Jan Goossens

Leestijd 5 — 8 minuten

De stadstheaters als cultuurhuizen

Etcetera 70 propageert in zijn redactioneel een enge en misschien zelfs voorbijgestreefde visie op het fenomeen stadstheater, stelt KVS-dramaturg Jan Goossens.

Is het omdat het redactioneel in Etcetera 70, met als titel De ongewisse toekomst van de Vlaamse stadstheaters, behoorlijk tendentieus is en niet erg oprecht over zijn eigen reactionaire intenties, dat werd beslist er geen naam onder te plaatsen? Als men met dit soort stemmingmakerij een expliciete oproep aan ‘de diverse adviesorganen’ van de cultuurminister richt, waarom dan niet met open vizier strijden? In ieder geval is het een hele prestatie om de schat aan samenwerkingsinitiatieven in de theatersector van Het Toneelhuis, het NTG en de bottelarij/KVS én vele anderen cynisch van tafel te vegen zonder enig echt begrip van en voor de uitgangspunten en de intenties waar ze uit voortkomen. Alsof ‘financiële noodzaak’ en ‘de aanloop naar de subsidieverdeling voor de periode 2001-2005’ inderdaad serieuze en doordachte argumenten zouden kunnen vormen voor de ingrijpende manier waarop er momenteel op diverse plekken deuren worden geopend. En alsof de uitspraken van Jan Lauwers op zijn veelzeggende persconferentie, met alle respect, niet op de eerste plaats werden ingegeven door zijn eigen en gerechtvaardigde machtsdenken en carrièreplanning die bepaalde zuivere en respectvolle samenwerkingsverbanden blijkbaar in de weg staan. Bovendien moeten we wel proberen een kat een kat te blijven noemen: Vlaamse gesprekspartners van het ‘establishment’ verwijten dat ze je enkel willen ‘recupereren’ en dan zelf – toegegeven, zeer boeiende – samenwerkingen aangaan met buitenlandse mastodonthuizen en -gezelschappen als het Ballett Frankfurt, het Schauspielhaus Hamburg en de Berlijnse Schaubühne, zoals de Needcompany nu volop doet, zou met wat slechte wil ook van een vreemde logica kunnen getuigen; ik vermijd dan zorgvuldig het woord ‘onnozel’. Om al deze redenen vond ik deze persoonlijke reactie dus nodig, ook al is ze dan in grote mate ingegeven door mijn ervaringen als dramaturg van de bottelarij/ KVS in Molenbeek.

Ik betwist ten zeerste dat het de bottelarij/Kvs er om te doen is nog ‘groter’ te worden, dat ‘schaalvergroting’ het enige opzet is en dat we zo willen gaan behoren tot die ‘enkele directies’ die het Vlaamse theaterbeleid bepalen. Misschien is een gedeeltelijke schaalvergroting het logische en onvermijdelijke gevolg van een aantal zeer doordachte beleidskeuzes, die alles te maken hebben met de manier waarop we als stadstheater in de stad Brussel op zinvolle en bewuste manier denken te moeten functioneren. Voor zover ik de motivaties van Luk Perceval en zijn team en de situatie in Het Toneelhuis kan en moet beoordelen, lijkt me dat ook daar de voornaamste bekommernis.

