Brecht van Maele

Ciska Hoet

Leestijd 9 — 12 minuten

SINCOLLECTIEF: hier om te blijven

Rumble in da jungle

Schrijven over muziektheater als Rumble in da Jungle van het multi-etnische SINCOLLECTIEF blijkt niet vanzelfsprekend. Nog voor de eerste letter op papier staat, krijg ik al een paar goedbedoelde, zij het opmerkelijke tips. Zo drukt iemand me op het hart de problemen niet uit de weg te gaan en niet politiek correct te zijn. Iemand anders bezweert me dan weer dat dit soort initiatieven te kostbaar zijn om aan te vallen.

Dergelijke suggesties blijven achterwege als het om pakweg Guy Cassiers’ laatste productie gaat. Wie er de archieven op na pluist, merkt bovendien dat gezelschappen als SINCOLLECTIEF al twintig jaar lang het voorwerp zijn van soortgelijke besognes. Floewel het gezelschap de laatste tijd zeker op positieve aandacht kan rekenen, dreigen enkele diep ingesleten opvattingen voor blijvende marginalisering te zorgen.

‘Tegen wie moeten wij nu fuck you zeggen?’ verzuchtte FC Bergman-lid Stef Aerts onlangs in De Standaard. Niet toevallig is hij jaloers op de theatervernieuwers van de jaren tachtig: ‘De Vlaamse Golf (…) met STAN, De Koe en Jan Decorte. Die mannen zetten zich af tegen het toenmalige theaterbestel. Er was toen veel om tegen te revolteren: al die Shakespeare met speren en pofbroeken. Maar nu wordt er veel goed theater gemaakt.’

Die Vlaamse Golf heeft inderdaad op korte tijd vakkundig komaf gemaakt met een theaterpraktijk die zich verloor in ontzag voor tekst en traditie. De kunstopvatting die deze beeldenstorm inspireerde raakte bovendien structureel verankerd. Bezegeld met het Podiumkunstendecreet van 1993, professionaliseerde de sector diepgaand. De tachtigers en hun epigonen kregen belangrijke functies in verschillende gezelschappen en huizen, in opleidingen, in expert-panels en als curatoren. Het is dankzij hen dat we vandaag geen ‘Shakespeare met speren en pofbroeken’ zien op onze podia en dat de Vlaamse podiumkunsten een internationaal keurmerk zijn geworden.

Naast alle lof mogen we evenwel niet blind zijn voor de schaduwzijden van dat succes. Zo blijkt het moeilijk om een plek in het veld op te eisen voor wie afwijkende opvattingen heeft over wat goed theater is. ‘Het systeem heeft te veel grenscontroles uitgezet’, schreven Geert Opsomer en Stef Ampe in 1995 al in Etcetera naar aanleiding van een discussie over diversiteit in de podiumkunstensector. ‘Uit de praktijk [ontstaat] een model dat nog enkel die mensen ontdekt die het model reveleren. (…) De basishypothese proclameert de organisatoren, intendanten en leiders van de jaren tachtig als despoten met visie. Na verloop van tijd werkt dit despotisme echter verlammend en sluipt er een zeker conservatisme in.’ Als de tachtigers één ding hebben aangetoond, is het nochtans dat een bloeiend kunstenveld geen baat heeft bij een al te starre hegemonie.

Dat maakt wat in de marges van het Vlaamse podiumkun-stenlandschap gebeurt niet slechts documentair interessant of het voorwerp van al dan niet politiek correcte aandacht. Het is artistiek van levensbelang voor een zich ontwikkelende Vlaamse podiumkunstenpraktijk. In die marge duiken makers op die wars van de culturele kaste duchtig experimenteren met nieuwe verhalen, beelden en expressievormen die net als in de jaren tachtig het despotisch stof kunnen doen opdwarrelen. Een van de meest in het oog springende voorbeelden daarvan is het in 2009 opgerichte SINCOLLECTIEF, dat bestaat uit Nadia Benabdessamad, Junior Mthombeni, Ikram Aoulad, Fikry El Azzouzi en Cynthia Schenkels.

SINCOLLECTIEF staat voor maatschappijkritiek vanuit een grootstedelijke context, gebracht in een aanstekelijke vormen klanktaal. ‘We hebben sincollectief uiteraard opgericht uit goesting, maar ook omdat we de nood voelden aan andere verhalen op de Vlaamse podia’, vertelt Junior Mthombeni. ‘We werken met een ander referentiekader en met kunstvormen die de conservatoria niet onderwijzen.’ Daarmee weet het collectief schijnbaar moeiteloos een publiek aan te trekken dat gevestigde huizen doet watertanden: jong, multi-etnisch en vaak kort opgeleid. Alouad: We spelen in op herkenbaarheid voor bepaalde groepen in de maatschappij. Naar onze eerste productie H&G (Grimmiger) zijn bijvoorbeeld heel wat jongeren uit het BSO en TSO komen kijken.’ Die productie verplaatst het klassieke westerse Hans en Grietje naar een stedelijke interculturele context vol hiphop en straatpoëzie. ‘Voor hen was het de eerste keer dat ze zichzelf konden herkennen in wat er op een podium gebeurt.’

