Klaas Tindemans

Leestijd 3 — 6 minuten

Parade

Oud Huis Stekelbees, Gent

In het januari-nummer van Toneel Theatraal verdenkt Jan Middendorp het ‘radicale jeugdtheater’ — waar niet de doelgroep, nl. het kinderpubliek centraal zou staan, maar de artistieke ontwikkeling van de makers — ervan, in hun nieuwe circuit theater te maken dat, als het in het ‘volwassen’ circuit gepresenteerd werd, daar afgedaan zou worden als oppervlakkig. Hij gebruikt, mijns inziens niet helemaal terecht, Maria Viers Lokaal van Oud Huis Stekelbees als voorbeeld. Met de nieuwe O.H.S.-produktie Parade, krijgt hij echter, helaas, gelijk.

Parade bij Oud Huis Stekelbees is geen bewerking van de historische Parade-voorstelling uit 1917, bij de Ballets Russes in Parijs, het is er hoogstens een parafase op. Het script van Jean Cocteau, over een stel om publieksgunst wedijverende circusartiesten en vooral -directeurs, is door Paul Pourveur verfrommelt tot een flauw, vals-ironisch fabeltje over een uiteenvallend gezin. De groteske vormgeving van Pablo Picasso is gereduceerd tot schuivende panelen, behangen met verscheurde reclameaffiches, en een Picasso-citaat, zijn ‘kubistische stad’: ontwerp van Pat Van Hemelrijck. Eric Satie componeerde in 1917 ‘concrete’ muziek voor Parade, met schrijfmachines, vliegtuiggeluiden en aanverwanten: het geluid van de Stekelbees-Parade is minder nadrukkelijk, en vooral verwerkt in de uitvoering– als proloog en als epiloog – van Kurt Schwitters’ klankdicht Ursonate, naast een virtuoos spelletje met de echokamer. Maar waar Léonide Massine, choreograaf, 72 jaar geleden aan de voorstelling een motorische eenheid verleende ontbreekt in de nieuwe Parade elke afstemming van acteurs op elkaar: Guy Cassiers is als regisseur afwezig, hij laat met name Dirk Buyse en Luk D’Heu schaamteloos cabotineren, en laat André Simon en Ro-lande Van Der Paal — soms even gered door haar stem — verdrinken in een functieloze chaos. Het stuk eindigt op een punt waar het script zelf niet meer lijkt te weten of het een verhaal moet verder vertellen, dan wel die chaos constateren: op zich een interessant moment, maar het gaat verloren in de kitsch van de rest van de voorstelling. Pourveurs taalspelletjes — naar Battus — hebben zichzelf snel uitgeput: enkel Schwitters redt de schijn.

Oud Huis Stekelbees heeft Parade – een lang gekoesterde droom van Guy Cassiers — met zorg omkaderd: uitgebreide kunsthistorische informatie (Nieuwpoortkrant, Amarant), een massa nevenmanifestaties op de Gentse kunstscène. De noodzakelijkerwijze opgeroepen – opgedrongen haast – vergelijking is een tweesnijdend zwaard: respect voor de documentaire ernst, maar scepsis voor de parallel. Want essentiëler dan uiterlijke feiten als de idee van het tegendraadse ‘Gesamtkunstwerk’ (schrijver + schilder + componist + choreograaf) of de wat versleten trouvaille van het uit-het-kader-stappen, is de brutale provocatie als artistieke waarde an sich de kern van het Dada-theater dat Cocteau op dat ogenblik wilde maken. “Verbaas mij”, vroeg Sergei Diaghilev, leider van de Ballets Russes, toen hij Cocteau opdracht gaf om een spektakel te maken: Cocteau schokte de Parijse society, maar Cassiers’ Parade toont onschuldige, wat kleinburgerlijk-egoïstische omgangsvormen. Voor een kinderpubliek herkenbare ruzietjes, maar zonder de scherpte die bv. het gekibbel in Paul Peyskens’ K!T kenmerkte. Toppunt in Cassiers’ misplaatste voorzichtigheid – alsof hij Cocteaus brutaliteiten na 72 jaar bij een nog altijd even burgerlijk publiek moet verontschuldigen — zijn de piraten. Pourveurs circus-moeder roept dat er in de zaal piraten zitten, die haar gezin willen opeten, en deze waan tast heel de familie aan, die, net voor de gevreesde maaltijd, haar repertoire aan toneelstukjes nog wil afraffelen. Piraten, verklaart Cassiers, zijn voor kinderen hét schrikbeeld bij uitstek: zelfs als dat zo is, wat ik durf te betwijfelen, dan nog werkt het niet. In de voorstelling klinkt het flauw.

Precies omdat de zin van Dada — kunst provoceert als kunst, d.w.z. niet om externe redenen — nergens in Parade benaderd wordt, is deze Stekelbees-parafrase niet geslaagd. Zonder de historische rechtvaardiging was het gewoon een slecht script, een slordige vormgeving en onsamenhangend spel. Nu is het dit alles ook, maar bovendien wat pretentieus: Middendorps ‘verdachtmaking’ aan het adres van het kindertheater-als-kunst is hier, jammer genoeg, terecht — hoewel veralgemeningen misplaatst zijn. Oppervlakkigheid blijft echter oppervlakkigheid, ondanks kunsthistorische gezagsargumenten.

Parade

auteur: Paul Pourveur, naar Jean Cocteau;

groep: Oud Huis Stekelbees;

regie: Guy Cassiers;

decor: Pat Van Hemelrijck;

muziek: John Gilbert Colman;

spelers; Dirk Buyse, Luk D’heu, André Simon, Rolande Van der Paal

Gezien in het Nieuwpoorttheater, Gent op 11 februari 1989.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

recensie