‘De Nacht vlak voor de bossen/La Nuit juste avant les forêts’, Dito’Dito / Hans Roels

Marleen Baeten

Leestijd 4 — 7 minuten

Redactioneel

1.

Sinds zwarte zondag (24 nov. 1991) heeft Vlaanderen het probleem (voor de enen) of de uitdaging (voor anderen) van de multiculturele samenleving ontdekt. Het ene debat volgde het andere initiatief op. In de theaterwereld bleef het eerder stil. De stilte waarin bijvoorbeeld de nieuwe artistieke ploeg van de Beursschouwburg experimenten aanging om ‘de Brusseliens, desnoods zonder cultuur’ te bereiken, stond in schril contrast met de heftige discussies over het nieuwe podiumkunstendecreet, dat de erkenning en subsidiëring van het theater, de dans, het muziektheater en de kunstencentra zou regelen.

Binnenkort zijn er weer verkiezingen. Er wordt weer volop gepraat over multiculturaliteit, nu ook in de theaterwereld. ‘”Multicultureel” is in, ook in de kunstensector) hóórt het.’ Zo opende het kunstencentrum Stuc (Leuven) zijn aankondiging van drie gespreksavonden over de context van het multiculturele debat. Een debat over een debat dus, en dat alles onder de titel Salonfähig. Nog geen week later gingen in het kader van het Time-festival (Gent) drie avonden door over culturele beeldvorming en de wijze van berichten over andere culturen, met de Figuur Vrijdag uit Daniel Defoe’s Robinson Crusoé als vertrekpunt.

Terwijl het politiek theater van de jaren ’70 vooral op naam te schrijven valt van de kunstenaars, manifesteert de belangstelling voor maatschappelijke thema’s zich nu minstens even sterk op het niveau van de organisatoren. Dit eerder nieuwe fenomeen maakt deel uit van de tendens om zich als kunstencentrum, schouwburg of festival te profileren met een eigen identiteit, die de eigenheid van de uitgenodigde produkties overstijgt. Soms lijkt de analyse van het ‘discours’ echter meer aandacht te krijgen dan de multiculturele samenleving zelf, en wat het theater daar dan mee te maken kan hebben.

2.

Ook al in maart organiseerde het theatertijdschrift De Scène een debat over Theater en politiek, dat op veel belangstelling kon rekenen… waarbij toch wel gezegd moet worden dat de gemiddelde leeftijd dichter bij de vijftig lag dan bij de veertig en al helemaal niet bij de dertig. Zat het tijdstip er voor iets tussen? Er zijn inderdaad aanlokkelijker momenten te bedenken dan een zondagochtend. Of moet er een verband gezocht worden tussen thema en publiek? Hoe dan ook, uit dit debat sprak een zeer grote bekommernis om de toekomst van de samenleving en die van het theater, in hun onderlinge samenhang.

De vraag naar een op flexibiliteit gericht beleid vormde zowat de rode draad doorheen de statements van de sprekers (Herwig De Weerdt, Willy Thomas, Eric Antonis, Rik Hancké, Guido Minne en Geert Opsomer) en de interventies van het publiek. Rekening houdend met de complexe en steeds veranderende realiteit bieden flexibele structuren de enige mogelijkheid om te voorkomen dat het beleid jaren achternahinkt op de praktijk. Die flexibiliteit bestrijkt diverse terreinen.

Een eerste domein betreft de samenwerkingsverbanden die een kunstenaar aangaat bij het maken van zijn produkt. Dat samenwerking tussen Vlaamse en Franstalige Brusselaars niet gehonoreerd wordt in het federale België, ondervinden de Beursschouwburg en Dito’Dito in hun portemonnee. Maar ook samenwerking van de theaterwereld met het socio-cultureel werk, met het onderwijs, met ‘de straat’ wordt helemaal niet gestimuleerd door de overheid… en ook zo goed als niet gevraagd door de sector. Misschien had Rik Hancké wel gelijk toen hij stelde dat engagement ontstaat uit een collectief bewustzijn en uit politieke en sociale onrust. Van een collectief bewustzijn kan je in de jaren ’90 moeilijk nog spreken. Politieke en sociale onrust is er nog steeds, zij het ingedamd en teruggeduwd naar bepaalde plekken en bevolkingsgroepen… ver weg van het theater. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat een voorstelling met een duidelijke politieke boodschap dikwijls ‘vals’ overkomt, of helemaal niet overkomt. Een gezelschap als Dito’Dito kiest eerder voor samenwerking met mensen van buiten het theater, rappers bijvoorbeeld. Het wordt afwachten of dit mettertijd andere voorstellingen zal opleveren. Op het niveau van organisatoren lijkt er geen eerlijke middenweg te bestaan tussen zelf de straat op gaan en reflecteren over de initiatieven van anderen. Een keuze die hand in hand gaat met een andere keuze: je programma — en dus ook je identiteit — helemaal zelf bepalen of ook (onbekende) anderen daar een stem in geven?

De kunstenaar die kiest om in te gaan op onvoorziene samenwerkingsmogelijkheden, met mensen van buiten het gekende circuit, krijgt te maken met hetzelfde probleem waarmee elk niet erkend gezelschap geconfronteerd wordt: de veel te kleine projectenpot. Hiermee raken we het tweede domein waarop tijdens het debat een flexibel beleid werd gevraagd: dat van de produkties. Het podiumkunstendecreet subsidieert een beperkt aantal gezelschappen gedurende vier jaar. Heel die tijd lang zit de rest muurvast, enkele gelukkigen die een project erkend kregen niet te na gesproken. Tijdens het debat werd terecht opgemerkt dat de theatersector hier niet, mag nalaten de hand in eigen boezem te steken: het decreet is het resultaat van een vraag om meer zekerheid vanuit de sector.

3.

Het volstaat niet om de projectenpot groter te maken, wanneer er geen podium is waarop deze produkties kunnen gepresenteerd worden. De agenda’s voor volgend seizoen zijn reeds goed gevuld; die van twee seizoenen verder worden ook al bovengehaald. Wie de aandacht van pers en publiek — en in het zog daarvan ook de welwillendheid van de overheid — wil krijgen, moet immers vooruit denken. Mark Deputter legt in het Stuc-programma van maart de vinger op de zere plek: ‘de structuren die nog niet zo lang geleden ontstaan zijn in antwoord op de noden van de kunstenaar(sgeneratie), dreigen de kunst te verstikken.’ Ook hier weerklinkt de vraag naar flexibiliteit. Het beleid zou open gaten in de agenda’s moeten stimuleren, zodat kunstenaars die op hun eigen tempo werken, in onvoorziene samenwerkingsverbanden, ook een podium krijgen.

Flexibiliteit in de planning zal meer dan waarschijnlijk samengaan met diversiteit in het aanbod, met produkties waarin de artistieke en/of maatschappelijke noodzaak primeert op een organisatorische noodzaak. Dergelijke aanpak schept kansen voor onvermoede kwaliteit, maar brengt ook risico’s met zich mee, ontoetsbaarheid aan vooraf geformuleerde criteria, verlies van herkenbaarheid. Misschien is het opgeven van een vooropgestelde, duidelijk herkenbare identiteit wel de meest politieke daad die een organisator kan stellen…?

varia
Leestijd 4 — 7 minuten

#49

15.04.1995

14.07.1995

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.

varia