Activisme op het podium is passé

Toch zijn het precies die keuzes die schuren met heersende theaterconventies. Voorstellingen van SINCOLLECTIEF zijn doorspekt met slam poetry, urban dance, street art en soul. Uitgezonderd een aantal doorwinterde éminences grises bestaat hun ploeg uit mensen die nieuw zijn in podiumkunstenland. Op zich is die verscheidenheid het logische gevolg van de wens bruggen te bouwen tussen generaties, poëtica’s en bevolkingsgroepen. Maar traditioneel staan dergelijke artistieke keuzes garant voor een gebrek aan symbolisch kapitaal. De hierboven aangehaalde tekst van Opsomer en Ampe verscheen naar aanleiding van de voorstelling De nacht vlak voor de Bossen, waarvoor het gezelschap Dito’Dito samenwerkte met de rapgroep Les Vils Scélérats. Opsomer en Ampe grijpen een negatieve recensie van Dieter Lesage aan om hem ‘vooronderstellingen’ aan te wrijven, gestoeld op ‘de meest traditionele theaterconventies’. De auteurs krijgen op hun beurt lik op stuk. Herman Asselberghs reageert in Etcetera: ‘Ik twijfel er niet aan dat deze Schaarbeekse hiphoppers optimaal functioneren in hun vertrouwde jeugdhuizen, maar om binnen de context van deze podiumvoorstelling te scoren (…), komen ze nog wat kwaliteiten te kort.’

Goed twintig jaar later, in 2013, horen we hiervan een echo in een recensie van Evelyne Coussens over Hannibal van ‘t Arsenaal. In De Morgen schrijft zij over enkele acteurs met een migratieachtergrond (o.a. Aoulad en Mthombeni van SINCOLLECTIEF): ‘De kwaliteit van het acteerwerk is erg wisselend, en dat stemt tot nadenken.’ Volgens Coussens staat in Hannibal de droom op het spel van ‘een intercultureel theaterveld waarin de taal en de etnische achtergrond van de speler geen belemmering vormen bij het vertellen van een verhaal’. Volgens haar ‘verdient en vereist’ deze droom ‘een meer artistieke vorm’.

Een minimum aan archiefwerk levert een arsenaal aan verwante commentaren op, telkens van toepassing op theater van en met mensen uit migratie- of arbeidersmiddens, of op ‘sociaalartistiek’ werk: ‘Is het nog wel kunst, of slechts een beetje? Ruikt het niet naar ranzig politiek theater?’ staat er weinig omfloerst in een artikel met de veelzeggende titel ‘Sociaalartistieke projecten: de schaamte voorbij’ (Katrien Darras en Steven De Beider, Etcetera 76, 2001).

Relevant

Bij SINCOLLECTIEF zijn ze vertrouwd met deze beeldvorming. Zo krijgen ze wel eens geërgerde reacties op hun activisme.

Mthombeni: ‘Moet je nu echt het podium gebruiken om racisme aan te klagen, horen we dan, dat is toch meer iets voor de jaren zeventig. Maar ik kan daar alleen maar op antwoorden dat dat inderdaad nodig is.’ ‘Ik heb het de afgelopen winter moeilijk gehad met de herdenking van vijftig jaar migratie. Vijftig jaar! En we staan nog nergens’, zucht Benabdessamad. ‘We camoufleren onze mening bewust niet. De wereld mag weten waarvoor we staan. Onze generatie heeft zich in het verleden te veel laten beledigen. Het is goed dat jonge mensen vandaag opkomen voor wie ze zijn en duidelijk maken dat ze niet “terug” zullen keren.’ ‘Daarom stellen we in Rumble in da Jungle telkens één performer centraal op het podium’, vertelt Mthombeni. ‘Op die manier móét het publiek wel luisteren.’ ‘Net zoals er bewust een blank personage in zit met racistische ideeën’, vult Aoulad aan. ‘Veel mensen zien de wereld rondom hen veranderen en dat jaagt hun schrik aan. Het is belangrijk ook naar hen te luisteren, om van daaruit op zoek te gaan naar manieren om samen te leven.’

