Tijl Bossuyt

Leestijd 8 — 11 minuten

Participatie als fundament van kunsthuizen

Tijl Bossuyt over de werking van De Veerman

Kunst en participatie, het is een hot topic sinds de functie is opgenomen in het nieuwe Kunstendecreet. Toch blijven participatieve projecten vaak nog een randfenomeen binnen de werking van kunsthuizen, meent Tijl Bossuyt, artistiek leider van De Veerman, sinds 2000 een pionier op het vlak van kunsteducatie. Hij pleit voor een meer geïntegreerde aanpak.

Kunst verbindt op een complexe manier de driehoek kunstenaar-kunstwerk-publiek. Al is ‘verbinden’ misschien nog niet het juiste woord. Als je naar kunsthuizen kijkt, lijken zij via hun programmering vooral iets aan ingewijden te vertellen: ze trekken vooral mensen aan die al tot op zekere hoogte geletterd zijn en over een gedeeld vocabularium beschikken om over kunst te reflecteren. Educatieve organisaties en publiekswerkingen werden de voorbije jaren veelvuldig gevraagd om dit selecte publiek te verruimen. Ze specialiseerden zich in het ontsluiten van de kunsten voor het grote publiek door hen inzicht te geven in de ‘grammatica’ en de context van het artistieke werk.

Die opdracht van kunsteducatie als het leren ‘van, met, over en door kunst’ volstaat vandaag niet langer. De overheid, maar ook de kunstensector zelf, geeft aan dat het maatschappelijke draagvlak van de kunsten groter moet. Hedendaagse kunsteducatie wil een publiek niet langer alleen de taal van de kunst laten begrijpen, maar het ook de tools meegeven om zich die taal eigen te maken, opdat het minstens kan meespreken. En net op dat punt vraagt educatie om participatie, om het geëngageerd en actief’deelnemen’ aan het proces van betekenisgeving.

Met andere woorden, terwijl educatie zich vroeger concentreerde op ‘de kunst uitleggen’ — vaak vanuit een enge, functionele en oordelende visie op kunst, gestuurd vanuit het onderwijs en pseudoartistieke kunst-docenten — focust participatie vandaag steeds meer op ervaringsgericht participeren, een eis die parallel loopt met andere maatschappelijke domeinen waar die actieve deelname het nieuwe ordewoord is, zoals burgerschaps-fora en burgerbegrotingen. Hoe we greep krijgen op zingeving door als individu, burger, kunstliefhebber enzovoort zelf deel te nemen en deel te hebben, is immers niet alleen een artistieke, maar ook een bredere maatschappelijke, pedagogische en politieke vraag.

Om die ambitie te kunnen waarmaken, vindt educatie — zoals terecht geformuleerd in het nieuwe Kunstendecreet — idealiter plaats in een participatieve omgeving waarin een dynamiek ontstaat tussen kunstwerk, kunstenaar en deelnemer. Dat houdt in dat het publiek sterk betrokken moet worden bij het proces dat de kunstenaar doorloopt, in plaats van er achteraf in te worden ingewijd, zoals lange tijd het model was. Die toenadering kan door de kunstenaar zelf geïnitieerd worden, maar ook een intermediair — een kunst- of cultuurhuis — kan een katalysator zijn. Voorwaarde is wel dat die bemiddelaar zich niet boven deze dynamiek stelt, maar zich in het proces inschrijft.

En net daar knelt het schoentje. Wat me opviel tijdens de vele discussies die ik als voorzitter van de beoordelingscommissie Podiumkunsten mocht meemaken naar aanleiding van de structurele subsidieronde, was dat veel huizen in hun zoektocht naar nieuwe vormen en formats zélf een invulling geven aan participatie en zich maar weinig moeite getroosten om met kunstenaars, publiek of de te bereiken doelgroep in gesprekte gaan of hen te laten meezoeken naar nieuwe wegen.

