© Simon van den Berg

Leestijd 15 — 18 minuten

Reflectie in de spiegel

Waarheen met reflectie en kritiek over en in onze podiumkunsten?

Hoe staat het met de reflectie en de kritiek over de podiumkunsten in Vlaanderen? Is kritiek altijd reflectie? Is reflectie altijd kritiek? Over deze vragen, direct gelinkt aan de vijfde functie in het Kunstendecreet, organiseerden Kunstenpunt en de onafhankelijke media Etcetera, pzazz, rekto:verso en Theaterkrant op 3 augustus in Oostende een reflectiemoment met zo’n vijftig critici, beschouwers en cultuurwerkers in Vlaanderen en Nederland. Waar liggen de uitdagingen en kansen voor de komende jaren? Naast de vraag wat ‘reflectie’ precies inhoudt, overheerste vooral het besef dat sociale media een groeiende impact hebben, en de financiële realiteit een en ander bemoeilijkt.

Vier statements

In de ban van de economie

Omdat reflectie steeds bekeken kan worden vanuit verschillende perspectieven, begon ‘Reflectie in de spiegel’ met vier verschillende statements over de actuele condities van kunstkritiek, reflectie en kunst.

Floris Baeke, freelance cultuurjournalist en co-hoofdredacteur van Etcetera, begon met de probleemstelling dat de economie de kritiek dreigt te domineren. Vanuit een democratisch pluralisme kan de samenleving gezien worden als een combinatie van verschillende velden (recht, politiek, wetenschap, kunst, de markt…) met elk hun eigen logica, die elkaar beïnvloeden, maar waar geen enkele mag overheersen. Volgens Baeke komt de heuristische logica van de kunst en de kunstkritiek, een tastende en riskante methode om kunst te verkennen, in gevaar door de algoritmische logica van verkoopcijfers, pr en marketing. Kunstkritiek heeft namelijk geen direct economisch rendement. 

Mainstreammedia staren zich blind op leescijfers, waardoor de ruimte voor recensies in dagbladen en op de openbare omroep steeds meer krimpt. Ondertussen werken recensenten voor een magere 150 à 157 euro bruto per recensie, een vergoeding ver onder het minimumloon van 13,56 euro per uur. In een landschap dat nood heeft aan veelstemmigheid en diversifiëring, wordt het belang van gesubsidieerde media duidelijk. Kritiek is geen commercieel product of een Testaankoop van de podiumkunsten, maar een splijtzwam, een steen om je aan te stoten. Kunstkritiek kan dat enkel blijven als het de ruimte, tijd en middelen krijgt om te blijven ontdekken en herontdekken. Kunstkritiek moet autonoom zijn, zo verdedigde Baeke. En wel op de manier die de etymologie voorschrijft: auto-nomos, zichzelf de wet stellend.

Kritiek als machtspositie

De volgende bijdrage was van Sandra-Sara Raes-Oklobdzija, kunstenares, activiste en doctor in de kunsten. Ze vroeg aan de aanwezigen om stil te staan bij de machtspositie van de kritiek en op welke manier de kritiek iets produceert en in stand houdt. Oklobdzija baseerde haar betoog op Foucaults ideeën over machtsmechanismen en vooral op de Filozofija palanke (Filosofie van de kleine stad) van Radomir Konstantinović. Het zijn de kleine handelingen in een gemeenschap die ervoor zorgen dat die gemeenschap zichzelf produceert. Zoiets ziet Oklobdzija ook bij de kunstkritiek gebeuren.