Trouwens, welk verwijt wordt de drie grote stadstheaters precies gemaakt? Dat blijft vaag en tegenstrijdig. Heeft men er een probleem mee dat de bottelarij/Kvs aan de Needcompany mee ‘onderdak’ bood in het nieuwe en gigantische complex in Molenbeek? Zonder dat het daarom meteen tot een artificiële inhoudelijke samenwerking moest komen? Is dat echter niet het beste bewijs dat de bottelarij/ kvs niet streefde naar gelijk welke vorm van monocultuur? We trachten enkel te stimuleren dat andere Brusselse partners mee gebruik kunnen maken van de veelzijdige infrastructuur die daar momenteel op poten wordt gezet. Vandaar ook onze uitgestoken hand naar het rits. En gaat men Luk Perceval nu echt aanrekenen dat hij met de jonge theatermakers en gezelschappen die hij in Het Toneelhuis uitnodigt, ook een gezond ‘discours’ op gang wil brengen dat voor beide partijen inspirerend is? Volgens mij heeft dat niet op de eerste plaats te maken met de ambitie om een groot productiehuis à la Kaaitheater te worden, en nog veel minder met een of andere vorm van machtsdenken. Beide initiatieven leken me precies een zeer duidelijk antwoord te bieden op ‘de actuele noden van het veld’ waar zo fijntjes naar verwezen wordt. De Needcompany is een groot Brussels gezelschap dat momenteel geen echte speelplek heeft; en aan communicatie tussen de diverse deelnemers aan het Vlaamse theaterleven lijkt me ten allen tijde een grote behoefte te bestaan. Brussel is net als Antwerpen en Gent een grote, gelaagde en complexe stad. Bovendien is het gezelschap van de kvs niet langer behuisd in een traditionele schouwburg in de Lakensestraat, maar in een postindustrieel complex in een wijk van Molenbeek waar zowat 80% migranten leven en zouden willen werken. In het beleidsplan dat we opstelden voor de volgende subsidieperiode hebben we enkel en alleen getracht onze ogen zo wijd mogelijk te openen voor die onontkoombare realiteiten. Dan kan je niet anders dan tot de conclusie komen dat je je niet mag beperken tot je eigen gezelschap en eigentijds repertoiretheater, hoewel dat uiteraard centrale elementen van onze werking blijven. Wij willen ons echter ook scherp bewust zijn van onze positie in de hoofdstad van Europa; daarom het Euro Theater Festival en de Europa-lezingen. Wij vinden dat we een heel belangrijke taak hebben op het vlak van de doorstroming van jonge acteurs en makers; daarom heeft Paul Peyskens de stokerij opgestart. En de bottelarij moet geworteld zijn in de wijk waar ze is gevestigd; daarom een zeer uitgebreide reeks buurtinitiatieven. Tot slot menen we ook een zekere receptieve verantwoordelijkheid te hebben. Als gezelschappen als De Tijd, het Nieuwpoorttheater, De Roovers, het RO Theater, Theatergroep Hollandia of De Trust/Art en Pro geen speelplek in Brussel hebben, moeten we die dan buiten de deur houden? Als er met die gezelschappen op lange termijn ook artistieke uitwisselingen mogelijk zijn, des te beter. Maar dat is zelfs niet de eerste bekommernis. Zij verdienen het gewoon hun werk in Brussel te kunnen tonen. Dat heeft niets met een of andere opgeklopte concurrentieslag met het Kaaitheater te maken. Daar is men nu net met andere dingen bezig. Evenmin kaderen die openheid en die initiatieven in verdoken pogingen om een kunstencentrum uit te bouwen. Misschien is dat ten dele een onvermijdelijk gevolg. De schrijvers van het artikel geven echter zelf aan dat de jaren 80 en de glorieperiode van de kunstencentra voorbij zijn. Dus proberen we in de bottelarij/KVS nu precies antwoorden te vinden op die ‘actuele noden van het veld’, in Brussel anno 2000. Niet om tot een of andere ‘monocultuur’ te komen, wel om de diversiteit en het pluralisme die we dagelijks rondom ons zien en voelen een juiste en interessante weerspiegeling te laten vinden in het artistieke beleid van een groot stadstheater in de stad Brussel. En dan komen heel veel dingen in beweging en ontstaat er inderdaad even een verwarrende maar noodzakelijke onduidelijkheid.

Bijna gevaarlijk is de manier waarop intenties en initiatieven waar het ten allen tijde om zou moeten draaien, in het redactioneel op verdoken wijze verdacht worden gemaakt. Zouden we niet beter intens discussiëren over de vraag hoe al die samenwerkingsverbanden nog beter kunnen worden uitgebouwd, dan er enkel een platte machtslogica achter te vermoeden? Meer nog, er wordt een opgeklopt angstsfeertje gecreëerd dat op niets berust en dat net iets te veel ruikt naar de manier waarop ons vandaag inderdaad voortdurend en van alle kanten een angst voor het nieuwe en het vreemde – en het onvermijdelijke – wordt aangepraat. ‘Monocultuur’, kom nu. In Brussel, Antwerpen en Gent wordt op deels gelijklopende, maar al bij al en gelukkig ook heel verschillende manier getracht om de diversiteit vorm te geven. Voor zover ik weet werken de drie stadstheaters met uiteenlopende makers en acteurs. ‘Enkele directies’ die het Vlaamse theaterbeleid zouden bepalen? Ik denk dat de veelheid aan jonge gezelschappen en theatermakers in Vlaanderen en de manier waarop de commissie die in haar preadvies heeft gehonoreerd de beste garantie bieden dat niemand in zijn eentje dingen bepaalt. Als we dat in de bottelarij/KVS al zouden willen, zou het met onze huidige middelen geenszins mogelijk zijn. En de voorspelling van ‘de nakende dood van het fenomeen stadstheater in Vlaanderen’ vind ik ronduit lachwekkend. Misschien wringt daar precies het schoentje. Het lijkt me dat de auteurs van het redactioneel een enge en misschien zelfs voorbijgestreefde visie op dat fenomeen propageren. In Antwerpen, Gent en Brussel wordt mijns inziens precies getracht dat fenomeen opnieuw te definiëren en het op allerlei levensnoodzakelijke manieren te verbinden met wat er in de grote Vlaamse steden leeft, natuurlijk met wisselend succes. Uiteraard willen we, alleszins in de bottelarij/KVS, zo tot ‘eigentijds repertoiretheater’ komen. Maar initiatieven als het Euro Theater Festival, de stokerij, de buurtwerking en de confrontatie met allerlei gastgezelschappen spelen daarin een cruciale rol. Kortom, we hebben maar één doel voor ogen: ‘eigentijds repertoiretheater’ en ‘betere en interessantere voorstellingen’, maar met open vizier en met de deuren wagenwijd open, in voortdurende samenwerking met een buurt, een stad en allerlei collega’s en disciplines en ja, vanzelfsprekend, als het even kan, in de context van een groot ‘cultuurhuis’, eerder dan een traditionele schouwburg. Beter daaraan werken in een ongewisse toekomst, dan nostalgisch verlangen naar een verleden dat onvermijdelijk voorbij is en dat die ‘actuele noden’ eigenlijk niet serieus neemt. Of gaan we nu echt alleen zitten kniezen in ons eigen kleine hokje van ons eigen kleine sectortje?

 

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

opinie
Leestijd 5 — 8 minuten

#71

15.03.2000

14.06.2000

Jan Goossens