In het licht van de discussie hierboven is het niet toevallig dat er even geaarzeld wordt wanneer ik peil naar hun schoolcarrière. Geen enkel lid van het collectief is opgeleid in de podiumkunsten en ze weten dat hun dat punten kost op de kwaliteitsmeter van de sector. Anderzijds beseffen ze dat hun afgelegde parcours deel uitmaakt van hun kracht. Het laat hun toe zich te identificeren met de jonge stedelingen die hun podium en zaal kleuren. El Azzouzi: ‘Het speelt ons soms wel parten bij het ontwikkelen van een discours.’ Mthombeni valt hem bij: ‘Als ik praat over ons werk, komt het wel eens over alsof we zomaar wat doen. Terwijl we weten waar we naartoe willen en keihard werken. Ik krijg het alleen niet altijd goed verwoord.’

De makers horen achter hun rug wel eens fluisteren dat ze eerder omwille van hun etniciteit dan hun talent op de Zomer van Antwerpen en Theater aan Zee staan. Mthombeni: ‘Je kan er niet omheen dat we met Rumble een volwaardige voorstelling maakten. Daarna kunnen we het hebben over smaak.’ ‘Weetje,’ zegt Benabdessamad, ‘over vijf of tien jaar zal de stad nog veelkleuriger zijn dan vandaag. Wat wij doen is relevant, los van wat de kunstensector zegt.’

Het rommelt in de jungle

‘Zodra het onderwerp van een voorstelling afglijdt (…) naar mensen die zich in de marge bewegen, allochtoon of vierde wereld, hangt er het etiket “sociaal” aan, wordt het kunst van een minderheidscultuur en ben je straathoekwerker of maatschappelijk assistent’, schrijft Isabelle Finet in 2001 (Etcetera 79). Daarmee raakt ze aan de kern van wat SINCOLLECTIEF en soortgelijke gezelschappen vaak ervaren. Want Rumble in da Jungle mag inderdaad een volwaardige voorstelling worden genoemd. Dat het hoge tempo overeind blijft en het collectief erin slaagt een groep van 25 performers op elkaar af te stemmen, is het bewijs van een sterke regie. De consequent doorgetrokken dramaturgie zorgt er dan weer voor dat het muziekrepertoire, de scenografie en de thematiek moeiteloos op elkaar inhaken.

De productie trekt avontuurlijke parallellen tussen het legendarische gevecht van Muhammad Ali en George Foreman in 1974 in Kinshasa – waarnaar de titel verwijst – en de grootstadproblematiek van vandaag. Mthombeni: Ali fascineerde me al van kindsbeen af: een controversiële figuur die geen blad voor de mond nam. Hij was een echte activist die compromisloos opkwam voor zijn rechten.’ Bovendien ontdekten de makers tijdens hun research dat Ali een van de eerste slam poets was. Dat er rondom het legendarische gevecht tegen George Foreman in Kinshasa ook nog eens een groots muziekfestival werd georganiseerd in het teken van Black Pride, maakte de insteek compleet. ‘In onze voorstelling evoceren we de broeierigheid van die dagen.’

Rumble in da Jungle is een aanstekelijke voorstelling waarin de toeschouwer niet alleen muzikaal in de touwen wordt geslagen door een snedige en speelse groep muzikanten, maar ook enkele verbale linkse en rechtse uithalen van straffe slam poets mag incasseren.

El Azzouzi: ‘Op basis van wat we zagen bij Ali, abstraheerden we acht thema’s die we onder de slammers verdeelden. Van daaruit vertrokken zij om hun eigen tekst te schrijven. We begeleidden hen daar natuurlijk bij – we zijn zelfs erg streng geweest- maar tegelijk vinden we het belangrijk dat ze hun eigenheid behouden.’

We scouten veel zegt junior Mthombeni over de performers met wie ze werken. We merken dat het belangrijk is om met de juiste mensen te werken. Ze moeten uiteraard een kunde hebben, maar om de juiste chemie te krijgen moeten ze daarnaast over een zekere openheid beschikken. De bokstrainer die meedoet in Rumble in da Jungle had bijvoorbeeld geen enkele theaterervaring. Tegelijk betrekken we podiumbeesten als Michael De Cock bij de voorstelling en werken we samen met de rappers van NoMoBS. Het is ons doel dat die werelden elkaar tegenkomen. En daarbij behandelen we iedereen op dezelfde manier.’

