Jan Lauwers

Leestijd 12 — 15 minuten

State of the Union: Het eeuwige vergeten begrijpen

uitgesproken tijdens de opening van het theaterfestival 2005 in de aula van het KBC-gebouw in Brussel

Als kunstenaar is er maar één manier om te overleven. Die is: zo goed mogelijke kunst maken. Dat vraagt veel oefening, veel rotzooi maken, veel vernietigen en nooit versagen. Voortdurend in vraag stellen, je eigen beelden in het gelaat spugen en op hun hart trappen. Elke dag experimenteren. Elke dag je doel in vraag stellen. Elke dag weten dat je zult falen.

Kunst is moeilijk. Het is al vaak gezegd maar het is de enige waarheid. Wat betekent theater binnen het gedachtegoed van kunst?

Het laatste waar men aan denkt als men over kunst spreekt is theater. En toch meen ik dat theater een zeer goede kunstvorm is.

Het is eigenlijk door enkele frivoliteiten dat theater een stiefmoederlijke behandeling krijgt: de ijdelheid van de acteurs, de valse autoriteit van de regisseur, de tragedie van het applaus.

In kunst wordt niet geapplaudisseerd. Kunst is een ernstige aangelegenheid. Kunst is namelijk moeilijk.

Bovendien is theater economisch niet interessant als kunstmedium. Omdat het niet buigt voor de wetten van het kapitalistisch systeem. Men kan niet rijk worden in theater. De kans om als beeldend kunstenaar rijk te worden is zeer beperkt. De kans om als theatermaker rijk te worden is onbestaande. Dat bevalt me wel.

Zowat alle ‘officiële’ pogingen om verzet te plegen tegen de allesoverheersende kunstmarkt met zijn leger aan slaafse volgelingen onder de leiding van een machtig museumdirecteur ‘die ondanks zijn bevlogen passie braaf de marktwaarde van bestaande kunstwerken vanbuiten kent’ zowat al die pogingen, of het nu een idioot futuristisch manifest is, of een actie van de groezelige Wiener Aktionisten, ze worden allemaal netjes afgebogen naar rendement en belegging. En dit lean dus niet in theater. Men kan er niet beleggen. Integendeel: er moeten subsidies ingestopt worden wil het overleven. En omdat er subsidies ingestopt worden hebben veel mensen er een uitgesproken mening over. Mensen die kunst verwarren met entertainment bijvoorbeeld. Zoals de discussies van het afgelopen jaar steevast aantoonden. Heel wat mensen die zichzelf rekenen tot het ‘gewone volk’ menen precies te weten wat dat gewone volk nodig heeft. De zogenaamde populisten.

En wat heb ik een hekel aan populisme. Eén derde van de Vlaamse volwassenen stemt op de populisten bij uitstele, het Vlaams Belang. Ik ben het beu te moeten horen dat de kiezer altijd gelijk heeft. De kiezer die vindt dat de vluchteling in de goot voor zijn zuurverdiende deur te hard stinkt. Die massa ‘want het zijn er velen die voor onverdraagzaamheid stemmen wat heb ik daar een hekel aan.

En zeker aan de zogeheten smaak van die massa. In het theater zijn enkel individuen welkom. En ik hoop dat ze met velen zijn. De massa is me te onbetekenend, te makkelijk te manipuleren. En in deze wordt de macht van de pers duidelijk onderschat. De man die het meest over kunst mocht komen praten het voorbije jaar op de vrt was Filip Dewinter. Men merkt dat bijna alle pers buigt voor het populisme. Ik las onlangs een wrang interview met Karl van den Broeck in Etcetera, een tijdschrift dat koppig tracht te overleven in de woestenij van de schrijvende pers. De geïnterviewde zei dat reality tv en Pieter Aspe avant-garde zijn, dat het meest baanbrekende werk dat hij het voorbije seizoen gezien had een voorstelling was waar nog echt werd geacteerd en een decor nog echt een decor was. Als voormalig chef cultuur van De Morgen, inmiddels hoofdredacteur van Knack, verwacht ik van Karl van den Broeck iets meer nuances. En helaas, zo is de toon van vele recensies en artikels die we te lezen krijgen. Ja, ik weet dat de meeste critici geen kans meer krijgen. Dat ze geen controle hebben op de eindredactie van hun schrijfsels. Niet eens de titel mogen bepalen. Dat ze wegens onmogelijke deadlines ‘s nachts een recensie moeten schrijven. Ik kan u verzekeren: als kunstenaars zo zouden werken bestond kunst allang niet meer. Ik wil hier nu geen state of the union over de pers houden maar pers en kritiek zijn te belangrijk om in handen te laten van het alles overwoekerende populisme.

