De Staat van de Toneelschrijver
Uitgesproken op uitnodiging en ter gelegenheid van Shakespeare is Dead Leuven, 9 juni 2026
Annet Bremen
© Stefanie Skoulos
Die dag noemde mijn moeder me voor het eerst moeder. Ze had plaatsgenomen in de oude zetel, op de plek waar ze altijd zat, alleen nog maar zat, een beetje scheefgezakt, haar benen rustend op de salontafel. Ze bestudeerde het bord soep dat ik voor haar neerzette, staarde verweesd naar mijn gezicht en zei: ‘Danku, moeke.’ Later zouden er nog van die dagen volgen, meer zelfs, de andere dagen zouden langzaamaan verglijden in dagen waarin mijn moeder mijn geriatrisch kind werd en ik een projectie van de moeder uit haar kindertijd.
Ze was net naar de benedenverdieping verhuisd. Zij, dat wil zeggen: haar kleine lichaam, haar verwaaide gedachten, de lachsalvo’s en woedebuien die steeds meer over haar gezicht en door haar ledematen trokken, als rolwolken door de atmosfeer.
De weken daarvoor was me duidelijk geworden dat ze in een nieuwe fase van haar dementie terechtgekomen was. Ze dwaalde en vond ‘s nachts haar kamer niet meer, ze deed ’s ochtends haar onderhemd aan boven haar blouse, kamde haar haren met een tandenborstel en hield zich zo angstvallig vast aan de leuning in de traphal dat het onverantwoord leek haar de afdaling nog langer alleen te laten ondernemen. Ik kreeg een eenpersoonsbed van de buren, bestelde een geelgekleurde bedsprei en bijpassende kussens, kleefde lichtstrips met bewegingssensoren op de eiken meubels en maakte de benedenverdieping klaar voor haar komst.
Op een zondagochtend bracht ik de oude fauteuil naar het recyclagepark. De klokken van de kerktoren luidden toen ik samen met de buurman het gevaarte het huis uit sleepte. Het was alsof een deel van mijn moeder ritueel begraven werd in de kerk op het plein van de buurt waar ze het grootste deel van haar leven sleet. De zetel met de geborduurde, gebloemde stof had dertig jaar haar gastvrijheid vormgegeven. Het was de plek waarin ze visite uitnodigde om in haar wereld plaats te nemen, visite die ze met flair ontving, met een bijzondere mengeling zwarte thee, frambozentaart van de banketbakker om de hoek, honderduit pratend in het Nederlands, Frans, Italiaans, Duits of Engels al naargelang wie tegenover haar zat.

© Stefanie Skoulos
De fauteuil was weg en in de plaats van haar vroegere zelf kwam een frazelend, kwetsbaar vrouwtje dat tot de benedenverdieping van haar eigen huis veroordeeld was. Ik kocht een veiligheidshek voor de trap — neen, niet voor haar natuurlijk, voor de kat — monteerde een schuifslot op de kelderdeur, kocht een rollator die ze minachtend in een hoek van de kamer schoof en een babyfoon met ingebouwde camera — neen, niet voor haar maar voor de kat, de kat die als een schaduw achter haar aan liep en ’s nachts spinnend in slaap viel op haar buik.
Ik trok bij haar in, nam de bovenverdieping van haar huis in beslag en zag via de monitor hoe ze reageerde op de inperking van haar leefomgeving. Het beeld was korrelig. Het leek alsof ik naar een oude film van mijn moeder keek, een film uit een vervlogen tijd, al had ze dan jong moeten zijn en niet oud, al zou ze dan gezwinder hebben rondgestapt, gelezen, gelachen, getelefoneerd, al zou ze de lelijke cameramodule dan hebben opgemerkt en niet hebben gedoogd in haar zorgvuldig gekozen interieur. Dat deed ze niet. Ze zag de lelijkheid niet meer. Ze bleef een hele dag op de rand van haar bed zitten. Het beeld verwarde me.
Ik dacht: dat stamelende, krimpende dametje met de witte haardos dat het huis van mijn moeder bewoont, haar lichaam en haar geest overneemt, wie is dat eigenlijk? Waar is de vrouw die al liftend met mij door Kreta zwierf, zij met een oranje rugzak vol spullen, ik met een klein blauw exemplaar waaruit de kop van mijn teddybeer stak. Waar is de vrouw die met haar eerste man in de jaren 50 door Marokko reisde, bij Berbers in het Atlasgebergte sliep en met de auto vastliep in een zandstrook aan de rand van de Erg Chebbi-woestijn?
