Pieter T’Jonck

Leestijd 6 — 9 minuten

Portretten

Het Kritisch Theater Lexicon

Het Vlaams Theater Instituut zorgt onder andere voor het archiveren en het ontsluiten van de geschiedenis van het theater. Pieter T’Jonck over één van de historische projecten van het VTI.

‘Mistero Buffo ging in première op Expo ’58. Maria Magdalena was de eerste komedie van Jan Decorte. Franz Marijnen is een Hollander.’ Zelfs wie maar vaag op de hoogte is van het Nederlandstalig theater weet wel dat deze beweringen de bal grondig mis slaan. Toch staan ze op de leaflet die de verschijning van het Kritisch Theater Lexicon (KTL) van het Vlaams Theater Instituut (VTI) aankondigt: een geestige manier om de vinger te leggen op het pijnlijk ontbreken van een globale geschiedschrijving van het theater in Vlaanderen in deze eeuw. Dat heeft ook zo zijn gevolgen voor de wijze waarop men hier theater maakt: om de zoveel tijd vindt men ergens het warm water wel weer uit. Van een gestructureerde overdracht van kennis en inzicht, laat staan van een dialoog tussen generaties theatermakers is slechts zelden sprake, om nog te zwijgen over de receptiegeschiedenis van oeuvres, en over de inzichten en teksten van mensen die langere tijd als toeschouwer en criticus het theater gevolgd hebben. Voor een vluchtige kunst als de podiumkunst is dat een levensgroot probleem. Die nijpende nood verklaart ook waarom precies kennis- en ervaringsoverdracht een uitgangspunt was bij de oprichting van P.A.R.T.S., de dansschool van Anne Teresa De Keersmaeker. Als er echter één instelling is die zich op een gestructureerde wijze kan en moet bezighouden, niet alleen met het archiveren, maar ook met het ontsluiten van de geschiedenis van het theater, dan is het wel het VTI. En ondanks het voortdurende structurele gebrek aan voldoende middelen doet het dat nu dus ook.

Het KTL is onderdeel van een groter project, dat nog opgestart werd onder leiding van Ann Olaerts, de vorige directeur van het VTI. Het eerste luik, het lexicon, is een verzameling kleine monografieën, portretten, die telkens het werk van een theaterkunstenaar belichten. Samen vormen die portretten natuurlijk op een fragmentaire wijze een geschiedenis, maar het is evident dat die verhalen pas hun volle betekenis krijgen in het licht van een algemene geschiedenis van de podiumkunsten (het laatste overzicht zou van 1927 dateren!). Dat is het tweede luik. In de marge kan hierbij vermeld worden dat het vti ondertussen ook de uitgave verzorgt van invloedrijke manifesten uit de recente geschiedenis, zoals T68/De toekomst van het theater in Zuid-Nederland van Alex Van Royen, Carlos Tindemans en Hugo Claus. Het belang van de beschikbaarheid van dat materiaal hoeft allicht geen nader betoog. Ten slotte is het evident dat een bij uitstek visuele kunst als theater schreeuwt om beeldmateriaal, liefst bewegend beeldmateriaal. Dat ligt nu op verschillende plaatsen opgeslagen (denk maar aan het gigantische BRT-archief van o.a. Annie Declerck), maar het is allerminst evident om het te consulteren. Het derde luik van dit project is dan ook het verzamelen en vooral het ontsluiten van dit materiaal, op digitale dragers. Zowel het alomvattende historisch project als de inspanningen voor audiovisuele archivering wachten echter nog op de Vlaamse regering. Deze heeft beloofd een Max Wildiers Fonds op te richten, voor de wetenschappelijke ontsluiting van historische archieven, maar ze aarzelt met het formuleren van de precieze opdracht. Wachten dus.

