Visies voor het veld: Wouter Hillaert
We moeten meer wakker liggen van Lanaken en Izegem
Wouter Hillaert
© Marit Stocker
Met The Isomo Project II presenteert choreografe Iris Bouche het resultaat van een collaboratieve queeste naar een ‘esthetiek van toegankelijkheid’. Bouche duidt dat ze ons – de al dan niet goed of slecht of afwisselend of eigenzinnig ziende toeschouwer – wil aanmoedigen om ‘anders naar dans te kijken en te luisteren’. Dat doet de voorstelling op een erg poëtische, delicate manier – met ronkende proza als audiodescriptie en piepschuim aan de vingertoppen. ‘Wat kunnen woorden met beweging? Wat kan beweging met woord?’, vraagt Bouche zich in haar inleiding af. Drie kwartier later zijn die vragen al wat meer beantwoord, maar blijkt vooral dat The Isomo Project II zelf iets in beweging brengt.
In white pleated trousers, peering through green
sunshades, looking for the way the sun is red
noise, how locusts hiss to replicate the sun
1
‘To relax a performance‘, schreven Chelsea Temple Jones, Kimberlee Collins en Carla Rice, ‘is to intentionally uphold its vitality by making it accessible to as many people as possible‘2. Ikzelf ben niet slechtziend of slechthorend, dus quasi alle ruimtes waarin ik me begeef zijn ontworpen voor lichamen als het mijne. Dat betekent ook dat veel drempels, en dus ook vormen van drempelloosheid, aan mij voorbijgaan. Ook in dit stuk (de voorstelling en deze tekst), in deze gedeelde ruimte (de zaal en deze tekst).
Het publiek kreeg een plek aangeduid en mocht het zichzelf comfortabel maken. De gemoedelijke houding van de publieksbegeleiders deed de naam ‘relaxed performance’ eer aan. Ik voelde dat de grenzen tussen binnen en buiten de zaal bewust poreus worden gehouden. De zaal voelt knus aan, omdat de grote tribune is vervangen door drie lage tribunes waaronder ligkussens liggen. Een beetje verlegen en vertwijfeld geeft het publiek elkaar materialen door – minikoepels in isomo, bamboestokken, een langwerpig bronskleurig object. Het zijn materialen die terugkeren in de muzikale installatie Isomopolis (1981) van de Antwerpse kunstenaar George Smits, die vooraan de scène is opgesteld. Het publiek wordt aangemoedigd om hun tastzin aan te wakkeren. Er hangt een weeïge geur van metaal in onze rij en aan mijn handen wanneer Iris Bouche het woord neemt. De choreografe is vanavond ook een audiobeschrijver. Ze vertaalt wat er te zien is naar woorden: dat is de premisse. ‘Wat kunnen woorden met beweging? Wat kan beweging met woord?’, vraagt Bouche zich in haar inleiding af. Drie kwartier later zijn die vragen al wat meer beantwoord, maar blijkt vooral dat The Isomo Project II zelf iets in beweging brengt.
Met The Isomo Project II wilde choreografe, artistiek onderzoeker en dansdocente Bouche experimenteren met audiodescriptie. Dat is nodig, stellen onderzoekers Nina Reviers en Piet Devos. ‘[…] Het aanbieden van audiodescriptie blijft […] vaak eenrichtingsverkeer dat de nadruk legt op de realiteit zoals goedziende mensen die ervaren, met echte inclusie van mensen met een visuele handicap heeft dat weinig te maken. daarvoor zou de doelgroep directer moeten kunnen participeren aan het produceren van cultuur’.3 Een multidisciplinair team dacht mee over een ‘esthetiek van toegankelijkheid’ en ‘poëtische audiodescriptie’ voor The Isomo Project: choreografe Iris Bouche; toegankelijkheidsexperte Joyce Vuylsteke; dansers Hernán Mancebo, Saïd Gharbi en Anya Senognoeva; muzikanten Lilli Proesmans, Kobe Proesmans en Joris Caluwaerts; dichter Max Greyson, sound designer Stef van Alsenoy en onderzoekers Nina Reviers, Sabien Hanoulle en Leni Van Goidsenhoven.4 Van Goidsenhoven was dit seizoen gastcurator bij NTGent, waarbij ze vanuit haar expertise binnen disability studies een paar voorstellingen – waaronder The Isomo Project II – en handicap op de agenda van het stadstheater plaatste. ‘Waar ik […] op inzet is het anders denken over diversiteit van lichamen, zintuigen en denkstijlen. Het gaat erover ons collectief voorstellingsvermogen op te rekken door op zoek te gaan naar de wenselijkheid van verschil’, stelde van Goidsenhoven in haar introductie als curator van de Fingerprints-lijn binnen het programma van het Gentse stadstheater.5
Toegankelijkheid in de podiumkunsten moet veelzijdig worden bekeken, stellen onderzoekers uit disability- en performance studies. Het is belangrijk om aandacht te besteden aan ‘logistieke’ toegankelijkheid, waarbij de nadruk ligt op aanpassingen in infrastructuur en technologie. Zich daartoe beperken is echter niet genoeg om de maatschappij daadwerkelijk inclusief te maken. Validisme – ‘de structurele uitsluiting van mensen met een handicap’ – structureert onze samenleving immers ook op ideologisch niveau.6 Men moet dus ook stilstaan bij ’the way work is developed, programmed, presented and opened to crip time, space and cultural principles‘ herhaalde theaterwetenschapper Bree Hadley.
