Leo Geerts

Leestijd 6 — 9 minuten

Rockers op zoek naar een infrastructuur

Repliek

Post ergo propter? In Etcetera 21-22 stelt Geert Opsomer in zijn uitstekend opstel over het falen van de A-gezelschappen een interessante vraag. Hij maakt er evenwel een retorische en meewarige uitroep van. Ik tik die nog even opnieuw over. “Kan men nu nog zoals Leo Geerts (Etcetera 18) beweren: ‘Zelfs wanneer ze (= de repertoiregezelschappen) een lamentabele periode doormaken, dan nog moeten we ze in stand houden, want ze zijn de enige garanten voor continuïteit en traditie’?” Tot daar die domme Geerts! Beetje achterlijke jongen, niet op de hoogte van het huidige discours.

Als niet-theaterwetenschapper, als amateur waag ik me niet op het gladde ijs van het inside-discours. Al te veel mensen beweren en blijven be(z)weren dat de A-gezelschappen niet deugen door hun aard zelf. Dat lijkt mij een argumentatio post hoc, ergo propter hoc. Die gezelschappen zijn er met veel moeite ooit gekomen en daarna zijn ze tegengevallen. Uit het feit dat ze pas tegenvielen toen ze er waren, leidt ‘men’ af dat ze tegenvallen OMDAT ze er zijn. Heeft ‘men’ het recht zo simplistisch te redeneren?

Als amateur zou ik het bestaansrecht van de A-gezelschappen willen verdedigen met een ietwat onverwachte vergelijking. De Belgische Rockgolf en haar ineenstorting in 1983. Het materiaal komt uit de journalistieke scriptie van Anniek Groben, die als zangeres van Camera Obscura weet waarover ze praat. Zij illustreert de Belgische Rockgolf van de vroege jaren ’80 met de volgende namen: Luna Twist, The Kids, Jo Lemaire, 2 Belgen, Scooter, Parking Meters, TC Matic, Arbeid Adelt, De Brassers, Nacht und Nebel, Raymond van het Groenewoud, Rick Tubbackx, De Kreuners, The Jets, Toy, The Scabs, The Machines, The Bet. Niet niks. Wie kan evenveel nieuwe theaternamen bijeensprokkelen? En ondanks de bekendheid tot op vandaag van enkele groepen/personen, gebeurde in 1983 het onvermijdelijke: de instorting van de Belgische Rock. Anniek Grobben citeert de jammerklachten in dag- en weekbladpers van: Front 242, Won Ton Ton, Vaya Con Dios, Dirk Blanchart, Arno himself, Elisa Waut en The Paranoiacs. Ook een indrukwekkend lijstje. Allemaal aan de klaagmuur.

Alleen de Belgische Rock die het buitenland haalde, overleefde. Wie dat niet haalde – en dat hoeft niet echt om reden van een mindere kwaliteit te zijn, zoals Anniek Grobben beweert -, kon op niets terugvallen. Een infrastructuur die de rock nodig heeft, bestaat hier nauwelijks, daarover is iedereen het eens. Vijf keer spelen voor hetzelfde publiek in dezelfde parochiezaal/hetzelfde cultureel centrum, dat maakt elke evolutie kapot. Zonder een uitgebreide infrastructuur, in leven gehouden én door de gemeenschap én door een veelsoortig publiek, kan een machinerie zoals de rock (a fortiori een machinerie zoals het theater) niet overleven. Dan valt de geschiedenis uiteen in korte opflakkeringen, sensationeel, dat wel, maar zonder continuïteit en traditie. A-historisch. Ik sluit deze vergelijking af met een ijzersterke boutade. Zonder onze A-gezelschappen hebben we binnen de kortste keren niet eens meer de acteurs/ regisseurs die eruit willen weglopen. En die er – zoals Jan Decleir – af en toe in terugduiken voor de boterhammetjes.