Zelfs een onderneming als het KTL is echter onmogelijk bol te werken met de beperkte staf van het VTI, die nog heel wat andere taken heeft. Hoofdredacteur Geert Opsomer heeft het project dan ook bedacht als een samenwerking tussen het VTI en vier Vlaamse Universiteiten (UG, VUB, KUL, UIA). Daardoor komt natuurlijk een belangrijk onderzoekspotentieel van jonge theaterwetenschappers ter beschikking. In de redactieraad vind je echter, naast academici die zich in mindere of meerdere mate bezig houden met theaterwetenschap (o.a. Luk Van den Dries en Rudi Laermans), ook mensen als Pol Arias en Annie Declerck, die het theater langs de kritische zijde over een (zeer) lange periode intensief gevolgd hebben. Dramaturgen als Marianne Van Kerkhoven en Erwin Jans, die door hun werk een stempel gedrukt hebben op het denken over podiumkunsten in de Lage Landen, zitten ook mee in de redactieraad. Door die samenstelling krijg je een garantie voor het sérieux van de teksten die verschijnen. (Al kan je je afvragen of het niet nuttig en wenselijk ware geweest om ook enkele theatermakers mee uit te nodigen om op zijn minst te adviseren.)

Tot dusver zijn er zestien delen van het KTL verschenen, maar de lijst van nog te maken portretten is al langer dan honderd. Ondertussen werkt men ook aan vertalingen naar het Frans en Engels van die portretten, een eer die voorlopig alleen Jan Fabre, Anne Teresa De Keersmaeker, Wim Vandekeybus en Marc Vanrunxt te beurt viel. De opbouw van elk deeltje is min of meer dezelfde. In een eerste deel wordt de levensloop van de kunstenaar, zijn belangrijkste werk en de receptie ervan besproken. In enkele gevallen krijg je daarbij ook vier bladzijden foto’s van voorstellingen. In een tweede deel krijg je een zo volledig mogelijk overzicht van het werk (titels, data, plaatsen) en een – in de meeste gevallen – relatief summiere bibliografie. De reden voor dat laatste ligt voor de hand: het is o.a. bijna ondoenbaar om een exhaustieve lijst te geven van alle recensies die over voorstellingen verschenen zijn. Toch zou je in sommige gevallen wensen dat men iets meer werk investeerde in deze bibliografie. Daarover verder meer.

De portretten die tot dusver verschenen zijn vallen grosso modo in twee groepen uiteen. Aan de ene kant heb je een reeks van acht portretten van kunstenaars die fin de carrière zijn, zoals Senne Rouffaer, of overleden, zoals Rudi Van Vlaenderen en Dries Wieme. In die gevallen is het uiteraard mogelijk een soort definitieve balans op te maken. Aan de andere kant heb je vier portretten van kunstenaars als De Keersmaeker, Vandekeybus, Fabre en Vanrunxt die nog volop actief zijn en, misschien niet toevallig, in hoofdzaak in de danswereld te situeren zijn. In de meeste portretten krijg je een eerder neutrale, maar waarderende beschrijving van het werk. Toch zijn er merkwaardige verschillen in de positie die de auteurs tegenover hun onderwerp innemen.

Bij het portret van Dries Wieme door Kurt Vanhoutte, Sophie Van Weert en Veerle Kerckhoven overheerst duidelijk de academische optiek. Biografie, artistieke en maatschappelijke context, kunst- en theateropvattingen en receptie worden, netjes gescheiden, achtereenvolgens kort besproken en voorzien van veel noten. Wellicht heeft die houding ook iets te maken met het feit dat de auteurs bij mijn weten slechts een zeer beperkt deel van het werk van Wieme ooit gezien kunnen hebben. Dat ligt helemaal anders bij Wim Van Gansbekes boekje over Julien Schoenaerts. Van Gansbeke kiest duidelijk partij voor zijn onderwerp, en gebruikt zelfs allerlei typografische middelen om uitspraken en gedachten (van Schoenaerts en anderen) in de verf te zetten, los van het notenapparaat. Vanaf de biografische nota is hier een schrijver aan het werk die het ‘objectieve materiaal’ ordent om de betekenis van een oeuvre reeds aan te kondigen. Dat lijkt mij een interessantere benadering. Je krijgt niet alleen een beeld van de man en zijn werk, maar tegelijk ook een concreet aanvoelen van de sterke impact van de kunstenaar. Zijn werk blijkt een zeker denken over theater mee vooruit geholpen te hebben, in die mate zelfs dat iets van het oorspronkelijk enthousiasme van de auteur nog steeds meeklinkt in dit portret.