Vanuit haar eigen ervaring en onderzoek (‘The School of Two-Sided Integration’) ontdekte ze vooral de moeilijkheid van zichtbaarheid krijgen. Terwijl ze voor haar eigen werk steeds dezelfde afwijzingen krijgt van kunstkritische platformen, ziet ze wel hoe dezelfde platforms bijna allemaal recensies van bijvoorbeeld een nieuwe voorstelling van Rosas publiceren. Dit is geen doelbewuste strategie bij recensenten, aangezien hun keuzes gemotiveerd zijn door gebrek aan (betaalde) tijd. Toch is het een gedragspatroon dat een beeld over het veld blijft (re)produceren. Gevestigde auteurs schrijven over gevestigde makers, auteurs met een etnisch-cultureel diverse achtergrond schrijven over etnisch-cultureel diverse makers. Oklobdzija vroeg zich af wat er zou gebeuren als die logica omgedraaid zou worden: diverse blikken op gevestigde makers en gevestigde critici die aandacht geven aan diverse makers. Hoe zou de gemeenschap, de kleine stad, zichzelf dan produceren? 

Want ook recensenten zijn volgens Oklobdzija “stille, verdoken archivarissen van het podiumkunstenveld”, die met hun keuzes impact hebben. Wie bevelen we aan? Wie citeren we? Weer eens Foucault, of toch Konstantinoviç?

Voor wie is de kunstkritiek nu eigenlijk?

Vanuit Nederland kwam de bijdrage van Simon van den Berg, hoofdredacteur van Theaterkrant. Een groot verschil met de Vlaamse kunstkritiek is het gebrek aan mogelijkheden om reflectie in Nederland te subsidiëren. In tegenstelling tot de platforms in Vlaanderen, wordt Theaterkrant niet structureel gesubsidieerd voor hun kerntaken. Dat betekent dat ze moeten overleven door inkomsten van advertenties en institutionele lidmaatschappen. 

In die financiële realiteit probeert Van den Berg als hoofdredacteur dan de buffer te zijn tussen instellingen en recensenten. Dat evenwicht bewaken, tussen instellingen iets kunnen teruggeven voor hun bijdrage en recensenten zelfstandig laten schrijven, is niet eenvoudig. Hoe bewaar je de autonomie van kunstkritiek zoals Baeke die verdedigt, wanneer je middelen vooral uit de pr- en communicatiebudgetten van theaterhuizen komen? Hier en daar zijn er wel Nederlandse fondsen die reflectie willen ondersteunen, maar dat lukt ook enkel omdat Theaterkrant het enige platform is, zeker met de dalende interesse bij dagbladen om over de podiumkunsten te schrijven.

Bij Van den Berg rijst dan de vraag: voor wie is die kunstkritiek nu eigenlijk bedoeld? “Het is steeds meer de realiteit dat theaterkritiek alleen nog gevonden wordt door wie al geïnteresseerd is in theater en niet meer door de krantenlezer die er toevallig langs bladert.” Zelfs dan is er voor Van den Berg echter een verschil tussen kritiek die een publiek informeert en kritiek die eerder een brief aan de maker is (iets wat hij in Vlaanderen vaak ziet gebeuren). Het doel van kunstkritiek, volgens Van den Berg, moet vooral zijn om het publieke gesprek over kunst te stimuleren en er een gepaste taal voor te vinden. 

Daarbij vraagt hij zich af, zonder oordeel of eigen antwoord, of dat gesprek moet verlopen volgens de referentiekaders van makers en kenners, dan wel of dat gesprek zich meer moet richten naar het publiek, zodat toeschouwers een geïnformeerde keuze kunnen maken in het podiumkunstenveld. Dat is niet louter een inhoudelijke vraag, want als je financiële ondersteuning enkel komt van theaters en toeschouwers kan je je dan eigenlijk veroorloven om niet voor dat publiek te schrijven? De spanning tussen kritiek en promotie blijft een lastige evenwichtsoefening, ook in Vlaanderen. 

Wat doen we met al die reflectie?

Als laatste bracht Ann Overbergh vanuit Kunstenpunt een aanvulling over evoluties in het gesprek over reflectie en kritiek in het veld. In meerdere focusgroepen in aanloop naar de Landschapstekening van 2025 viel het haar op dat er in een veranderend kunstenveld steeds meer vraag komt naar een andere manier van schrijven en spreken over kunst. Wat bijvoorbeeld met participatieve en/of cross-sectorale praktijken die niet enkel ‘artistieke kwaliteit’ als doel voor ogen hebben? Wat is ‘kwaliteit’ überhaupt? Kunstkritiek en het gesprek over kunst zijn manieren om een draagvlak te creëren voor artistiek werk, maar wie moet dat gesprek voeren of de kritiek schrijven? Die vraag wordt steeds meer opengetrokken. Of nog: hoe kan ook reflectie meerstemmiger worden? 

