat routineuze lezing van de tekst. Het acteren echter liet veel te wensen over. Het ging duidelijk om een tweede of een derde rolbezetting, en leverde daardoor een heel slecht voorbeeld van wat het peil van het Engelse theater vandaag de dag is. In het (bijna nietszeggende) programmaboekje staat dat de RSC dank zij de internationale tournees de noodzakelijke fondsen binnenhaalt. Dat is noodzakelijk omdat de subsidies van de officiële gezelschappen flink zijn teruggeschroefd. Je hebt daar begrip voor. In Engeland hebben ze voor die tournees een grote waardering want dit gezelschap heeft er zelfs de Queen’s Award for Export voor gekregen. Maar het blijkt dringend noodzakelijk om de exportgoederen streng te keuren, want de produktie die we in Brussel te zien kregen, doet aan de reputatie van het Brits toneel geen goed. Ik hoorde vooral de kassa rinkelen.

Wie wil weten, wat het Engels theater echt aan kwaliteit in huis heeft, moet het Kanaal oversteken, een trip die dank zij de Chunnel steeds maar goedkoper wordt.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#47

15.12.1994

14.03.1995

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

artikel