Is dat een kwestie van angst of arrogantie, dat ze niet eens vanachter de muur van hun ivoren toren komen kijken? Moeilijk te zeggen. Eén ding staat vast: als een kunsthuis zich effectief wil inschrijven in de noodzakelijke dynamiek waarin participatie ontstaat, is er een switch of mind nodig, een evolutie van een top-downvisie op kunsteducatie naar een bottom-up gedeelde zingeving. Hoe proberen we dat vanuit De Veerman te bewerkstelligen?

Help, kinderen in de zaal!

AMUZ, het internationale muziekcentrum dat vanuit een historisch-wetenschappelijke benadering muziek van alle tijden, stijlen en culturen aan een breed publiek presenteert, stelde ons een tijd geleden de vraag of we voor hen een aantal kinderworkshops wilden ontwikkelen. Met De Veerman kunnen we workshops ontwikkelen om kinderen te laten kennismaken met ‘oude’ muziek. Maar als we ons daartoe zouden beperken, doen we alleen wat ‘opfleurwerk’. Belangrijker is het om te achterhalen welke vraag achter deze uitnodiging schuilgaat en welke verlangens er spelen bij de beoogde doelgroep.

In het geval van AMUZ was dat eigenlijk een publieks-kwestie: AMUZ bereikte overwegend een ouder publiek van kenners, terwijl het aanbod ook interessant kan zijn voor een jong publiek, zo bleek uit andere programma’s die we voor het huis al uitwerkten. Hun oplossing bestond uit het aanbieden van workshops voor jongeren, maar dat zou slechts een eenmalig effect hebben. Daarom zijn we samen met hen gaan nadenken over de essentie van de vraag: hoe bereiken we op een duurzame manier een breder (in dit geval: jonger) publiek? En wat kunnen we leren uit de motivatie van een jonger publiek om al dan niet deel te nemen aan kunst?

Een eerste stap was het aanbieden van workshops aan kinderen, maar niet op een geïsoleerde manier. Ook het bestaande publiek, de artiesten en de inhoudelijke visie van het huis moesten geïntegreerd worden in het proces. Zo is het programma Help, er zitten kinderen in de concertzaal ontstaan, waarbij kinderen op verkenning gingen naar muziekinstrumenten, bezettingen, uitvoerders, componisten en de tijdgeest waarin een bepaald muziekstuk werd gemaakt. Ook de kennismaking met de uitvoerende artiesten en het publiek van connaisseurs was onderdeel van dit kleine programma.

Omdat de concentratie van kinderen niet sterk genoeg is om een volledig concert bij te wonen, lieten we het concert onderbreken om met de kinderen de zaal te verlaten en met hen verder te werken op het muziek-materiaal. Dat leverde heel wat discussies op met AMUZ, dat twijfelde over deze stap. ‘Ons publiek wil een beleving van een concert zoals het dat gewend is’, zo klonk het. Zou het getrouwe publiek zo’n intermezzo wel aanvaarden? Dergelijk uitgangspunt heeft eigenlijk niets met het kunstgebeuren te maken, maar wel met het vasthouden aan een traditionele manier van muziek beleven. Daarbinnen is eigenlijk geen plaats voor het jongere publiek dat AMUZ graag wilde aantrekken. Als je die blinde vlek samen kunt doorprikken, is er veel mogelijk. Het zijn misschien kleine stapjes in het proces naar participatie, maar blijkbaar grote stappen voor een structuur die zich maar moeizaam laat veranderen.

Dit proces heeft er bijvoorbeeld ook toe geleid dat een AMUZ-medewerker die participatieprojecten als vaste opdracht kreeg, zodat hij mee kon bewaken welke toekomstige programma’s geschikt zijn voor dergelijke initiatieven en welke van de uitvoerende kunstenaars bereid zijn om mee te werken. Ook bij deFilharmonie hebben we ervoor gezorgd dat de uitvoerende muzikanten (en dus geen externe educatieve medewerkers) zelf een deel van het begeleidingswerk met de doelgroep op zich konden nemen. De tijd en middelen investeren om elk aspect van de organisatie te herbekijken vanuit een participatie-focus is een must om zulke processen te laten slagen.