Er moeten dringend strengere criteria komen. De betere critici weigeren meer en meer te werken voor de dagbladen die tijd noch ruimte noch geld overhebben om enige diepgang toe te laten. Ik hoef geen kadertjes met oordeelsterretjes. Daar heeft echt niemand iets aan.

Neen, ik wil interessantere vragen gesteld zien. Vragen naar het onderscheid tussen repertoiretheater en auteurstheater, presentatie en representatie, vorm en inhoud, kwantiteit en kwaliteit, lifestyle en kunst. Nu vormt het ego van de kunstenaar steeds meer het onderwerp. Als men in de dagbladpers een artikel leest over Luc Tuymans komt men niks te weten over zijn kwaliteit als schilder maar over hoeveel er op zijn bankrekening staat, om maar één voorbeeld te noemen. Er is nochtans voldoende kwaliteit bij de schrijvende critici aanwezig en het is jammer dat ze steeds vaker hun toevlucht moeten zoeken tot de vakbladen. Het dient gezegd: gelukkig bestaan er initiatieven als rekto: verso, de witte raaf of Etcetera. En laat die maar elitair zijn.

Op het moment dat Johan Reyniers me telefonisch de vraag stelde of ik dit jaar de state of the union wou maken, zat ik in een hotel in Québec en had ik net een televisieinterview achter de rug. De journaliste in kwestie (haar naam heb ik nooit geweten) vroeg me waarom wij Vlamingen zon radicaal anders en heel interessant werk maken. Ik zei dat ik de vraag niet echt begreep en dat de gezelschappen die zij opsomde ‘Troubleyn, Ultima Vez en Rosas’ bestaan uit tientallen verschillende nationaliteiten en geleid worden door kunstenaars die in de eerste plaats hun Vlaming-zijn aan de kapstok hebben gehangen. Zij insisteerde door ook nog te melden dat ze in Québec de Vlamingen vooral kenden via Jacques Brel en dat dat nogal een negatief beeld gaf van machthebbers die de Franstaligen onderdrukten en dat wij dat beeld hebben veranderd. (Onze minister van cultuur zal dit graag horen). Ik onderbrak haar en zei dat Jacques Brel een kunstenaar was en dat als kunstenaars politiek bedrijven, dat meestal gepaard gaat met warrig sentiment.

Ik vertel deze anekdote omdat ik vaststel dat er meer en meer vragen gesteld worden rond nationaliteit en ik constateer dat de enige manier om een betekenis te geven aan je nationaliteit is: die nationaliteit totaal negeren.

Maar ik ben waarschijnlijk slecht geplaatst om hierover iets zinnigs te vertellen. Ik ben namelijk een man zonder stad. Ik ben in Antwerpen geboren en ben er als volwassen man weggegaan toen ik vaststelde dat ik een echte arrogante, licht-xenofobe Antwerpenaar was en dat ik dat niet leuk vond. Maar ik voelde dat een man een stad nodig heeft en sindsdien ben ik op zoek. Ik heb in Gent, Frankfurt, Sevilla geleefd, ik woon nu in Brussel en reis de helft van mijn tijd van de ene stad naar de andere maar geen enkele overtuigt me, voor geen enkele wil ik sterven. En is dat niet de essentie van nationalisme: dat je wil sterven voor je vaderland? Als je dan leeft in een verbrokkeld land waar iedereen maar wat aansjoemelt en het woord nationalisme vooral in de mond genomen wordt door mensen die soms wel erg verkeerd denken danben ik blij dat Needcompany en de andere hoger genoemde groepen zon overweldigend succes hebben opgebouwd.

En dat het dan plots erg Vlaams genoemd wordt, is enkel curieus te noemen en berust louter op toevalligheden en een goed subsidiesysteem.

Want Vlaanderen heeft een goed subsidiesysteem voor theater en dans. Dat maakt het mogelijk om op een beperkte maar comfortabele manier te werken. In het toekomstige Europa zouden we dit systeem als voorbeeld moeten stellen voor de andere landen. In welk land is het mogelijk om op het grootste podium vier Marokkanen de hoofdrol te laten spelen? In welk land is het mogelijk om buitenlandse kunstenaars dezelfde kansen te geven wat subsidies betreft? In welk land kan een filosofisch tijdschrift van het hoogste niveau gratis worden verspreid? Dit kan alleen in Vlaanderen. En dit kan alleen in Vlaanderen omdat we niks te maken willen hebben met een eng en vervelend nationalisme.

