kleine redactie

Leestijd 5 — 8 minuten

Redactioneel Etcetera 159

Oeuvre in barre tijden

In barre besparingstijden voelt het bijna cynisch aan om een nummer te wijden aan het ontwikkelen van een oeuvre. De regering kondigde aan om per direct drastisch te snijden in de projectsubsidies en 6 procent te besparen op structureel gesubsidieerde organisaties – voor velen een fundamentele hap uit het vaak al niet erg grote budget voor artistieke creatie –, en 3 procent op de Vlaamse Instellingen. Hoe kan je een traject uitbouwen als dat actief wordt tegengewerkt?

Doordat de Vlaamse regering de nadruk legt op groot, liefst internationaal en vooral gegarandeerd succes, wordt de kunstensector steeds meer een aristocratie. De Vlaamse besparingen zijn allesbehalve neutraal. Ronduit huiveringwekkend is de bredere tendens om kritische en kwetsbare stemmen het zwijgen op te leggen. Net nu talrijke initiatieven en praktijken toewerken naar een inclusievere cultuursector, wordt deze beweging (steeds weer) ontmoedigd. Een klein lichtpuntje is de luidheid van het protest. Het doet deugd om te zien dat de cultuursector breder is dan velen – misschien wijzelf ook – denken. Van Michael Pas tot Leah Thys, van FC Bergman tot Hof van Eede, van Meg Stuart tot K.A.K., van het Concertgebouw tot Luc Tuymans, van WIELS tot cultureel erfgoed: de sector is breder en eensgezinder dan hij lijkt. En hij is ook nauwer verweven: we kunnen de besparingen op kunst en cultuur niet los zien van de beleidsverschuivingen voor de VRT en het hele (sociaal-culturele) middenveld. Op korte termijn zal ons protest luid moeten blijven weerklinken, en op lange termijn zullen we ons anders moeten organiseren om de identitaire, populistische verrechtsing te kunnen bestrijden.

Toen we aan dit nummer begonnen te werken, waren de concrete besparingsplannen nog lang niet bekend. Maar de tijdgeest was er natuurlijk wel al. En het is precies tegen die achtergrond dat onze fascinatie voor de ontwikkeling van een kunstenaarspraktijk moet worden begrepen. We vertrokken wellicht nog het meest vanuit het begrip ‘oeuvre’ uit respect voor de daad van het maken. We hebben bewondering voor het blijvende doorzettingsvermogen van makers, ondanks de obstakels. Die zijn van velerlei aard en gaan onder meer gepaard met gender (zoals Ilse Ghekiere in dit nummer vertelt en waarop het werk van Geumhyung Jeong reageert), of met afkomst en koloniale systemen (zoals Amanda Piña en Rolando Vázquez het ervaren en analyseren). En niet alleen het begin van een oeuvre vormt een precaire situatie – getuige opnieuw het belang van projectsubsidies, werkplaatsen, kunstkritiek en presentatieplekken voor experiment. Ook het afsluiten van een traject is een kwetsbare fase. Charlotte De Somviele ging daarover in gesprek met Lucas Vandervost, Willem de Wolf, Judith Vindevogel en Dirk Pauwels.

Werken aan een oeuvre betekent dat je je begeeft in het grensgebied tussen het persoonlijke, het intieme, het eigen lichaam en het kunstwerk, het uitwendige, het sociaal-economische. Bij het ontwikkelen van een oeuvre verweef je jezelf met een groter web, dat misschien wel lijkt op een möbiusring: een lus tussen binnen en buiten, tussen ik, werk, publiek, wereld, en weer terug. Choreograaf Julien Bruneau maakte er voor dit nummer een beeldenreeks over, vergezeld van een aantal huiselijke scènes.

