Johan Thielemans

Leestijd 4 — 7 minuten

De toeschouwer als onderwerp van het politieke debat rond cultuur

Johan Thielemans was voorzitter van de Raad van Advies voor Nederlandstalige Dramatische Kunst en lid van diens opvolger, de Beoordelingscommissie voor Nederlandstalige Dramatische Kunst. Hij is sinds 1997 voorzitter van de Raad voor Kunsten. Van 1994 tot 1997 was hij voorzitter en sinds kort weer lid van de jury van Het Theaterfestival.

Als toeschouwer voel ik me vandaag in een rare hoek gedrongen. Ik ben onderwerp van het politieke debat rond cultuur. Ik krijg het gevoel dat ik niet vrij mag beslissen over wat ik met mijn vrije tijd doe. Men wil mij absoluut dingen opdringen. Ik moet behoren tot een groep die voortdurend moet uitdijen. Publieksbereik is zoals het heelal, een proces waarvan het einde nog niet in zicht is. Dat geeft me het ongemakkelijk gevoel dat ik moet worden ondergebracht in een grote groep mensen, die allemaal van hetzelfde overtuigd zijn. Ze moeten naar dezelfde voorstelling, naar dezelfde tentoonstelling, naar hetzelfde concert.

Dat er potentiële toeschouwers zijn, die nog overtuigd moeten worden, staat buiten kijf. Maar nu hebben de beleidsmakers ontdekt dat ze de massa in beweging moeten krijgen en dat is een andere paar mouwen.

Als puntje bij paaltje komt, dan draait de centrale vraag rond de functie van subsidies. Het politiek bestel wordt bereid gevonden om een grote som geld aan de kunsten te besteden. Maar daar moet dan iets tegenover staan. Dat geld komt van bij de burger en die burger moet dan ook laten blijken dat hij vindt dat zijn geld goed gebruikt wordt. Hij moet dus aan het kunstgebeuren deelnemen.

Deze nadruk op participatie, zo heet het, zal geen enkel effect hebben op het artistieke product zelf. Het klinkt politiek correct om te stellen dat de kunstenaar vrij moet zijn, sterker nog, dat die vrijheid, van de kant van de overheid, gegarandeerd moet worden. Dit is een loffelijk standpunt, want het wil zeggen dat de tussenkomst van de subsidiënt uitsluitend zorgt voor de noodzakelijke voorwaarden: voorwaardenscheppend beleid.

Het beleid heeft daarbij een lijstje van dingen die waardevol worden bevonden. Theater en dans behoren daar toe. In de voorbije maanden hebben we gezien dat de Vlaamse Gemeenschap bereid is gevonden om de middelen voor deze sector sterk te verhogen. De vrijheid van de kunstenaar binnen de podiumkunsten lijkt dan toe te nemen. Als toeschouwer kan ik daar alleen maar beter van worden. Want ik ga van concertzaal naar theaterzaal naar verlepte fabriekshal in de hoop dat de kunstenaar mij zal verrassen. De verrassing zal voortspruiten uit de vrijheid waarmee hij creëert. Daaruit zullen er waardevolle momenten voortkomen.

Maar het creatief proces speelt zich in een algemene context af, waarbij de Vrijheid’ onder druk komt te staan. Als sluipend gif doen de kijkcijfers overal traag maar zeker hun werk. Ze hebben de massamedia aangetast en niemand kan ontkennen dat de kwaliteit van de televisie achteruitgaat. Het entertainment wint  op alle vlakken en doet de kwaliteit wijken. Sterker nog, als toeschouwer mag ik niet te veel de nadruk op kwaliteit leggen, want de verantwoordelijken voor de mediasector hebben dat begrip rustig opgeborgen. Wat de grote massa kijkers wil, dat is waardevol. Je moet de mensen naar de mond spreken, dat pas geeft recht op bestaan. Het is een stelling die het hele veld van de informatie bedreigt. Zo heb ik als toeschouwer genoten van een politiek programma als Het Schaduwkabinet. Maar de ‘kijkers’ wilden het niet in voldoende mate, zodat vtm dat programma plots heeft afgevoerd. Ik heb geen protest gehoord, de intellectuelen hebben niet gepiept. Met een handomdraai wordt de commerciële televisie nog een stuk armer, en daar leggen we ons bij neer. Het is een logica die we voetstoots aannemen. Alsof de zakenwereld niet zou luisteren naar negatieve reacties op zijn gedrag. Tegen het geld kunnen we toch niet op.

De wereld van de kunsten staat niet buiten de realiteit. Dus hoor ik ook daar steeds meer de kreet dat er nu eens werk moet worden gemaakt van een grotere publiekswerving. Iedereen doet stoer: zowel de beleidsmakers als de kunstproducenten beweren bij hoog en bij laag dat dit de ‘kwaliteit’ niet zal aantasten. Ze hebben zelfs een argument in de discussie gesmokkeld dat geen tegenspraak duldt. Deelnemen aan het kunstgebeuren bevordert de democratie. Goede democraten gaan dan b.v. naar de opera en naar het theater. Tenminste als ze niet elitair zijn. Hoe geraken we van dat vieze woord ‘elitair’ (bah) verlost: door met zijn allen naar de vertoningen te stappen. (Waarom zien we de politici, zij die in onze naam de democratie belichamen, zo weinig bij concerten en theatervoorstellingen?) Als toeschouwer heb ik me over het democratisch gehalte van mijn handelen nooit zorgen gemaakt. Ik heb vooruitstrevende, zalvende, leugenachtige en conservatieve opvoeringen meegemaakt. Als ik het democratisch argument hoor, krullen mijn tenen, want ik ken iets van de geschiedenis en weet dat het opera- en theaterleven in Berlijn in het gezegende jaar 1942 bloeide. De democratie is er toen niet door gediend geweest.

Zo sta ik als toeschouwer wat ongemakkelijk in mijn schoenen. Ik wil naar een toneelvoorstelling omdat ik er nieuwsgierig naar ben. Ik heb gelijkgestemden nodig, want ik weet dat als ik alleen belangstelling heb, die vertoning niet kan plaatshebben. Maar ik wil ook vrij zijn om mijn belangstelling zonder enige voorwaarde te laten uitgaan naar gelijk welke kunstuiting, omdat ik die uiting interessant vind. Ik kan heel goed begrijpen dat iemand anders met mijn keuze niets te maken wil hebben. Zoveel vrijheid gun ik de ander.

Van de makers verlang ik dat ze ervoor zorgen dat ik na afloop vind dat ik twee uur in goed gezelschap heb doorgebracht. Dat deze tijd van mijn korte leven niet slordig werd vergooid. Dat noem ik de ervaring van ‘kwaliteit’, en daar komen getallen niet aan te pas. Voor de kwaliteit wil ik dat er gevochten wordt, door beleidsmakers, door medetoeschouwers, door de makers. En ik weet dat op dit ogenblik deze strijd met de dag moeilijker wordt.

 

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

artikel