Klaas Tindemans

Leestijd 3 — 6 minuten

There’s not too much going on anywhere in the city

Jeux Interdits, Brussel

Twee jongens, allebei rond de twintig, beginnen aarzelend, na enkele afleidingsmaneuvers – een cocktail, opgeluisterd met citaten uit Hamlet – aan een dialoog. Na enkele replieken houden ze er al mee op, nemen hun script, leggen uit waarom ze die dialoog niet verder kunnen zetten. Die dialoog is Paul Peyskens’ toneelbewerking van Less than zero, de cultroman (én bestseller van Bret Easton Ellis, een twintigjarige student) over verwende, aan coke verslaafde jeugd in Los Angeles.

De voorstelling heette oorspronkelijk ook Less than zero, maar dat kon niet meer. Veertien dagen vóór de première — beide acteurs vertellen het allemaal keurig aan de toeschouwers — waren ze alledrie, regisseur Peyskens en acteurs Hans-Maarten Post en Arne Skoglund, erg onvoldaan over hun bewerking. Less than zero kan enkel gelezen worden, elke transformatie is bij voorbaat mislukt, banaliseert enkel de spectaculaire anekdotes over sex zonder ziel, over dure verveling, over flauwe nostalgie. Mareks Kanievskas verfilming bewees dit overigens dubbel en dik. Arne Skoglund poneert dus brutaal dat zijn eenzaamheid als twintigjarige interessanter is dan die van Clay, de romanfiguur. Bovendien, zegt Arne, een roman over stilte kun je nooit omzetten in gesproken dialogen. Bij Clays vraag of het beter is te doen alsof je spreekt, dan niet te spreken, kiest hij voor het tweede.

Wie komt er dan in There’s not too much going on anywhere in the city aan het woord? Toch Bret Easton Ellis, in enkele typerende uittreksels uit zijn debuutroman: over masturberen op een motelkamer, over een week lang leven op champagne en Bourbon aan het strand, over de angst voor vliegtuigongelukken, over afstervende herinneringen. Hans-Maarten Post reciteert ze, met een dwaze glimlach, op een bezwerende, dwingende toon. Of Arne Skoglund, die over zichzelf vertelt, door een lied van Brahms — een tekst uit het boek Prediker, Oud Testament — of bij een geluidscassette met kerstwensen, die zijn grootmoeder hem zond uit het hoge noorden. En Hans-Maarten Post rondt af met enkele fragmenten van Hans Lodeizen, over het “geluk van het lichaam”, over de schamele troost van het vlees.

Paul Peyskens stelt zich met There’s not too much... buitengewoon kwetsbaar op. Met een minimum aan kwade wil beschuldig je hem van epigonisme en zelfplagiaat. Of van angst om theater te maken, om écht te ensceneren. Hij laat zijn voorstelling spelen in het Théâtre de la Balsamine, in twee ruimtes, precies dezelfde waarin Jan De Corte, drie jaar terug, zijn instant-Hamlet, In het kasteel speelde. Meer nog: Peyskens opent zelf ook met een Hamlet-fragment: koning Claudius’ terechtwijzing bij Hamlets melancholie, het tweede toneel. En opnieuw besluit Peyskens, veertien dagen voor de première, het stuk niet te spelen: net als bij zijn Rotterdams Winter’s Tale, vorige zomer. En net als bij K!T, de veelbesproken jongerenvoorstelling die hij maakte in opdracht van de Beursschouwburg en Oud Huis Stekelbees, gaat het tijdens de voorstelling meer over het stuk dat niet gemaakt kon worden, dan over datgene wat er in werkelijkheid gespeeld wordt. Machteloos navelstaren, zegt de oppervlakkige waarnemer, die niet ziet dat er meer aan de hand is.

Zelden immers heeft Peyskens zo’n sterk effect kunnen puren uit precies de relatie tussen theatrale onmacht en de onmacht bij zijn personages. Het “biografische” element, dat met name bij Arne Skoglund is uitgewerkt, is een aanleiding om de tekst (Ellis, Prediker, Lodeizen) concreet te maken, te theatralizeren. Theatralizeren in de betekenis van: een spanning tonen tussen lichaam en taal, tussen de acteur als individu en de acteur als personage. Bij Hans-Maarten Post werkt dit minder goed, omdat hij zich te gemakkelijk verschuilt achter een ijskoude glimlach en een geaffecteerd stemmetje. Zijn declamatie van Ellis’ flash-backs zijn daarentegen wel heel spannend, ze kluisteren je vast aan je zetel — overigens erg mooie meubels, een decor waar je zelf in zit, van Michel Van Beirendonck. Peyskens maakt niet de fout de anekdote van Ellis te plaatsen tegenover de anekdote van Skoglund en Post, en zich dan af te vragen: wie heeft er de meest interessante dingen te vertellen? Wat wel gebeurt, is dat twee mensen van vlees en bloed, in hun theatrale werkelijkheid, hun naaktheid als acteur, geplaatst worden tegenover extreem “artistieke” teksten, waar ze hun tanden op stuk bijten, waar ze hun (mooi) gelaat aan schenden.

In elke voorstelling — en als dit zelfplagiaat heet, dan moet er heel wat repertoire afgevoerd worden — benadert Paul Peyskens het drama van de jonge schrijver Kostja in Tsjechovs De meeuw, niet voor niets zijn lijfstuk. De kunstenaar begrijpt niet dat zijn kunst kunst-matig is, en enkel wrevel veroorzaakt, dat er voor authentieke appreciatie in deze wereld van wanhopige arrivisten (Hamlets Deense hof, Tsjechovs moedertje Rusland, de gevaarlijke freeways in Los Angeles) geen kans meer is.

Een droevig verhaal: de rest is stilte.

There’s not too much going on anywhere in the city

Script en regie: Paul Peyskens;

decor: Michel Van Beirendonck;

met: Hans-Maarten Post en Arne Skoglund.

Gezien op 22 mei 1988 in het Theatre de la Balsamine, Brussel. Officiële premiere voor België; 3 november 1988 in de boekentoren van de Rijksuniversiteit Gent.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#23

15.09.1988

14.12.1988

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.