Oeuvre was het voorbije jaar niet toevallig het onderwerp van een aantal voorstellingen: bijna letterlijk in Benjamin Verdoncks Aren, waarin het verzamelen met aandacht voor dat wat we zouden vergeten (kattebelletjes, kurkjes, …) niet alleen naar voren komt als centraal element in zijn esthetiek, maar ook in zijn leven. Met een kenmerkende eerlijkheid deelt Verdonck ook de werken die hij niet heeft kunnen of willen (af)maken. Ook dat is oeuvre: voorstellingen die het licht nooit hebben gezien, die niet uit de grijze massa van het brein of uit het atelier gekomen zijn. Niet goed genoeg, niet op punt, geen geld, geen tijd, geen plek…

Daniel Linehan toonde dan weer een ander aspect in Body of Work. De druk die hij in zijn voorstellingen op zijn performers zet en de hyperintensiteit van zijn choreografieën maken deze keer plaats voor contemplatie, een dieper bewustzijn. Ook hij brengt een persoonlijke blik binnen, maar wat hij vooral doet, is een onthechte en tegelijk intieme relatie blootleggen tussen ‘Daniel’ en ‘het werk van Daniel’. Alsof na de druk het loslaten volgt, en dat eigenlijk is wat hij echt zoekt. Die onthechting is een groot goed, een vrijheid tegenover werk die velen niet kunnen realiseren of bewaren omdat er financiële, sociale of andere factoren zijn die werk ‘iets van moeten’ maken. Body of Work staat alvast toe om als toeschouwer mee onthecht te contempleren: ten opzichte van de voorstelling, maar ook ten opzichte van het kijken zelf. Het gaat er niet meer om meteen te oordelen en sterren te geven, wel om deelgenoot te zijn van de intimiteit die vele kunst- werken op een of andere manier bieden.

De titel van Linehans voorstelling wijst op het belichaamde aspect van een oeuvre. Als performer is het lichaam uiteraard de opslagplaats, de klei waarin een oeuvre zich nestelt. Denk aan Jérôme Bels ontwapenende portretten van oudere dansers zoals Lutz Förster of Véronique Doisneau. Het gaat hem nooit alleen over het herinneren van de beweging. De gaten in de herinnering zijn even waardevol, en het opnieuw uitvoeren van frases komt altijd met een verhaal, een anekdote die duidelijk maakt dat een performerslichaam niet zomaar een databank van bewegingen is, maar ook van emoties, van interacties, van ervaringen die mee evolueren met het rijpingsproces in het geheugen.

En dan is er uiteraard nog de ontwikkeling van de artistieke taal en de zoektocht zelf. Hoewel vaak gesproken wordt over de ‘consistentie’ van een oeuvre, is er niet meteen een standaardrecept voor de manier waarop die samenhang en doorzetting tot stand komt. Sommige makers, zoals Kris Verdonck, werken twee jaar aan een voorstelling om tot een zo uitgepuurd en precies mogelijk werk te komen. Anderen produceren dan weer vrijwel voortdurend en voeren het gesprek over de ontwikkeling van hun werk en de vragen die erin spelen bijna rechtstreeks met het publiek, zoals Michiel Vandevelde.

Maar we kijken in dit nummer niet alleen naar het thema ‘oeuvre’ vanuit de druk die erop staat, maar ook vanuit het pure plezier om je als kijker af te vragen wat een kunstenaar nu weer zal doen, en de nieuwsgierigheid naar wat de volgende stap zal zijn. Dat plezier en de verwarring die een nieuw werk soms kan veroorzaken, ervaart Ciska Hoet ook wanneer ze in dit nummer schrijft over Walid Raads niet-aflatende, kritische spel tussen feit en fictie. En diezelfde nieuwsgierigheid bracht ons tot het opzetten van een terugkerend format in Etcetera, zowel op papier als online, waarin we maandelijks peilen naar de artistieke interesses en ervaringen van een kunstenaar. Deze keer stuurden we een uitnodiging naar Anna Franziska Jäger, een maakster en speelster die, hoewel ze aan het begin van haar oeuvre staat, al veel bereikte.

Oeuvre klinkt misschien als iets stabiels, conventioneels en individualistisch, maar investeren in een oeuvre betekent ook vertrouwen, experimenteren, samenwerken en risico’s nemen. Er is moed, respect en generositeit voor nodig – van producerende en presenterende huizen, van publiek en van subsidiërende instanties – om kunstenaars, groepen, werken te laten groeien en bestaan. Een kunstenveld als vrijplaats om je te ontwikkelen: het is een streefdoel dat vandaag fundamenteel onder druk staat. Het is een waarde waarvoor we graag de strijd aangaan.

In solidariteit,
de kleine redactie

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#159

15.12.2019

14.03.2020

kleine redactie

artikel