Bij de nog actieve kunstenaars kan je een gelijkaardige tweedeling zien, al zijn de verschillen hier kleiner. Marianne Van Kerkhoven en Rudi Laermans zijn, elk op hun manier, vrij intensief betrokken geweest bij het werk van Anne Teresa De Keersmaeker. In hun tekst volgen ze niet het geijkte parcours dat je bijvoorbeeld bij de tekst over Wieme vindt, maar raken zij verschillende onderwerpen als artistieke context, thema’s en receptie aan in de loop van een min of meer chronologische beschrijving van de verschillende werken in het oeuvre van de choreografe. Daardoor leggen zij een sterke nadruk op de grote interne samenhang ervan. De thema’s dienen zich als het ware vanzelf aan. De eenvoud van het concept belet bovendien niet dat er zeer subtiele analyses worden gemaakt van de manier waarop bij De Keersmaeker bijvoorbeeld muziek tegenover dans staat of seksuele differentie een voortdurende onderliggende thematiek blijft. Overigens is het precies hier jammer dat de bibliografie eerder aan de summiere kant is, en wellicht vooral een overzicht is van het materiaal dat aangewend is in de tekst zelf.

De tekst van Myriam Van Imschoot over Marc Vanrunxt is minstens even lezenswaard als deze over De Keersmaeker, maar laat zich op sommige momenten ook bijna lezen als de apologie van een kunstenaar die nooit de grote publieke en kritische bijval van een Fabre of een De Keersmaeker kende. Ook hier worden de academische kopjes nauwelijks gebruikt. Een analyse van de receptie van het werk draagt bijvoorbeeld de titel Het buitenlichaam en is voor Van Imschoot slechts een opmaat om vragen te stellen bij de criteria en de wijze waarop artiesten het al dan niet ‘maken’. In het analytische deel van het portret kruipt zij zelfs als het ware mee in het lichaam van deze fysiek inderdaad eerder merkwaardig gebouwde danser, om uiteindelijk in een epiloog uit te komen bij de ‘ziel’ van het werk. Meer dan eens vormt het werk van Vanrunxt de aanleiding voor erg spitse en behartenswaardige bedenkingen over de betekenis van dans. Al kan ik haar enthousiasme voor het oeuvre van Vanrunxt niet helemaal delen, ik geloof wel dat deze zeer betrokken manier van schrijven een van de weinige is waarop je dans in woorden echt recht kan doen.

Bij alle diversiteit die je in dit project kan aantreffen tussen de benaderingen van diverse auteurs, blijft één ding overeind. Alle portretten zijn, zonder uitzondering, op zijn minst instructief en verhelderend. In enkele gevallen gaat het dus ook om teksten die op zich, zelfs los van het onderwerp, sterk zijn door hun intelligente observaties over theater en dans. Een in essentie encyclopedische aanpak, die in het Vlaamse theaterlandschap broodnodig is, krijgt zo ook nog een onverwachte meerwaarde. Dat is meer dan wat je van zo’n project normaliter kan verwachten.

Het Kritisch Theater Lexicon is een uitgave van het Vlaams Theater Instituut. Hoofdredactie: Geert Opsomer. Prijs: 250 fr. per cahier; 1000 fr. voor 4 cahiers en een gratis verzamelmap; 300 fr. voor een vertaald cahier. Beschikbare cahiers:

1 Senne Rouffaer,

2 Dries Wieme,

3 Jan Walravens,

4 Rudi Van Vlaenderen,

5 Tone Brulin,

6 Julien Schoenaerts,

7 Herman Teirlinck,

8 Walter Tillemans,

9 Anne Teresa De Keersmaeker (ook Frans en Engels),

10 Jan Fabre (ook Frans en Engels),

11 Wim Vandekeybus (ook Frans en Engels),

12 Marc Vanrunxt (ook Engels),

13 Etienne Debel,

14 Josse De Pauw,

15 Arne Sierens,

16 Dora van der Groen.

 

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.

artikel