Op het niveau van organisaties leeft dan ook de vraag: wat doen we met alle inzichten die we overhouden aan de reflectie over de kunsten en het artistiek ecosysteem? Steeds meer worden die inzichten vanuit debatten, panelgesprekken en podcasts gedeeld zonder dat ze direct tot iets leiden. Reflectie wordt wel gedeeld en verspreid, maar niet voldoende verwerkt. In de drukte van de sector is daar ook amper ruimte voor in de overvolle programmatie. Welke tijd is er over in beleidsplannen om te zorgen voor een soort “nazorg van de reflectie”, waarbij belangrijke thema’s echt kunnen worden aangepakt? Hoeveel tijd heeft het veld om nieuwe aanpakken en experimenten toe te passen? Hoe kunnen we dat verbeteren?

Veel vragen dus, maar de vier statements waren vooral ook pleidooien om te blijven werken aan de omstandigheden van de kunstkritiek en van reflectie over de (podium)kunsten in Vlaanderen. Hoe beschermen we wat van waarde is? Of belangrijker: hoe verdedigen we de intrinsieke waarde van reflectie en kritiek in de huidige maatschappij?

Gesprek

Daarna begon het plenaire gesprek, gemodereerd door Ciska Hoet. De Nederlandse criticus Dean Bowen beet de spits af: “Hallo voornamelijk witte mensen.” Een bewustmakende opening om zichtbaar te maken dat de kring van critici nogal homogeen blijft. Bowen benadrukte dat een drastische verandering niet ineens zal of kan gebeuren en het daarom belangrijk is om die situatie te erkennen. Dat betekent ook iets voor de kunstkritiek en wie ze kan bedrijven, want het is een feit dat niet iedereen tot iedereen kan spreken, terwijl critici wel bemiddelaars zijn in het veld.

De vraag werd dan ook gesteld welke plaats er nog is voor nieuwe stemmen en hoe je daar als kunstkritisch platform mee omgaat. Je wilt je auteurspoule opentrekken, maar wat met de continuïteit en herkenbaarheid van je platform voor de lezer? Hoe waarborg je het ‘gezicht’ van het platform en de stemmen waarmee je je langdurig verbindt, zonder dat alle posities muurvast komen te zitten?

In reactie op de vraag van de positie van het publiek, zoals ook aangekaart in de statements van Simon van den Berg en Ann Overbergh, werd er gediscussieerd over de positie van de ‘incrowd’, de mensen met een gespecialiseerde blik, en of dat überhaupt een apart doelpubliek is. Bestaat er zoiets als gescheiden lezerspublieken, waarbij de een meer theorie kan verdragen dan de ander? En moet het altijd gaan om geschreven kritiek, terwijl veel makers verschillende reflectiepraktijken gebruiken en visuele media ook bij het publiek goed aanslaan?

De praktijk van de recensent

Na de gezamenlijke bedenkingen was er ruimte om in twee aparte sessies meer toe te spitsen op ofwel de kant van de individuele critici ofwel op de rol van reflectie binnen organisaties. 

De critici-tafel ging van start met een gezamenlijke reflectie-oefening over de huidige noden en uitdagingen van cultuurcritici. Naast vragen rond de algemene maatschappelijke inbedding van kritiek, kwam er vooral een discussie op gang over hoe kunstkritiek moet evolueren en of dat eigenlijk mogelijk is in het huidige systeem. 

Catho de Cordt, recensente en theatermaker, stelde in haar statement de vraag of we niet ook meer de kunstenaar in de discussie rond kritiek moeten betrekken, in plaats van een tweedeling te hanteren. Want wie doet er eigenlijk aan reflectie en wie aan artistiek werk? Volgens de Cordt schuilt er een gevaar in die competitieve tegenstelling, waar kunstenaars en cultuurinstellingen naar critici kijken als leveranciers van promotie en verkoopbaarheid. In plaats daarvan zou het veld via collectieve reflectie juist weerstand kunnen bieden aan de laatkapitalistische productielogica waar iedereen onder lijdt.

