Florian Malzacher

Leestijd 8 — 11 minuten

Schwanenseesucht

Het ontslag van William Forsythe en het einde van het Ballett Frankfurt vorige zomer heeft velen verrast. Florian Malzacher volgde de gebeurtenissen op de voet en vatte voor ons een en ander samen.

Frankfurt, 27 augustus 2002

Beste vrienden, geachte collega’s, burgers en bestuurders van de stad Frankfurt,

In het licht van de recente ontwikkelingen, wil ik bij deze gelegenheid graag mijn dankbaarheid uitdrukken voor de aanmoedigingen die ik, op welke manier ook, heb ontvangen vanop het thuisfront en vanuit elk deel van de wereld.

De voorbije achttien jaar heeft de stad Frankfurt de ontwikkeling van het Ballett Frankfurt op een onwrikbare en genereuze wijze ondersteund. Ik ben blij als cultureel ambassadeur te hebben gediend, en heb geprobeerd wereldwijd te tonen wat het verregaande engagement van deze stad ten aanzien van de podiumkunsten kon betekenen. Het engagement van de stad Frankfurt heeft de evolutie van mijn denkwerk tot op een punt gebracht dat in de meeste wereldsteden moeilijk of zelfs onmogelijk was geweest.

De afgelopen jaren heb ik gemerkt dat mijn perceptie van het veld waarin ik actief ben, veranderd is. Het gevolg hiervan is een zeer specifieke professionele gerichtheid, die niet geheel samenvalt met mijn huidige positie als directeur van een grote openbare instelling. Als kunstenaar heb ik het gevoel dat het inconsequent zou zijn om dit persoonlijke en specifieke doel op langere termijn in deze omgeving na te streven.

Het introduceren van methodes die de regels en de grenzen van de perceptie schetsen, is essentieel in de artistieke praktijk. Vandaag voel ik sterk aan dat mijn eigen methodologische evolutie best minder zou zijn ingebed in een politieke praktijk die, en dat is begrijpelijk, voor de uitdaging staat een aantal descriptieve basismodellen op te stellen voor een cultuurpolitiek die op een accurate manier becijferd kan worden. Het is uiterst moeilijk, misschien zelfs onmogelijk, de vele intrinsieke waarden die typisch zijn voor de kunst, objectief te vertalen in en te reduceren tot termen van winst, die de artistieke relevantie uitlegt in politieke modellen van cultureel welzijn. Simpel uitgedrukt, wens ik een onafhankelijker organisatorische koers te volgen. Maar ik moet toegeven dat het moeilijk is om mijn oeuvre, mijn levenswerk, achter te laten.

Ik wens in het bijzonder mijn diepste en oprechte dankbaarheid te betonen jegens de burgers van Frankfurt, die zich op een nooit aflatende en intense manier hebben gewijd aan de opbouw en aan de ontwikkeling op lange termijn van die buitengewone eenheid die het publiek van het Ballett Frankfurt vormt. Het oeuvre werd eerst en vooral geconcipieerd voor u; u hebt de richting bepaald waarin de artistieke doelstellingen van dit instituut zich hebben ontwikkeld. Ik dank u voor uw uitzonderlijke strengheid en gevoeligheid.

Met de meeste hoogachting, William Forsythe

Vertaald door Peter Anthonissen

 

William Forsythe is een speler die door wiskunde gebeten is. Hij stelt vergelijkingen op, formules en functies, of het nu over bewegingen of over cultuurpolitiek in Frankfurt gaat. De formule (TAT) x f- = MT (TAT x f’) bijvoorbeeld verklaart de verhouding tussen de theaters in de stad. Het Theater am Turm (TAT), waarvan hij nog intendant is, tegenover de schouwburg, het ballet en het Kiinstlerhaus Mousonturm. En tegenover zichzelf. Ook zonder de wiskunde is zijn argumentatie in gesprekken vaak complex. Helder en opaak tegelijk, niet restloos ontcijferbaar, het resultaat steeds speels en licht. Net zoals zijn choreografieën. Met mathematische formules en een ‘boeddhistische gelatenheid’, zoals hij zelf zegt, probeerde Forsythe lange tijd ook de absurde strijd met de stad Frankfurt om de verlenging van zijn contract te bekijken.