Oordelen versus verbinden

Is het ultieme doel van participatie dan dat het verruimde publiek elke kunstvorm mooi of goed moet leren vinden? Die pedagogische visie op kunst is vaak nog een verborgen wens van organisaties die onze expertise inroepen. Wij zeggen hier categoriek’neen’ op: bij participatie gaat het niet over oordelen — dat zou net contraproductief de kracht van kunst verloren laten gaan — maar over het verbinden van werelden, van manieren van kijken, van zingeving. Het is dus niet de kunstvorm, maar de kunstbeleving en de reflectie op het ‘zijn’ die hierbij centraal staat. Dat heeft twee kanten: het kunstwerk en zijn context, en de eigen beleving en achtergrond van de toeschouwer, deelnemer. Wil men van ‘deelhebber’ spreken, dan is het noodzakelijk dat er een (herkenbare) connectie tussen beide wordt gecreëerd.

Veel kinderen en jongeren, maar ook nogal veel volwassenen vinden klassieke muziek bijvoorbeeld ouderwets. Ook hedendaagse composities worden hierbij in één adem van tafel geveegd. Binnen AMUZ, dat onder andere artiesten zoals het Goeyvaerts Strijktrio, More Maiorum of het HERMESensemble programmeert, brengen wij kinderen die nog nooit muziek hebben gespeeld samen met professionele muzikanten. Zij nemen hen mee in hun zoektocht naar de best mogelijke uitvoering van een muziekstuk en de achterliggende zingeving ervan. Ze laten de kinderen ervaren dat muziek spelen niet gaat om ‘kijk eens wat ik kan’, maar over een poging tot doorvoelde expressie.

Wij gaan van daaruit nog een stap verder: wij proberen samen met die kinderen, jongeren, volwassenen ook effectief in de wereld van het ensemble te stappen. Vanuit die belevenis ontdekken ze zelf de moeilijkheden en mogelijkheden om met kunst iets te vertellen. Die zoektocht — heel dikwijls aangeduid als ‘het artistieke proces’ — is hier de essentie.

Het resultaat kan voor de deelnemers heel verschillend zijn. Zo werkten we voor deFilharmonie met jongeren rond het iconische Le Sacre du Printemps van Stravinsky. We lieten hen samen met muzikanten en een musicoloog grasduinen in de muziek en probeerden te achterhalen wat dit met hen en de muzikant doet, uit welke tijdgeest het stuk is ontsproten, en of er parallellen te trekken zijn met hun leefwereld. Door een dynamiek op te zetten tussen de maker (die niet meer leeft), zijn product (dat de tijd overleefd heeft) en dat te verbinden met de kijker/luisteraar/’-deelhebber’ (die dat op zijn beurt verbindt met hoe hij vandaag in de wereld staat) ontstaat er een ‘geboeid zijn’. De jongeren hebben vervolgens op die muziek een nieuwe dansvoorstelling gemaakt vanuit hun eigen kijk op de wereld.

De nieuwe rol van de kunsthuizen

Kunsthuizen die willen werken rond participatie, nodigen participatieve kunstorganisaties nog vaak uit via de deur van de publiekswerking — het complexe netwerk van communicatie, marketing, informatie, ontvangst en begeleiding dat ervoor moet zorgen dat er publiek in de zaal zit — of van de educatieve dienst, die het kunstgebeuren fleurig moet omkaderen. Die educatieve of participatieve productielijn vanuit de inhoudelijke visie van een huis wordt zelden tot nooit gearticuleerd in de programmering. Ook de vele kunstenaars met wie we samenwerken — onder anderen Kristof Van Gestel, Reinout Dewulf, Katrien Oosterlinck, Kate McIntosh en Stefan Perceval — worden door kunsthuizen op hun beurt vaak nog veroordeeld tot ‘de educatieve ruimte’ terwijl ze geen educatief, maar wel een artistiek-participatief doel voor ogen hebben. Zij zijn op zoek naar een manier om samen met een publiek of toevallige groep kunst te beleven. Deze kunst, al dan niet vanuit een voorbedachte format of methode, in samenspraak met de toeschouwer laten ontstaan, is voor velen van hen de ultieme partici-patievorm. Zij gaan ervan uit dat samen een kunstwerk maken of het zich laten voltrekken van een kunstwerk het ideale uitgangspunt is om mensen te laten meedenken, reflecteren en beleven.