Het is namelijk die productielogica, waarbij alles meteen moet renderen en er maar weinig extra tijd en geld overblijft voor kunst, die het moeilijk maakt om binnen de kunstkritiek echt te vernieuwen. Er zijn bijvoorbeeld een aantal platforms die willen onderzoeken hoe ze meer met video kunnen werken, maar het is niet eenvoudig daar meteen een geschikte vorm voor te vinden, laat staan de juiste fondsen. Voor veel critici blijft kunstkritiek ook een schrijf-praktijk, waarmee ze de kunst in taal proberen te vatten; daardoor werkt de druk van multimedialiteit eerder negatief.

Naast dat vormelijke vraagstuk blijft de grootste nood bij critici tijd en ruimte vinden om zich verder te ontwikkelen. Bij gebrek aan ontwikkelingstrajecten en adequate verloning is het quasi onmogelijk om een praktijk uit te bouwen en te vernieuwen. Zoals critica en beeldend kunstenares Margot de Grave Loyson het verwoordde: “Om experiment te hebben in je praktijk, heb je een praktijk nodig.” Er zijn ook weinig momenten waarop critici langdurig kunnen uitwisselen. Redacties zoals pzazz organiseren wel driemaandelijkse vergaderingen (‘Pzazzemblees’) voor hun auteurs, maar het is vaak moeilijk om daar een voltallige redactie samen te krijgen. Marijn Lems, theaterrecensent en redacteur bij Theaterkrant en videogame-redacteur bij De Standaard, vertelde in zijn interventie over een tweejarig buddy-systeem bij Theaterkrant, waarbij twee recensenten een half jaar lang aan elkaar gekoppeld werden om samen naar voorstellingen te gaan. Ze wisselden ideeën uit en gaven feedback op elkaars recensies, waardoor er verschillende perspectieven op één voorstelling kwamen. Beide recensenten werden via subsidies ook vergoed voor hun tijd en werk. 

Een blik op andere kunstdisciplines toont ook andere mogelijkheden. Bij literatuur en muziek is er wel ruimte voor een spectrum aan meningen, van casual recensenten tot geprofessionaliseerde platforms. Websites zoals Letterboxd, Storygraph en Goodreads geven ook ‘gewone’ cultuurgebruikers toegang tot het delen van hun mening. Booktok, Filmtok en YouTube zorgen voor tal van video-essays, met een groot publiek. Toch blijft deze evolutie bij theater uit, behalve bij de prille Nederlandse website liefhebber.theater. De vraag is echter of het hier gaat om diversiteit of wildgroei. De expertise van iemand die een schrijfpraktijk ontwikkelt, mag misschien toch zwaarder doorwegen.

Wat vaststaat, is dat diversiteit en meerstemmigheid belangrijk zijn voor de kunstkritiek. En die meerstemmigheid mag wel eens wat dissonanter. Volgens sommigen is de Vlaamse kunstkritiek soms te braaf en mag er meer ruimte zijn voor polemiek en discussie. Kunstkritiek moet namelijk niet voor mooie pr zorgen, maar het gesprek over kunst in de sector bemiddelen.

De praktijk van het veld

Reflectie gaat ook breder dan enkel kunstkritiek. Bij verschillende organisaties en instellingen is reflectie onderdeel van hun werking, soms als uitgesproken extra functie naast ‘ontwikkeling’ of ‘productie’, soms ook zonder die praktijk expliciet op te nemen in hun subsidiedossiers. Zij organiseren publieke debatten of uitwisselingen tussen kunstenaars, doen aan structureel onderzoek, brengen publicaties uit of documenteren op andere manieren beschouwingen over kunst. Ook publiekswerking en -verbreding, educatie en communicatie hebben elk op hun manier effect op hoe er over kunst gepraat en gedacht wordt. 