Een tweede, minder onverwachte, zelfs afgezaagde vergelijking. We kennen de ellende van heel wat West-duitse en Franse ‘A-gezelschappen’. Toch slagen enkele schouwburgen in die landen erin goed theater te brengen. Waar zou daar het verschil in aard dan moeten zitten? Het gaat hooguit om een hoger budget, maar veel meer nog om de artistieke leiding. Zal ik dit even vertalen in een even ijzersterke boutade? Stuur Ivonne Lex naar de Munt en Gerard Mortier naar de KNS en wacht een jaartje af wat het geeft². Beide beestjes blijven wat ze zijn, de aard van de theatertjes ook. Natuurlijk, dit is een boutade. Antwerpen — het stadsbestuur — zal nooit een Gerard Mortier aantrekken, altijd een Ivonne Lex³. De bedoeling is ook niet, de problematiek te personifiëren. Het gaat niet om Mortier of Lex. Het gaat om de reëel bestaande cultuurkrachten die een Mortier of een Lex kiezen. Voor de KNS-ellende zoek ik de uiteindelijke verantwoordelijkheid bij de reëel bestaande cultuur in de stad Antwerpen. En die heet “Antwerps socialisme”, m.i. een walgelijk mengsel van provincialisme/chauvinisme (“onze mensen”), plat-materialisme en verbureaucratiseerde sociale structuren.

Tabula rasa

Deze reeks vergelijkingen brengt me eindelijk waar ik had willen beginnen. Ondanks mijn pleidooi voor het behoud van de grote gezelschappen zit ik zelf soms te dromen van een radikaal alternatief, een tabula rasa. Meestal is dat op sombere winteravonden na een of andere dodelijke theatervoorstelling. Nippend aan een venijnig drankje denk ik dan: “Doe alle theaters dicht!” (Twee grote slokken). Heel die bovenbouw van onechte cultuur, dat ‘freischwebend’ gedoe, schaf het af! Al wat cultuur heet en zichzelf niet kan bedruipen, moet weg! (Lieve mensen van Etcetera, inbegrepen zijn: allerlei leerstoelen, werkbeurzen, navorsingsbeurzen, prijzen en wat dies meer zij). Verander de Munt in wat hij in werkelijkheid is: een bodemloze put. En wacht vijf jaar af wat er zich op die tabula rasa ontwikkelt. We zouden nog wereldnieuws zijn ook! Tabula Rasa, Made In Flanders!

Eenmaal zover in de sombere laat-avond, zet ik het lege glas weg en ik begin aan mijn tweede verslaving: zippen van het ene TV-kanaal naar het andere. Tevreden stel ik dan vast dat het op alle kanalen allemaal hetzelfde gelazer is. Audiovisueel bewegend behang. Optimistische, goed-gekapte, modieus geklede praat-koppen, die wel mekaars klonen lijken. Shows die je vorig jaar al gezien hebt. Soaps waarvan je je de afloop van jaren geleden herinnert. “Vijf lange jaren lang alleen maar dit!” Getroost kruip ik met die gedachte in bed.

Getroost? Ja, want indien er alleen maar dat audiovisuele bewegende behang zou zijn, dan ware het verzadigingspunt wellicht nabij. Hoe lang zouden onze medeburgers dat verdragen, alleen maar Dallas, Dynasty, De Collega’s, Hoger-Lager...? Nu gaat het, omdat er daarnaast nog zoveel anders en beters is in de wereld. Theater bijvoorbeeld. Zelfs slecht theater is minder dood. Dus, schaffen we de levende dingen af en laten we de dramatiek uitsluitend over aan de episodenbakkers, de lege praatkoppen en de quizmasters, die hysterische juffrouwen. Tabula rasa. Ondraaglijk. Zo ondraaglijk dat er uit de reëel bestaande culturele krachten van dit landje wel iets zal moeten opbloeien. Nieuwe rock, bij voorbeeld. Waarschijnlijk duurt het geen vijf jaar voor de Bart-Peetersen van morgen zich meteen aan hun ware roeping wijden, de muziek. Zeg niet dat dit te optimistisch is. In Hollywood hebben ze het al eens gedaan. En zou u de droomfilms van een Garboëske schoonheid willen missen die ooit in die giffabriek tot stand zijn gekomen? Een tabula rasa van vijf jaar is als een mesthoop; er moeten wel wondere bloemen op bloeien.