Is het u trouwens opgevallen dat de groepen die de Canadese journaliste opnoemde vooral dansgroepen zijn? Alle grote festivals en alle prijzen die Needcompany in de wacht sleept vallen bijna uitsluitend onder de noemer dans en ik ben helemaal geen choreograaf. Zo won De kamer van Isabella dit jaar de prijs van de critici voor beste dansproductie in Frankrijk. We hebben dan maar onze prima ballerina Viviane De Muynck de prijs in ontvangst laten nemen. Het internationalisme van de dans is evident. Voor theater is het enkel exotisch.

Ach, het leven van een internationaal theatergezelschap. Het is een curiosum. Zo waren we onlangs in Riga. Het was er veertien graden op het podium. Ik vroeg of de verwarming wat hoger kon voor de dansers. Er ontstond enig tumult. Er werd wat heen en weer getelefoneerd en plots was iedereen verdwenen. Na enkele uren kwamen we te weten dat de verwarming van het theater was aangesloten op de centrale verwarming van het voormalige communistische woonblok waarin het theater gelegen was. Als de verwarming hoger werd gezet gebeurde dat tegelijkertijd in 800 appartementen. En dit kon niet in de maand mei zonder uitdrukkelijk bevel van de hoogste instanties. Of wat te denken van de e-mail van een festivaldirecteur in Jeruzalem, die stelde dat ik het hoofd boog voor het internationale terrorisme als we niet op zijn festival zouden spelen?

Onlangs had ik een gesprek met een Iranees festivaldirecteur, die ons wou uitnodigen voor een groot festival in Teheran. Hoe kan je nu gaan werken in een land waar de kans reëel is dat één van je homoseksuele medewerkers wordt opgeknoopt? Einstein noemde nationalisme een kinderziekte van de beschaving, maar internationalisme is ook niet evident. Te veel exotisme, te veel wereldproblemen die je even moet oplossen. Maar ik dwaal af. We hadden het over subsidies.

Ik zat dus in Canada toen ik dit schreef. Ik loop een voedingswaren winkeltje binnen en koop een pot yoghurt voor de dansers. In opperste verbazing staar ik naar het gelaat van Viviane De Muynck, afgeprint op het yoghurtpotje. Een foto van haar als Isabella, geplukt van onze website en gebruikt als reclame. Ik had hier geen weet van, maar begreep dat onze tournee hier gesponsord werd door een of ander zuivelproduct, dat dan nog wel biologisch verantwoord was! Een saaier imago kun je je niet voorstellen. Leve de vrije markt. Weg met de subsidies? Niks van. Weg met de yoghurt.

Subsidies zijn een democratisch middel om de minderheid te beschermen tegen de meerderheid.

Stel je voor dat we de subsidies voor soldaten zouden in vraag stellen. Wel, beste soldaat, u mag ons land verdedigen maar u moet wel voor uw eigen eten en geweer zorgen. Geen probleem, zegt de soldaat en gaat op pad. Hij ziet in de verte een boerderij en denkt: daar vind ik wel eten. Hij klopt aan. De boer doet open. De soldaat zet een mes op de keel van de boer en zegt: ik wil een kom soep en dan zal ik u verdedigen. Grijs van angst geeft de boer hem een kom hete soep. Nu vervangen we de soldaat door pakweg een acteur zonder subsidies. De acteur klopt aan bij de boer maar heeft geen mes. Hij zegt: boer, ik wil een kom soep. Waarom zou ik een kom soep geven? Als je me geen kom soep geeft dan zeg ik hier recht in je gezicht een monoloog van Jan Fabre. Oh nee, schreeuwt de boer, geen monoloog van Fabre, geen monoloog van Fabre… Ach, steeds maar weer moet kunst zich verdedigen. En steeds maar weer maakt kunst zich belachelijk. Waarom moeten kunstenaars zich altijd verdedigen? Waarom wordt er altijd zoveel sociale en politieke correctheid geëist van kunstenaars? Ik denk dat het te maken heeft met de vrijheid die ze symboliseren. Ze zijn weerloos omdat er geen macht aan die vrijheid gekoppeld wordt. Enkel verantwoordelijkheid. En kunstenaars hebben nu eenmaal een verantwoordelijkheid te dragen. Kunstenaars staan hoog op de maatschappelijke ladder. Maar tegelijkertijd eist men steeds meer dat kunst zich met politiek bezighoudt, dat kunst zich engageert. Dat kunst moet ophouden zich elitair te gedragen.