Instellingen – zo horen we in deze tweede sessie vanuit onder meer Kaaitheater – proberen daarin ook te innoveren, door meer in te zetten op audiovisuele media en participatieve contextprogramma’s. Veel cultuurwerkers spreken over de positieve reacties die ze krijgen als ze op andere media dan tekst inzetten of wanneer ze experimenteren met publieksreflectie. Zo vertelde Josje Kerkhoven van het Nederlandse Domein Kunstkritiek over het succes van hun lab op Beyond the Black Box festival in 2026, waar laagdrempelige, hybride vormen van kunstkritiek (met klei, video of interactieve teksten) activerend werkten bij toeschouwers. Al is de werkdruk voor het opnemen en monteren van audio- en videomateriaal ook een pak hoger dan wanneer je een auteur vraagt een tekst te schrijven. 

Naast de multimedialiteit van reflectie en interactie staat de aanhoudende schriftelijke basis van kunstkritiek. Zoals critici zelf hun werk vooral als een geschreven praktijk zien (zie sessie 1), wordt kunstkritiek ook door organisaties als schriftelijk ervaren. De moeilijkheid ligt hem dan in hoe je aan multimediale reflectie kan doen, zeker wanneer bij veel mensen de indruk leeft dat het luik “reflectie” enkel lijkt te gaan over pure (geschreven) cultuur- en kunstkritiek. Zijn podcasts, Tiktok-video’s en dergelijke voldoende diepgravend om op de functie ‘reflectie’ in te zetten? Er kwam echter ook het voorstel om daarvoor juist samen te werken met andere organisaties die rond reflectie werken, zodat niet elke organisatie reflectie moet heruitvinden.

Ook makers hebben steeds meer nood om de reflectie vanuit hun praktijk te kunnen documenteren en onderlinge uitwisseling te ondersteunen. Artistieke processen leren ons altijd iets over kunst en het maken van kunst, maar de neerslag van die resultaten heeft niet echt een structurele plaats in het veld. Oklobdzjia vermeldde bijvoorbeeld hoe moeilijk het kan zijn om een plek te vinden voor de inzichten vanuit artivism, activisme dat door en in het veld plaatsvindt. De artistiek-activistische processen en uitkomsten laten zich niet altijd als artistiek product erkennen, maar de inzichten vallen vaak evenmin onder reflectie, terwijl ze wel worden opgepikt door het veld. Opnieuw blijkt het belang van nazorg voor reflectie, zodat verzamelde inzichten ook echt kunnen doorwerken in de bredere sector. Oklobdzija stelde voor om die zorg voor het veld via een charter sectorbreed op te nemen in alle structurele subsidieplannen die op 1 december ingediend moeten worden bij de overheid. 

De discussie komt dan in feite vaak neer op de vraag: welke definitie voor ‘reflectie’ moet je als organisatie hanteren? Hoe verhouden ontwikkeling, reflectie en kritiek zich ten opzichte van elkaar? Rojda Gülüzar Karakuş, artistiek procesbegeleider bij NTGent, vermeldde hoe institutionele verandering van binnenuit ook een manier van reflectie is, maar niet snel erkend wordt onder die decretale functie. De angst om door een beoordelingscommissie afgerekend te worden op een verkeerde interpretatie is sterk aanwezig. Want hoe groot de drang ook is om reflectie productief te herdenken, uiteindelijk moeten organisaties dat ook waarmaken voor een commissie die zal bepalen of ze daarvoor middelen willen vrijmaken.