Zo ging Kristof Van Gestel, artist in residence bij het S.M.A.K., de uitdaging aan om een werkte maken in de hal van het museum. Vanuit de ervaring van het kunstwerk Conversation Piece/AM konden de toeschouwers met de kunstenaar een privaat gesprek aangaan. Kunst was in dit opzicht geen tentoonstelling meer, maar een gebeuren dat zijn betekenis kreeg in samenspraak met het publiek. Zo’n participatief project tast de grenzen van de museale context anno 2016 af. Het vergt een enorme uitdaging om zowel de artistieke leiding van het huis als de dienst educatie, de curatoren, de communicatieafdeling enzovoort op hetzelfde spoor te krijgen en om nieuwe manieren van denken, organiseren en presenteren te introduceren in een grote structuur zoals het S.M.A.K. Zeker als je dan nog enkele stappen verder wilt zetten en in het museum samen met passanten een werk wilt laten ontstaan.

Maar precies omdat participatie een dynamiek veroorzaakt in het hele huis, zoals bij AMUZ het geval was, moeten kunsthuizen ons veel vroeger bij het proces betrekken. Als een kunsthuis voluit wil gaan voor participatie, zet het geen projectje op met een plaatselijke school of lokale groep nadat het artistieke parcours al volledig is uitgezet, maar groeien die projecten parallel vanuit de grotere inhoud. Daardoor zullen ze nadien ook hun effect kunnen hebben op de programmering en de communicatie.

Dat heeft wel als gevolg dat kunsthuizen aan een interne verbouwing toe zijn. Ze moeten doordrongen zijn van de wil om de dynamiek tussen maker, kunstwerk en publiek toegankelijk te maken vooreen diverse groep mensen, met op maat gemaakte participatieve trajecten en projecten. Participatie functioneert in elk huis anders.

Uit de recente subsidieplannen van heel wat huizen blijkt in elk geval dat er een groot verlangen is om participatieve projecten een centrale plaats in het denken en handelen te geven. Dat kunnen we alleen maar aanmoedigen. Het is waar dat er nog veel onduidelijkheid heerst over wat participatie nu precies inhoudt, en hoe het gedefinieerd moet worden zodat het zich kan onderscheiden van publiekswerking of kunsteducatie. Maar ook dat is iets wat bottom-up moet ontstaan: we moeten met het hele veld op zoek naar nieuwe methoden en vormen die van onderuit ontstaan, op het snijpunt tussen publiek, kunstwerk en kunstenaar. Er is exploratie en experiment nodig, en vooral de durf om onze werkingen, zowel intern als extern, te herdenken. Daarvoor zijn tijd en middelen en veel wederzijds engagement noodzakelijk.

De kunsten zijn altijd al een belangrijke factor geweest om zicht te krijgen op gedachten, gevoelens, dromen en concepten over ons bestaan. In die zin geldt: kunst is gelijk aan educatie. Kunsteducatie en participatie gaan in die zin niet over ‘iets doen in de rand’, maar zijn altijd al aanwezig in de kern van elke organisatie die zich met kunst bezighoudt. Alleen vanuit die synergie zal participatie, als praktijk met een sterk maatschappelijk en politiek potentieel, zich volledig kunnen emanciperen.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

Tijl Bossuyt

artikel