“Hoewel er ook erkenning is voor het aandeel van andere zintuigen in de spectatoriale ervaring, blijft de verstrengeling tussen de podiumkunsten en ‘het optische’ hardnekkig.”
De etymologie van theater onthult hoe het ‘able’ lichaam mordicus als norm wordt aangezien – en dus ook als spectatoriale maatstaf. Theater stamt af van het Oudgriekse ‘θέατρον‘ dat letterlijk ‘daar waar gekeken wordt’ betekent. Die nadruk op de goed-ziende toeschouwer slingerde door de eeuwen heen en is ook nu nog steeds dominant. In haar seminaal boek The Semiotics of Theatre (1983) schreef theaterwetenschapper Erika Fischer-Lichte dat ‘the minimum preconditions for theater to be theater are that person A represents X while S looks on‘.7 In veel theatertheorie is S – de toeschouwer – iemand die goed kan zien. Hoewel er ook erkenning is voor het aandeel van andere zintuigen in de spectatoriale ervaring, blijft de verstrengeling tussen de podiumkunsten en ‘het optische’ hardnekkig.
Bouche, een van de stemmen van de voorstelling, duidt dat ze ons – de al dan niet goed of slecht of afwisselend of eigenzinnig ziende toeschouwer – wil aanmoedigen om ‘anders naar dans te kijken en te luisteren’. Dat doet de voorstelling op een erg poëtische, delicate manier – nergens weerklinken grote expliciete stellingen. Al doende, in een zevental korte aktes, bouwen de drie dansers, Bouche, de twee muzikanten (Kobe Proesmans en Aarich Jespers) en de materialen een klankrijke choreografie op waarin de visuele – maar ook de auditieve – lagen op zichzelf kunnen staan.

© Marit Stocker
The Isomo Project II belicht dat er meer is dan aan spel dan enkel schouwen. Dat je, zoals danser Saïd Gharbi op een bepaald moment beschrijft, ook met gesloten ogen kunt ‘observeren’. ‘Zijn vingertoppen strelen de klanken die hem omringen’, beschrijft Bouche de eerste choreografie van Gharbi. De danser zoekt de rand, ‘cherche le bord, cherche son chemin‘ declameert de danser. Taalpraktijken knetteren, vervlechten, dansen elegant en schokkerig door elkaar. Sommige stukken die niet in het Nederlands worden gesproken worden vertaald door Bouche, anderen niet. Je kunt de klanken strelen van de audiobeschrijving, van mengelmoezen Nederlands, Russisch, Spaans, Arabisch en Frans, van de trillingen die door bewegingen zijn achtergelaten.
De gehele tijd blijft de muziek zacht en nooit te dissonant. Onze hersenstam neemt plotse luide, dissonante, erg hoge- of lage frequentie-geluiden, waar als een dreiging. Voornoemde auditieve kenmerken komen mijns inziens opmerkelijk vaak voor in soundscapes van hedendaagse voorstellingen. Een gevoel van dreiging – bij de ene al intenser dan bij de andere – wakkert stress aan, waarna een performance al minder relaxed is. Ik weet niet of de behandeling van de muziek om die reden zo zacht was, vrij van schelle schommelingen. Het droeg voor mij alleszins bij aan de uitnodiging om ‘anders te luisteren’. Doordat de muziek niet opdringerig was, kon ik immers anders luisteren naar de gelaagdheid van de muzikale textuur. Een textuur die we eerder, middels haptische waarneming, hadden kunnen aftasten.