Conclusie

‘Reflectie in de spiegel’ bracht vooral veel vragen over een waaier aan topics aan de oppervlakte. Een deel van die breedheid ligt ook aan de heel open definitie van de functie ‘reflectie’ in het Kunstendecreet. De Landschapstekening van Kunstenpunt vermeldt daarover:

“Het Kunstendecreet beschouwt reflectie als iets wat je met reflectie doét, namelijk “de reflectie en de kritiek op kunst realiseren, stimuleren en toegankelijk maken.” (…) Deze definitie is open. Ze bakent niet af wat ‘reflecteren’ is, maar maakt duidelijk dat kunst er het onderwerp van is, en dat kritiek er deel van uitmaakt. In het bijhorend uitvoeringsbesluit wordt dat onderwerp uitgebreid met het kunstenveld – we reflecteren over ‘kunst en het artistiek ecosysteem’ – en worden er beoordelingscriteria gespecificeerd. Zo is de kwaliteit van reflectie belangrijk, net als de relevantie voor het veld en de wijze waarop ze wordt verspreid en toegankelijk wordt gemaakt. Hoe open het Kunstendecreet het ‘reflecteren’ laat, zo specifiek wordt het onderwerp ervan dus bepaald: kunst en het kunstenveld. Dat is opvallend, want in en vanuit een kunstpraktijk kan er natuurlijk over heel veel worden gereflecteerd.”

Is er dan een nauwere definitie gewenst? Daarover lopen de meningen uiteen. Soms bieden open en vage definities net een hoop mogelijkheden om reflectie waar nodig steeds anders in te zetten. Maar het blijft ook belangrijk om te weten waar je je als organisatie, platform of schrijver positioneert en wat je (re)produceert. Kiezen voor een (eigen) definitie betekent beslissen hoe jouw reflectie eruitziet, en hoe niet. Het betekent kiezen voor een bepaald publiek of voor geen enkel specifiek publiek. Voor incrowd schrijven of net voor de hele buitenwereld, of er rekenschap van geven dat daar geen duidelijke lijn te trekken valt. Het betekent kiezen om vaker multimediaal en multimodaal te werk te gaan of voluit te blijven schrijven. 

Dat zijn noch onschuldige noch puur persoonlijke keuzes. Critici kampen met een gebrek aan (correct) betaald werk, organisaties met een voorzichtigheid ten opzichte van subsidiecommissies. Want voorbij die open definitie ligt ook een financiële realiteit. Wat is de waarde van veel mensen te bereiken met een bepaalde manier van werken, als fondsen en overheden er geen ondersteuning aan willen of kunnen geven? 

Er kwamen naast bekommernissen ook veel voorstellen. Zo plannen de organiserende media alvast een infosessie over de mogelijkheid voor critici om een kunstwerkattest aan te vragen en ruimte te krijgen voor ontwikkeling. Er wordt gedacht aan labo’s voor organisaties om te experimenteren met verschillende mediale vormen. Er werd gediscussieerd over een charter om de nazorg van reflectie in het veld te stimuleren. Veel organisaties deelden ook de manieren waarop ze zelf met reflectie aan de slag gaan. Die uitwisseling is op zich al een belangrijke stap weg van een competitieve houding. Het gaat namelijk niet over wie het meest succesvol reflecteert, maar over hoe we samen zo veel mogelijk facetten van reflectie kunnen waarborgen.

Er is veel animo in het veld om iets waardevols te doen met reflectie en te voorkomen dat die functie puur commercieel ingevuld wordt. Er valt dus nog veel meer over reflectie te reflecteren, tijdens redactievergaderingen, bij besprekingen in beoordelingscommissies, op café, op Instagram en Tiktok. Waar of hoe het ook gebeurt, zolang het maar gebeurt. Want elk nieuw voorstel voor het invullen van deze vijfde functie bevestigt wat Karl Van den Broeck, hoofdredacteur van Apache, zei tijdens deze bijeenkomst: geen enkele sector kan overleven zonder ruimte voor reflectie en kritiek.


Op 4 september 2026 volgt in Amsterdam een tweede gesprek over kunstkritiek tijdens het Nederlandse Theaterfestival (meer info). 

 

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

reportage
Leestijd 15 — 18 minuten

#182

15.04.2026

07.09.2026

Noah Lena Vercauteren

Noah Lena Vercauteren behaalde een diploma Vergelijkende Moderne Letterkunde en Theaterwetenschappen aan de Universiteit Gent, waar hen momenteel doctoreert. Daarnaast is die dichter, librettist en poëzieredacteur bij Kluger Hans en lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!