De gemeenschappelijke geschiedenis van Forsythe en de stad Frankfurt was nochtans – na moeilijkheden in het begin – een echte liefdesgeschiedenis. In 1984 kwam hij naar de stad aan de Main om er zijn ensemble en zijn visie op hedendaags ballet op en uit te bouwen. Aanvankelijk nog in weerwil van het publiek, later onder het aanhoudend applaus van datzelfde publiek. Forsythe en zijn dansers zijn in de stad alom aanwezig: de veelzijdige Steven Galloway begon onlangs een carrière als popzanger, Tony Rizzi presenteert tentoonstellingen en eigen performances. Ook de andere leden van het ensemble zijn met hun werk op de meest diverse plaatsen te zien of steeds weer bij kleine projecten betrokken, bvb. van studenten van de Hochschule für Gestaltung. Het Ballett Frankfurt maakt niet alleen deel uit van de hoge cultuur, is niet alleen het belangrijkste culturele uithangbord van de stad, het is met zijn dansers ook diep in de Frankfurter scène en subculturen geworteld. De bankenmetropool hield dus met recht en reden van zijn enige artistieke wereldster en betaalde daar graag het prijskaartje voor: Forsythe genoot met zijn ensemble altijd de volle vrijheid en hij kreeg een – ook financieel -uiterst comfortabel contract. Niet zonder reden sloeg hij bijna twintig jaar lang alle aanbiedingen uit Parijs, Londen of New York af: nergens elders zou hij zo beschermd hebben kunnen experimenteren. ‘Ik kan hier in alle rust werken,’ verklaarde hij vaak. ‘De stad Frankfurt heeft de evolutie van mijn denkwerk tot op een punt gebracht dat in de meeste wereldsteden moeilijk of zelfs onmogelijk was geweest.’

De openlijke overwegingen van politici uit culturele en financiële milieus om het contract van Forsythe in juni 2002 niet meer te verlengen, kwamen voor het grootste deel van het publiek als een verrassing, ook al was de catastrofale financiële situatie van de stad genoegzaam bekend. Via e-mail en de geruchtenmolen verspreidde het nieuws zich nog vóór de kranten het de volgende dag konden drukken. Alleen Forsythe zelf had de stilte nooit vertrouwd en steeds opnieuw herhaald, dat hij rekening hield met de mogelijkheid van zulk een scenario. Het moet inderdaad al langer aan het gisten zijn geweest, als plotseling politici uit alle partijen (behalve de Groenen) discreet, maar niettemin hoorbaar, over een mogelijk receptief balletprogramma en over heimwee naar het klassieke repertoire begonnen te praten.

Natuurlijk stond de gelddiscussie voorop. De begroting staat in Frankfurt, net zoals in de meeste Duitse gemeenten, onder een extreme consolideringsdruk. Het landschap van Duitse stadstheaters, het dichtste netwerk ter wereld, is in een diepe structurele crisis geraakt. De redenen daarvoor zijn talrijk en divers. Eén fenomeen vindt men echter bij haast alle theaters terug: zij hebben in de loop der decennia een gigantisch waterhoofd aan administratie ontwikkeld, een gemeentelijk ambtenarencorps dat geen enkele politicus zal durven ontslaan, omwille van zijn machtige lobby. Ook bij het technisch personeel ontstaan er omwille van het grote (door de vakbonden gedekte) gebrek aan flexibiliteit immense verliesposten. Met de herstructurering tot zelfstandige ‘GmbHs’ (te vergelijken met BVBA’s, nvdr) proberen stadstheaters her en der ten minste enkele van deze problemen onder controle te krijgen, maar in Frankfurt loopt elke poging tot hervorming sinds jaren steeds weer op de klippen wegens de onwrikbare positie van de vakbonden en het onophoudelijke gekibbel in de politiek. Daarom zou men kunnen denken dat het ‘geval Forsythe’ perfect past in het rijtje van Tom Stromberg in Hamburg, Christoph Marthaler in Zürich, Amélie Niermeyer in Freiburg, de drie opera’s in Berlijn enzovoort. Maar uitgerekend bij het Ballett Frankfurt kunnen de financiële en structurele argumenten makkelijk gerelativeerd worden. Onder de streep blijft er immers niet veel meer over na aftrek van alle blijvende kosten (bvb. voor de centrale diensten van de stedelijke podia, waarin het aandeel van het Ballett Frankfurt door de andere huizen moest worden overgenomen), van alle verder lopende contracten (enkele dansers kunnen niet ontslagen worden) en van de hoge eigen inkomsten door de wereldwijde tournees.