Op de vraag naar hun invloeden komt een lange lijst auteurs en muzikanten. ‘Mohamed Choukri is een van mijn favorieten,’ zegt El Azzouzi, ‘en Edgar Hilsenrath, Salman Rushdie, V.S. Naipaul en Kurt Vonnegut.’ We willen iets doen met Derek Walcott’, vult Mthombeni aan. ‘Zijn spel met woorden is ongelooflijk, hij is de Shakespeare van de Caraïben. Die andere canon blijft een speerpunt voor ons, zowel literair als muzikaal.’ Even later toont Benabdessamad me YouTube-filmpjes van slammers die haar ontroeren en raadt ze me aan Soul Power en When We Were Kings te bekijken, documentaires die als uitgangspunt dienden voor Rumble in da Jungle. ‘Maar evengoed zoeken we inspiratie in de actualiteit, de veranderende stad en de onderkant van de maatschappij. We willen tonen wat onder de radar blijft.’

Is dit wel kunst?

Hoe makkelijk het is om voorstellingen, performers en gezelschappen als ‘meer sociaal dan artistiek’ of ‘drammerig’ te bestempelen, zo lastig is het om vast te leggen wat kunst dan wél is. Tijdens het Theaterfestival van 2005 zegt regisseur Jan Lauwers in zijn State of the Union dat hij bij het brengen van Shakespeare ‘eerder regisseur dan kunstenaar’ is. Verder staat er dat kunst moeilijker is dan entertainment en dat er ‘als kunstenaar (…) maar één manier is om te overleven. Die is: zo goed mogelijke kunst maken.’ In de tekst Wat is kunst? reageert een resem gezelschappen datzelfde jaar in De Standaard op aantijgingen van het Vlaams Belang. Daaruit leren we dat kunst ‘vaak onprettige vragen stelt, maar wel vragen die je dingen anders leren te zien’. Stef Aerts voegt daar in het hoger vermelde interview aan toe: ‘Theater moet niets. Theater moet echt niets.’ Uit deze definities blijkt dat termen als ‘kunst’ en ‘kwaliteit’ vlottende begrippen zijn. Mthombeni is misschien niet de enige die soms moeilijk de juiste woorden vindt. Even duidelijk is dat dit soort kunstdefinities probleemloos opgaan voor Rumble in da Jungle. SINCOLLECTIEF put net als het gros van de hedendaagse kunstenaars uit de eigen leefwereld, fascinaties en kwetsuren. De leden hebben een grote drive om theater te maken en weten hun artistieke keuzes te onderbouwen. Pas ‘daarna’, zoals Mthombeni aangeeft, kunnen we discussiëren over smaak.

Niemand hoeft natuurlijk te houden van activistisch theater. Zoals je als toeschouwer mag vaststellen datje meer hebt met performers die een podiumopleiding genoten hebben. Maar die redenen inroepen om makers als makers in vraag te stellen, komt wellicht eerder neer op het despotisch afdwingen van één poëtica dan op het aangaan van de artistieke discussie. In tegenstelling tot Stef Aerts’ ietwat vertwijfelde vraag, lijkt het erop dat in de marge van de Vlaamse podiumkunstensector wel nog fuck you‘s worden geformuleerd. Niet meer tegen de oude traditie, maar tegen een het hedendaagse veld, dat door de jonge marge misschien stilaan als gescleroseerd wordt beschouwd.

Dat de performers en gezelschappen die opduiken in vroegere discussies over diversiteit in het podiumkunstenlandschap intussen van de radar verdwenen zijn, is gezien hun marginale positie wellicht niet toevallig. Net zoals het weinig verbaast dat de discussianten in kwestie wel nog actief zijn als podiumkunstenaar, intendant, criticus of docent.

Uiteraard zijn makers met een migratieachtergrond niet de enige beginnende artiesten die het moeilijk hebben om door te stoten naar de structurele subsidiepot. Maar als we de podiumkunsten zuurstof gunnen en willen dat het centrum en de marge elkaar prikkelen, kunnen we het ons niet veroorloven nog eens twintig jaar dezelfde discussie te voeren. Hoog tijd dat projecten die niet meteen binnen het vertrouwde kader passen als volwaardig worden beschouwd.

www.sincollectief.be

Rumble in da Jungle is een coproductie van SINCOLLECTIEF, de Arenbergschouwburg en ‘t Arsenaal. De voorstelling speelt dit najaar nog op verschillende podia in Vlaanderen. Hun nieuwe productie Reizen Jihad gaat in februari in première in de Monty.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

#138

15.09.2014

14.12.2014

Ciska Hoet

Theaterwetenschapper Ciska Hoet is directeur van RoSa, kenniscentrum voor gender en feminisme. Daarnaast is ze freelance-cultuurjournalist bij onder meer De Morgen. Ze maakt deel uit van de kleine redactie van Etcetera.