Tot op de dag dat ik het bord soep voor haar neerzette en zij mij moeke noemde, had de zorg me nooit zo vreemd geleken — zwaar wel, maar dan vooral vanuit praktisch oogpunt en vanwege haar onverzettelijkheid. Ik had een zekere rust gevonden in de routine. Ik had gekookt, gewassen, ervoor gezorgd dat visite nog steeds op bezoek kon komen, ook al was zij haar spraakvermogen verloren. Taart en thee kun je dan nog steeds delen. Ja natuurlijk, op een mooi gedekte tafel met een zorgvuldig gestreken tafelkleed.
Dat het te zwaar was, zeiden vrienden, die mijn aanwezigheid in hun eigen leven misten en de situatie van een afstand bekeken. Dat het te veel was. Niet goed voor mijn gezondheid. Niet gezond voor mijn toekomst. Niet toekomstgericht. Zij zou dat niet willen, mocht ze beseffen hoe ik mijn eigen leven hypothekeerde. Ik knikte en deed er verder het zwijgen toe.

© Stefanie Skoulos
In de maanden die op de installatie van de babyfoon volgden, kreeg de zorg iets surreëels. Ik bespiedde mijn moeder via de monitor, volgde haar bewegingen, zag hoe ze de benedenverdieping verkende alsof het een nieuw werelddeel was. Ze werd een vrouwelijke, gekrompen Columbus die een reeds ontdekt continent innam. Ik zag hoe ze verdorde bladeren van planten lospeuterde, postuurtjes herschikte tot een nieuw tafereel, een boek vastnam en een uur lang dezelfde pagina las. Ik zag hoe ze cultuurprogramma’s inruilde voor tekenfilms, hoe ze de bloemen in haar geliefde vaas verstak, de tuin inliep terwijl het regende, korrels voor de kat op de eettafel in patronen schikte. Ik zag dat de kat algauw sierlijk over het veiligheidshek sprong en dat die sprongen haar een glimlach ontlokten. Ik zag hoe de tijd vergleed en hoe de kat die mijn naam gekregen had het centrum van haar wereld werd.
’s Ochtends dekte ik nog steeds de tafel zoals zij het altijd had gedaan, met een broodmand, een met de hand geverfd servies, een katoenen servet, een porseleinen belegplank — neen, natuurlijk geen plank of mand van plastic.
Ik kocht bloemen, herschikte haar kleren in de kast van haar verlaten slaapkamer, schakelde meer verpleging en nachthulp in, hulp die haar in woede deed ontsteken. Een tijdlang kwam ik nog amper naar beneden. Ik keek.
Ik keek terwijl ik zat te vergaderen, terwijl ik een boek las, terwijl ik mails beantwoordde, lakens streek, ik keek terwijl ik een bad nam. Ik dacht: ik kan nooit meer anders over haar denken, ik kan nooit meer zien wie zij vroeger was: mijn zelfverzekerde, bizarre moeder die met iedereen een gesprek aanknoopte, ook als die ander daar op dat moment geen zin in had. Ik ga vergeten hoe de bavarois smaakte die ze voor elke bijzondere gelegenheid maakte, ik ga vergeten hoe ze kon vertellen, vragen kon stellen, aandachtig kon luisteren naar iedereen die daar nood aan had. Ik keek naar de beelden en probeerde me in te leven in mijn toekomstige zelf, die terug zou kijken op deze periode en zou denken: was ze nog maar hier.
Na verloop van tijd kon ik niet meer van een afstand kijken. Ik kwam weer naar beneden en zag wie zij was. Ik kookte en we aten samen, niet meer aan tafel natuurlijk — neen, liever in de zetel. Ik probeerde haar tevergeefs met bestek te doen eten. Ik omhelsde haar terwijl ze wankel van de woonkamer naar de keuken liep. Ik hielp haar in haar pyjama, drapeerde het donsdeken over haar lichaam, aaide over haar hoofd en stak een schemerlamp aan.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.