Zo blijkt hier nog veel duidelijker, wat elders evengoed geldt: bij het opdoeken van het Ballett Frankfurt verbergt zich achter een besparing eigenlijk een conservatieve poging om de klok terug te draaien. Sinds enige tijd hoeft geen enkele cultuurpoliticus zich nog te schamen, als hij/zij onverholen opnieuw om klassiek, museaal ballet vraagt. Kunst moet mooi zijn, mag geen ongemakken veroorzaken, en moet passen bij een elegante soirée-garderobe. Overal in de Duitse landstreken staat onwetendheid opnieuw chique – en niet alleen bij politici. Als iemand vanuit het publiek 11a amper tien minuten van een theatervoorstelling roept: ‘Wil iemand mij dat alstublieft eens uitleggen!’ is dat jammer genoeg symptomatisch. Het culturele klimaat is fundamenteel aan het veranderen. Het is dan ook tekenend dat Forsythe op het moment van zijn ontslag opnieuw tot het beste ballet verkozen was, en Marthaler op het moment van zijn (ondertussen ingetrokken) ontslag tot het beste theater.

Dit type politieke demontage gaat hand in hand met algemeen verspreide en verstrekkende pogingen om het openbare discours van de lokale politiek monddood te maken. Als zelfs de letterlijke, architecturale publieke ruimte geprivatiseerd wordt (zoals de Potsdamer Piatz in Berlijn), dan blijven qua cultuurpolitiek de deuren zeker gesloten. Er gaan altijd wel ‘stemmen op uit de partij’, die vanuit het halfduister allerlei eisen stellen. Paradoxaal genoeg heeft de invoering van de directe verkiezing van individuen (in plaats van partijen) op lokaal niveau deze lafheid nog versterkt. Met ‘geval Forsythe’ is daarbij bijzonder gevaarlijk, als een precedent dat navolging zal krijgen. Het Ballett Frankfort is namelijk niet alleen geliefd bij de internationale critici en een select clubje van ingewijden. Het wordt – en daarin ligt het onderscheid tussen Forsythe en een Stromberg of Marthaler -door vele bedrijven in Frankfurt als een relevante economische factor gezien, als een exportsucces dat volle zalen trekt. De verhouding tussen eigen inkomsten en het totale budget was er ongewoon positief. Wie dus het Ballett Frankfurt kan afschaffen, kan binnenkort gewoon alles afschaffen.