Culturele krachten

Je hebt het socialisme van 1968, een nergens bestaand utopisch ideaal, maar je hebt ook het reëel bestaande socialisme in het Oostblok. In de cultuur heb je de ronkende frases, de hogeborstzetterij, het hoog-opgeven over het zoveel betere buitenland: allemaal verwijzen ze naar utopische, niet bestaande idealen. In vergelijking daarmee is bij voorbeeld het Antwerpse socialisme met zijn perfide voorkeur voor het Ivonne-Lex-theater zeker niet ideaal. Maar met die realiteit moeten we leven. Ik noemde het een walgelijk mengsel van provincialisme/chauvinisme (“onze mensen”), plat-materialisme en verbureaucratiseerde sociale structuren. Misschien ben ik nog wat lelijke woorden vergeten, maar zo kun je het min of meer definiëren. Maar zonder dat mengsel bestonden niet: KNS, TIL, Appeltje, Raamtheater, Meirtheater, Fakkeltheater, INS, Echt Antwaarps Theater, en ik zal nog wel een of ander vergeten. Volgens Geert Opsomer ware het waarschijnlijk beter dat al die dingen er niet waren. Laten we vriendelijk zijn en zeggen dat Raamtheater, INS en af en toe het Fakkeltheater desnoods voor Opsomer mogen blijven. Dan moet er nog veel afgeschaft worden. Bovendien zijn TIL, Appeltje, Meirtheater, Echt Antwaarps Theater niet zomaar afschaf-geschikt. Als dit laatste zelfbedruipend is en dus moet mogen, dan zal zelfs Opsomer misschien de KNS toch willen bewaren.

Terug naar het reëel bestaande, Antwerpse socialisme! Zelfs in de meest verfoeilijke dingen vind je nog iets goeds (Hitler hield van honden). Dus zit er zeker in dat Antwerpse socialisme ook wel wat positiefs. Een beetje chauvinisme in Vlaanderen kan geen kwaad: met een Raamtheater hebben we nog geen BURG-theater, maar liever één raampje dan niks. Sociale structuren, hoe verbureaucratiseerd ook, zijn een nuttig vangnet in deze neoliberale crisistijden. En zelfs in het platste materialisme zit een filosofische kern (het zogeheten materialisme), nog altijd nuttig in de strijd tegen pseudo-religieuze glitter en dito goeroes. Om het met een boutade samen te vatten: het is niet omdat ik De Morgen (ook een produkt van dat Antwerpse socialisme) zo slecht vind en dus De Standaard en De Volkskrant erbij neem, dat ik deze aanwezigheid in onze pers niet belangrijk zou vinden. In de redenering van Opsomer ware De Morgen al een tijdje opgedoekt. In mijn redenering is het waarachtig “een garant voor continuïteit en traditie”, wat betreft de – toegegeven: vaak nogal modderig bedreven – “durvende” journalistiek. Precies zo garanderen de A-gezelschappen dat o.a. de INS-mensen er konden weglopen, dat het Raamtheater er zich tegen kan afzetten en dat Geert Opsomer er vernietigende frases over kan debiteren (wat ook zijn nut heeft, anders zat ik hier niet te schrijven en u niet te lezen). Ik wil maar zeggen: voor er uit de reëel bestaande culturele krachten van dit landje iets naar boven komt wat Opsomer en mij bevredigt, moet er heel lang een dure infrastructuur zijn die een ineenstorting zoals die van de Belgische Rock in 1983 voorkomt. En die vooral de professionaliteit in stand houdt waaruit ooit hier en daar geïnspireerde, zinnige produkties kunnen ontstaan.

Ik wil dit als slot illustreren met een marginaal geval: het ten onrechte opgedoekte, zelden kwalitatief hoogstaande Nieuw Vlaams Theater. Dat bracht jaarlijks vier (4!) creaties van Vlaams werk. Op tien jaar tijd waren dat ongeveer 40 creaties, precies evenveel als jaarlijks in de Bondsrepubliek. Wanneer in dit laatste land een aantal auteurs naar voren zijn gekomen die het buitenland (het onze bij voorbeeld) veroverden, dan gebeurde dat op basis van een infrastructuur die 400 creaties mogelijk maakte. Het falen van het NVT was m.a.w. veeleer een statistisch fenomeen dan de schuld van Wil Beckers. Wie in gierige termen denkt over cultuur, zal al zijn grootse visioenen nooit verwezenlijken bij gebrek aan een infrastructuur, aan een garant voor continuïteit en traditie. Kijk ook de Britse cijfers maar eens na, wat het promoveren van de inheemse cultuurproduktie betreft. Eén Pinter maakt de continuïteit en de traditie niet, de bestaande infrastructuur deed dit wel.

1) Anniek Grobben, Hedendaagse Belgische Rock-muziek in relatie tot het Buitenland, Provinciaal Hoger Instituut Toegepaste Communicatie, 1988, Antwerpen (ongepubliceerd).

2) Nog voor Patrick Dewael dit kon lezen, bracht hij deze boutade in de praktijk door Mortier een cumul te geven in onze – alweer geredde – opera.

3) Ook deze boutade werd al in de praktijk gebracht: de herrie rond Mortiers cumul was fraai.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

Leo Geerts

artikel