Kunst die niet elitair is, wat is dat eigenlijk? Volkskunst misschien? m^am^mmggm

Is elke vorm van kunst die zich manifesteert in oppervlakkige politieke uitspraken in essentie niet te herleiden tot entertainment? Kunst moet met beide voeten in de maatschappij staan. Kunst speelt zich af in het schemerdomein waar verdichting en realiteit elkaar in de weg staan en het is aan de toeschouwer om te bepalen wat de betekenis is van het geheel.

En dat is het verschil tussen kunst en vermaak. Kunst kan enkel gebruikt worden voor strikt politieke doeleinden als de interpretatie van de realiteit een confirmatie is van wat de toeschouwer reeds kent. Waardoor de toeschouwer niet zelf kan bepalen wat de betekenis is van het geheel maar stomweg aanneemt dat wat hij ziet de waarheid is. Daarom is ‘politiek geëngageerde’ kunst een vals begrip en reduceert het kunst tot entertainment. Omdat politiek reeds een beperkte interpretatie van de realiteit is en kunst daardoor zijn opdracht niet kan vervullen: namelijk de toeschouwer overtuigen niet bang te zijn van de vrijheid die ontstaat als de realiteit niet als een evidentie geconfirmeerd wordt. Om het eenvoudiger te zeggen: een Amerikaanse vlag verbranden of een allochtoon de hoofdrol geven niet omdat hij goed is maar omdat hij allochtoon is, heeft niks met kunst te maken maar met politiek en demagogie. Politiek is politiek en kunst is kunst, maar beiden moeten ze bezig zijn met het leven zelf. Daar en daar alleen gaat het over. Daar en daar alleen zullen ze zich verenigen. En er zijn andere media genoeg om politiek mee te bedrijven. Persfotografie bijvoorbeeld. Het verschil tussen een beeld van verhongerende mensen in Afrika en een kunstbeeld is dat we bij de persfoto kijken naar die mensen, goed wetende dat het ons nooit zal overkomen. Het zijn beelden waarvan we eisen dat ze dé realiteit weergeven. Maar we willen niet dat ze terugkijken. En een kunstbeeld moet altijd terugkijken, omdat het niet zomaar de realiteit wil weergeven. Omdat kunst nooit de wereld kan veranderen en nooit de waarheid als doel stelt. Het is terugkijken en vragen stellen. En het is aan de recensenten en kunstwetenschappers die vragen te duiden. Is entertainment in theater dan uit den boze? Natuurlijk niet. Entertainment komt altijd om de hoek kijken. En het is eigen aan de grootste kunstenaars dat zelfs de somberste vragen die ze poneren licht, helder en vol humor zijn.

Het is en blijft eigen aan grote kunst dat het ondanks alles schoonheid en troost zoekt.

En daardoor is de scheidingslijn tussen kunst en entertainment zo delicaat. Maar er dient een onderscheid gemaakt te worden. Als entertainment het doel is, is het geen kunst. Ik schat kunst hoog in. Ik ben niet iemand die zegt dat kunst nutteloos is. Ik word boos als weer eens een filosoof de kunst afschaft. Wat betekent het een kunstenaar te zijn in deze maatschappij, in deze tijden? Tijden waarin meer en meer bewezen wordt dat wij, geboren en getogen in het rijkste deel van deze planeet, het meeste angst hebben, het meest van onze neus maken, stemmen op fascisten en tegelijkertijd betogen tegen oorlog, geweld en het gat in de ozon en eisen dat het verandert zonder er iets voor over te hebben. Zonder dat we eigenlijk willen dat er iets verandert.

En in die wereld moet theater trachten te overleven. En kijk, dat gebeurt dus moeiteloos. Net zoals kunst altijd heeft bestaan en altijd heeft overleefd. Net zoals de schorpioen van Orson Welles. Een paar jaar geleden had ik een gesprek met Rudi Laermans die me zei dat we beter zouden stoppen met theater maken. Dat het totaal zinloos was geworden. Dat bracht me toen in de war. Had die koppige denker het niet bij het rechte eind? Nu weet ik: als je theater afschaft, schaf je tegelijkertijd het meest onaantastbare medium af dat ooit is uitgevonden. Theater is het medium bij uitstek dat nooit is veranderd. Er zijn slechts accentverschuivingen die te wijten zijn aan de tijdsgeest. Het is net zoals bij de tekenkunst: een tekening van Michelangelo, Beuys of Klimt – er is geen noemenswaardig verschil. Het gaat om iets anders dan originaliteit en ego, het gaat nu eenmaal en, ondanks alles, nooit over vernieuwing, maar over een soort archivering van alles wat met de mens te maken heeft. En daardoor is het soms moeilijk het kaf van het koren te scheiden. Theater wordt vooral door de theatermakers zelf niet ernstig genoeg genomen. Er zijn in het theater te weinig daden te bespeuren die echt noodzakelijk zijn. Ik zie in andere media veel radicalere gedachten. Vroeger weet men dat aan de eigenheid van het medium. Nu kan men zo iets niet meer zeggen.

