Kristien De Coster

Leestijd 3 — 6 minuten

Prometheus landschap

Jan Fabre, Berlijn

Tot over onze grenzen creëert Jan Fabre zijn blauwe universum en slaagt hij er bovendien in daartoe mensen aan het “biccen” te zetten. In afwachting van de voltooiing van zijn operaproject, leidde hij in de maand juni een twee weken durende workshop in het kader van Berlijn Kultuurstad ’88. De workshop en de daaruit resulterende voorstelling vonden plaats in het Künstlerhaus Bethanien waar Fabre werkte met acht akteurs onder wie een zangeres. Hij had hen tijdens voorafgaande audities uit een groep van ongeveer 50 kandidaten geselecteerd.

Net als in de dansfragmenten van de opera is ook in het decorconcept van deze produktie de kleur blauw toonaangevend, maar ditmaal is Fabre nog een stap verder gegaan: hij heeft voor de aanvang van de workshop zowel muren als plafond, vloer en deuren van de hem toegewezen ruimte met bic blauw laten kleuren. Slechts het glas in de drie hoge ramen die op het oosten uitgeven, is aan de bic-woede ontsnapt. De toeschouwers die de kans hadden een voorstelling bij te wonen, konden in de wemeling van het blauwelijnenlandschap allerlei beelden ontdekken en vermoeden: een tiental ogen, dierenfiguren, enz.

Om het gebeuren mee te maken, moest je wel vroeg uit de veren: Fabre programmeerde de voorstellingen om 4 uur ‘s ochtends, ook het ‘blauwe uur’ genoemd, de schemertoestand tussen nacht en dag, die hem in het verleden reeds inspireerde tot het maken van een reeks tekeningen. Inderdaad was de hemel diep-blauw toen ik de ochtend van de voorstelling ontwaakte, en ik had bovendien het geluk dat de opkomende zon die dag prachtige, verschuivende lichtvlakken op de blauwe muren wierp.

Uitgangspunt voor de workshop was Prometheus geboeid van Aeschylus in Duitse vertaling. Voor Fabre is het de eerste maal in zijn carrière als theatermaker, dat hij een geschreven toneeltekst regisseert. In overleg met zijn dramaturge heeft hij de oorspronkelijke 1100 verzen herleid tot ongeveer 140. Ondanks de grote sprongen in de tekst, zijn daarbij resten van de meeste monologen en dialogen bewaard, zij het dan uiterst fragmentarisch, evenals bijna alle originele personages, inclusief het koor, waarover Fabre aanvankelijk vragen had. Wel heeft hij enkele wijzigingen in de volgorde van de gebeurtenissen aangebracht. Aeschylus’ tekst toont in het begintoneel hoe Prometheus aan het uiteinde van de bewoonde wereld door Hephaestus, god van het vuur en bewerker van de metalen, met onbreekbare boeien aan een rots vastgesmeed wordt, laat hem verder in vrij statische taferelen (gezien zijn situatie) een aantal bezoekers ontvangen en eindigt met Prometheus’ beschrijving van de natuurkrachten die hem onder het puin bedelven. Fabres versie vangt aan in medias res met de klacht van Io (die door de afgunstige echtgenote van Zeus als een waanzinnige, tot koe gemetamorfoseerde, over landen en zeeën opgejaagd wordt) en eindigt met een vraag van de koorleidster: “Wie is ‘t die ‘t roer van de Noodwendigheid hanteert?”

De voorstelling biedt noch een antwoord op deze vraag, noch een uitbreiding van de konkrete gebeurtenissen, maar creëert een intrigerend, verstild “Prometheus landschap”, waarin de akteurs als levende standbeelden een plaats innemen. Tegenover de toeschouwers zitten vijf Prometheus-figuren in blauwgebicte onderbroekjes op gelijke afstanden van elkaar, vastgeklonken in dezelfde houding. Afwisselend te zamen en dan weer afzonderlijk worstelen zij zich overwegend fluisterend en consequent stotterend door hun verzen. Hun opgezwollen nekspieren en de extreme inspanning en pijn die bij het uitbraken van de woorden op hun gezichten te lezen valt, geven uiting aan een inwendig lijden. Drie andere figuren bevolken dit bevreemdende decor: een man met ruim hemd en blote benen rechts in de ruimte, houdt een blauwbebicte ballon aan een touwtje in de hand. Zijn lichtjes voorovergebogen houding wekt de indruk dat hij elk moment kan vallen, ware het niet dat de ballon hem overeind hield. Hij neemt de tekstfragmenten van verschillende personages voor zijn rekening. Aan de andere kant van de ruimte bevinden zich twee vrouwen: de ene zit in een zwart mantelpakje op een stoel tussen twee ramen en zingt de klacht van Io. Af en toe betast zij nerveus haar lichaam. De andere staat naakt op een vensterbank, met de rug naar het publiek gekeerd. Als koorleidster beperkt zij zich niet tot haar verzen, maar lijkt ook door het klaterend uitspuwen van water (zij blijkt een glas water in de hand te hebben) commentaar te leveren. Vermeldenswaard zijn ten slotte de lopende bladeren (te vergelijken met lopende takken) in de linkerhand van de Prometheus-figuren en op de grond. In het statistische decor zijn ze traag, maar aanhoudend in beweging en relativeren daardoor de ernstige strakheid van het geheel.

De voorstelling bevat vele elementen die moeilijk meteen te plaatsen of te begrijpen zijn, maar oefent desondanks een grote fascinatie uit op de toeschouwer door de kracht van haar beelden en door de manier waarop de tekst wordt aangepakt. Als resultaat van amper twee weken arbeid zeker de moeite waard.

Prometheus Landschap

Concept, regie en decors: Jan Fabre;

dramaturgie: Maart Veldman;

met Marcel Bogers, Dietmar Girandelli, Suzanne Husemann, Herbert Lange, Anna-Lisa Nathan, Achim Racket, Roberto Rossi, Joachim von der Heiden.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#23

15.09.1988

14.12.1988

Kristien De Coster