De verkozenen namen natuurlijk snel wat gas terug na een golf van protest: ze werden verrast door de stroom artikels, tot in Le Monde en de New York Times toe, door de honderden protestbrieven en e-mails van prominente voorsprekers, en nog het meest door de weerstand in de eigen stad. Iedereen nam plots het woord ‘misverstand’ in de mond en verklaarde dat er natuurlijk onderhandeld kon worden. Maar van onderhandelen kwam er niet veel in huis: de stadsontvanger bleef onverstoorbaar de onmiddellijke sluiting van het Ballett eisen, de cultuuradministratie vertikte het om zich achter zijn intendant te scharen en het schepencollege begon langs een andere kant aan Forsythes stoelpoten te zagen: de choreograaf was in 1999 na sterk aandringen van het stadsbestuur immers naast het Ballett ook intendant van het traditierijke Theater am Turm (TAT) geworden. De financiële ademruimte voor dit theater, dat in een oude tramloods gevestigd was, was uiterst beperkt, terwijl de verwachtingen hooggespannen waren: in het TAT had Rainer Werner Fassbinder geregisseerd, had Claus Peymann Peter Handkes Publikumsbeschimpfung gecreëerd, had Tom Stromberg de internationale avant-garde rond Wilson/Fabre/Lauwers in Duitsland geïntroduceerd. Forsythe legde de artistieke leiding voor het teksttheater in het TAT in de handen van de regisseurs Tom Kühnel en Robert Schuster, die een klein eigen ensemble opstartten. Dat ze er niet in slaagden het TAT opnieuw in de stad te verankeren, had naast artistieke ook structurele en politieke redenen. In de politiek vonden ze nooit echt steun en de relatie met Forsythe vertroebelde alras omwille van heel uiteenlopende inhoudelijke en esthetische opvattingen. Nog in mei, kort voor de beslissing van het stadsbestuur om William Forsythe aan de deur te zetten, kondigde Forsythe aan dat hij zelf vanaf december 2002 de artistieke leiding van het TAT op zich zou nemen. Wat een bevrijdend manoeuvre had moeten worden, werd een fiasco: de stad sloot onmiddellijk daarna de deuren van het TAT. Zij trachtte bovendien de intendant de schuld in de schoenen te schuiven: hij zou met de sluiting ingestemd hebben, om zo zijn Ballett te kunnen redden. Tijdens een publiek debat kreeg Forsythe dan totaal onverwacht de aankondiging van de sluiting voor de voeten gegooid -terwijl hij dacht dat de onderhandelingen nog volop aan de gang waren. Het bleek om een georkestreerd lek te gaan uit de omgeving van de burgemeester. Ditmaal werd het Forsythe te veel: niet rood aangelopen hoofd gaf hij de verzamelde politici een uitbrander en riep hij hen op zich eindelijk te gedragen zoals dat van volwassenen kon worden verwacht.

Deze en vergelijkbare episodes hebben in enkele weken tijd de jarenlange vertrouwensrelatie tenietgedaan. Forsythe voelde zich steeds meer tot politiek handelen genoodzaakt en waar hij politiek handelde, deed hij dat niet bepaald elegant (zoals bijvoorbeeld bij de sluiting van het TAT). Toen hij na zijn zomervakantie uit het Amerikaanse Vermout terugkwam, stond zijn besluit vast: hij wilde zijn contract niet meer verlengen, hoewel dat mits enkele financiële toegevingen intussen weer mogelijk was. Gelaten en zonder schuldigen aan te wijzen kondigde hij zijn ontslag aan. En het werd daarbij duidelijk dat het om meer dan een verhuizing ging: ‘Ik wens een onafhankelijker organisatorische koers te volgen. Maar ik moet toegeven dat het moeilijk is om mijn oeuvre, mijn levenswerk, achter te laten.’ Sindsdien zijn de choreografieën van Forsythe opnieuw ongewoon vrolijk, bijna speels. Ook hijzelf geeft de indruk dat een pak van zijn hart gevallen is – hij zou dat vermoedelijk als ‘boeddhistisch vereffend’ omschrijven. En lichtjes geamuseerd kijkt hij toe hoe iedereen speculeert omtrent zijn plannen voor na de zomer van 2004. Met zijn ‘getrouwheidspremie’ van circa twee miljoen euro, die de stad onlangs nog aan zijn contract toevoegde om hem toch maar in Frankfurt te houden, zou hij een stichting willen oprichten, om zelf een handvol dansers te kunnen financieren – althans, zo luiden de geruchten. Anderen zeggen dat Forsythe de dans helemaal de rug zal toekeren en zich aan videokunst zal gaan wijden. Misschien gaat hij wel wiskunde studeren, zoals hij zelf al enkele keren monkelend verkondigde. Voor Frankfurt staat de toekomst in ieder geval al vast: twintig procent van het budget wordt uitgetrokken voor ballet in de vorm van gastvoorstellingen. En de stad stelt zich kandidaat om culturele hoofdstad van Europa te worden.

Vertaald uit het Duits door Dries Moreels

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#85

15.02.2003

14.05.2003

Florian Malzacher