Als men nu zegt dat theater niet interessant is, dan is dat alleen omdat er niet genoeg interessant theater gemaakt wordt.

Theater heeft geen repertoire nodig maar kunstenaars. En het is ook duidelijk te zien hoe groot de invloed van het medium theater is in de andere kunstmedia: Dogville van Lars von Trier, de Cremasters van Matthew Barney, de foto’s van Jef Wall, de beelden van Paul McCarthy. Het mooiste voorbeeld zijn de dansende suppoosten van Tino Sehgal. In zijn poging de beeldende kunst te herdefiniëren, herontdekt hij het theater in zijn zuiverste vorm. Het is noodzakelijk dat meer kunstenaars zich bezighouden met theater. Want alleen kunstenaars kunnen een medium herdefiniëren. En het is precies die kant van kunst, namelijk kunst als herdefinitie van zichzelf, die nog te veel ontbreekt in het theater. Dat is de reden waarom een aantal zogezegd Vlaamsetheatermakers zo hoog scoren in het buitenland: omdat die pogingen in Frankrijk of Duitsland, waar bijna uitsluitend het conventionele repertoiretheater van belang is, bijna geen kans krijgen zich te ontwikkelen. Maar: theater is moeilijk. Waar je als beeldend kunstenaar je eigen virtuositeit moet verpulveren om tot andere vraagstellingen te komen, heb je als theatermaker die virtuositeit nodig. Omdat theater veel complexer is als medium, althans het theater dat ik vooropstel: theater waarin alle verschillende media die nodig zijn, samenkomen in het ‘beeld’. Is repertoire dan overbodig? Zeker niet, ik heb zelf wel eens een Shakespeare gedaan. Maar dan ben ik eerder regisseur dan kunstenaar.

Vroeger, toen men nog niet twijfelde aan het bestaan van God, was alles helder en gemakkelijk. Een kunstenaar als Da Vinci werkte enkel en alleen voor de kerkfabriek, zeg maar. Terwijl hij de Mona Lisa schilderde, ontwierp hij eveneens gevechtshelikopters voor het privé-leger van God. En iedereen was het er over eens dat hij een goed kunstenaar was. Het kader was helder. Heeft de vorige eeuw ons de das omgedaan? Te snel? Te oppervlakkig? Te veel nieuwe dingen waar we nog niks van begrijpen? Een eeuw met te veel doden, te veel leugens en bedrog, te veel uitvindingen en te veel vuiligheid? Te veel westerse suprematie? Te veel exotisme en valse verdraagzaamheid? Met een God die door de ene dood is verklaard en door de andere belachelijk wordt gemaakt. Of is dit nu juist de ideale biotoop voor goede kunst?

En is daardoor kunst niet meer dan noodzakelijk?

En moet kunst dan niet zeer ernstig bedreven worden?

Ik denk dat de meeste kunstenaars zeer ernstige mensen zijn.

En dat er veel manieren zijn om die ernstige taak te vervullen. Kunst kan donker en obscuur zijn. Sommige kunstwerken maken me depressief. Sommige zijn licht en helder. Andere doen me glimlachen. Weer andere doen me van afschuw de blik afwenden. Sommige zijn virtuoos en pretentieus. Andere kruipen van schaamte in een hoekje omdat ze weer mislukt zijn. Ze staan er allemaal, het ene al meer opvallend dan het ander, stilzwijgend toe te kijken als koppige getuigen van de onmetelijke vergissingen die de mens in naam van zichzelf heeft begaan. En ze hebben één ding gemeen: ze zijn allemaal geboren uit de zo noodzakelijke liefde voor diezelfde mens die steeds maar weer vergeet en vergeet en vergeet. En dat is nu precies de functie van kunst, en dus ook van theater: dat eeuwige vergeten begrijpelijk en daardoor draaglijker maken.

*Met dank aan Rilke, McEwan en anderen

statement
Leestijd 12 — 15 minuten

#99

15.12.2005

14.03.2006

Jan Lauwers

Jan Lauwers is een multimediale kunstenaar. Sinds de jaren 1980 werd hij voornamelijk bekend met zijn theaterwerk, eerst met Epigonentheater zlv, vervolgens met het gezelschap Needcompany, opgericht in Brussel in 1986.

statement