“The Isomo Project II is een goed voorbeeld van wat er te rapen valt wanneer de conventies van eentaligheid worden losgelaten.”
Ook de vloeiende meertaligheid spoorde aan om anders te luisteren naar tekst. The Isomo Project II is een goed voorbeeld van een voorstelling die de rijkdom naar voren brengt van wat er te rapen valt wanneer de conventies van eentaligheid worden losgelaten. Het belicht ook dat taal helemaal niet zuiver eentalig is als soms wordt gedacht. Uitspraken zoals ‘I go plié‘ maken de vloeibaarheid van taalpraktijken concreet.8 Hier fungeert ‘plié’ als een leenwoord; een woord waarin duidelijk de invloed van een andere taalpraktijk weerklinkt. The Isomo Project II is doorspekt met neologismen en zulke leenwoorden. Deze twee woordtypes zijn een mooie metafoor voor de fluïditeit van de taal. Ze vervreemden een taalpraktijk ‘van binnenuit’ en belichten zo de ‘interne meertaligheid’ van een taal. Neologismen en leenwoorden zijn momentopnamen van een taal in beweging.
Meertaligheid wordt vaak verbonden aan ‘onverstaanbaarheid’. Die associatie vloeit voort uit het idee dat verstaanbaarheid allereerst steunt op het letterlijke, lexicale verstaan van elke zinscomponent. Maar ook sonoriteit, de manier waarop iemand iets zegt, de toonhoogte, het timbre, de handbewegingen, stilte en de snelheid dragen bij aan hoe je een tekst kan ‘verstaan’. Wat voor de ene onvertaald is, is voor de andere bovendien een herkenbare taalpraktijk. Wat wel of niet wordt vertaald, onthult dus meestal iets over welke toeschouwer er als norm wordt beschouwd. Ook door andere vormen van talige verstaanbaarheid te ondersteunen, is The Isomo Project II een relaxed performance, ‘accessible to as many people as possible‘. In de laatste akte wordt verwoord hoe vertalen verder kan gaan dan woorden één op één omzetten naar een ‘andere taal’. ‘Seemingly random movements translate the music’, weerklinkt het tussen de dansers door.
In taal kunnen beelden schuilen, soms – maar niet altijd – als een beeldspraak. ‘Het lijkt alsof ze zweeft over het dansvlak’, zegt Bouche op een bepaald moment over Anya Senognoeva. Die danst als crêpepapier dat door de lucht wervelt en met een fenomenale empathie wanneer ze met de andere dansers over het dansvlak zwiert. Hernán Mancebo markeert zijn daadkrachtig vloeibare bewegingen met flarden Spaans, ploffen van voeten op de vloer en een energieke ademhaling. Met zijn drieën zijn de dansers zorgzaam – ze tasten elkaars randen af, zoeken gemeenschappelijke ritmes, eenzelfde tempo.
De audiobeschrijving is geen droge ekphrasis; het is ronkende proza. Nog zo’n mooie vondst is ‘in mijn verbeelding dans ik de woorden’. Het is een zin die misschien het beste beschrijft hoe The Isomo Project II voor mij voelde: als een ruimte waarin ’the sun red noise‘ kan zijn en woorden tegen de vloer kunnen schuren. Het belette me ervan met gejaagdheid te kijken en maande me zorgzaam aan om te luisteren. Niet alleen naar mezelf en mijn eigen ademhaling — niet alleen, besefte ik later, naar de voorstelling zelf. The Isomo Project II vertelt met vele zintuigen hoe kijken en luisteren anders kan dan binnen validistische normen. Het stuk heeft me aangemaand om ook de luidheid van die conventies te horen. In mijn latere verbeelding danste ik de woorden en verwoordde ik het gedans, de geur van metaal, de broosheid van isomo. The Isomo Project II is een genereuze, tintelende voorstelling die blijft nazinderen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.