Bruno Koninckx

Leestijd 3 — 6 minuten

De ontwerper als wetenschapper

Op 8 december was het precies één jaar geleden dat decor- en kostuumontwerper Sven Use in Philadelphia overleed. Bruno Koninckx had een aantal maanden voor zijn dood een gesprek met hem over zijn opleiding, zijn werk en zijn opvattingen over opera. Als postuum eerbetoon drukken we naast enkele schetsen uit Sven Uses werk ook een paar fragmenten uit het interview af.

Waar komt jouw specifieke interesse voor opera vandaan?

‘From nowhere. Ik ben één van die mensen wiens ouders thuis naar rockmuziek – de Platters en zo – luisterden en die zei: “Kan je nu in hemelsnaam dat gejank eens een beetje stiller zetten.” De moeder van een vriendin van me op school zong in De Munt en zo had ik al eens de kans om met haar naar de opera te gaan. Zo heb ik de laatste zeven jaar voor Mortier naar De Munt kwam alle produkties gezien en meteen ook gezien hoe het niet moest. Dat is toch een enorme leerschool geweest. De eerste jaren van Mortier ben ik als student kaartjesknipper geweest. Ik heb zo, zeg maar Così fan Tutte veertig keer na elkaar kunnen zien, Don Carlo twaalf keer – en zo leer je toch enorm veel. Ik geloof ook dat opera erg ingebakken zit in onze cultuur, soms komt dat er terug uit.’

Hoe word je een goede decor- en kostuumontwerper?

‘Ik heb kunstgeschiedenis en archeologie gestudeerd. Ik heb het vak geleerd door het te doen, ik geloof ook dat het de enige manier is om het te leren, je moet het op de scène leren. Ie kan niet in theorie, in een klaslokaal, het verschil leren tussen zijdewol en katoen, dat is iets wat je leert na tien jaar vijfhonderd stoffen per dag door je vingers te laten glijden. Vakkennis vormt een probleem voor de meeste ontwerpers. Omgekeerd denk ik dat er met heel veel ‘self-made’-mensen nog iets veel schrijnenders aan de hand is, nl. hun totaal gebrek aan algemene cultuur. Ik denk dat ze daar bij de opleidingen aan moeten denken: die mensen zouden een halve dag algemene vakken moeten krijgen en een halve dag praktijk. De helft van mijn job bestaat uit dramaturgie voor mijn domein. Het is geen probleem om wat tekeningetjes te maken, maar wat je doet moet wel gefundeerd en gestaafd zijn. Vroeger heette dat ‘naslagwerken raadplegen’, nu heet dat ‘dramaturgie’.

Het allerbelangrijkste voor een goede kostuum- en decorontwerper voor opera is een heel brede achtergrondkennis van muziek. Ie moet kunnen ‘vangen’ wat er in de muziek zit en dat dan in je ontwerpen weergeven. Daarnaast moet je kennis van het maatschappelijke hebben: je moet toch ergens op de hoogte zijn van hoe die dingen ontstaan zijn, in welke tijd, enz. Dit vraagt de meeste energie en tijd. Je moet heel nieuwsgierig blijven: alles willen zien en weten. Ik denk dat een kunstenaar in mijn domein heel dicht bij een wetenschapper staat: de volharding, je vastbijten in een probleem, het zoeken naar oplossingen, het aftasten van alle mogelijke richtingen – weten dat dat niet de goede richting is, maar toch maar uitproberen. Tweede belangrijke capaciteit is een vlotte omgang met mensen: jezelf kunnen uitdrukken door je tekeningen, door je manier van spreken, zodat je tot een opperbeste samenwerking met de regisseur kan komen, met belichters, zangers, dansers, enz. Op de derde plaats is ook de echte vakkennis van belang: weten hoe een stof valt of niet valt, hoe een kledingstuk in elkaar zit – en vooral waarom die dingen zo in elkaar zitten. Ie moet als ontwerper niet zelf kunnen naaien, maar je moet een kledingstuk van binnen en van buiten kennen. De materialen en de snit zijn enorm belangrijk. En tenslotte moet je goed kunnen tekenen, maar dat is slechts een detail. Ik ken goede ontwerpers die niet kunnen tekenen. Het is raar, maar ik denk dat de artistieke vereisten minder belangrijk zijn dan alle andere. Fantasie is fantastisch, maar iedereen heeft fantasie. Het verschil tussen een kunstenaar en een niet-kunstenaar is dat de kunstenaar zijn fantasie uitdrukt. Ik ken mensen die veel meer fantasie hebben dan ik, maar die die fantasie niet uitdrukken.’

Wat acht je belangrijk voor een toeschouwer?

‘Voor mij is het verrassingseffect het belangrijkste en meest fascinerende in opera. Het is altijd anders dan je je voorstelt. Ten eerste omdat de genres zo uiteenlopen. Een goede hedendaagse regie benadrukt die verschillen nog, zodat je altijd verrast wordt. Het is ook belangrijk dat je naar het werk van jonge mensen gaat kijken, naast de klassiekers natuurlijk. Ik heb hoe langer hoe meer een hekel aan het “geïntellectualiseer” rond theater, je moet totaal open en vrij staan. Zien wat iets voor jou persoonlijk betekent.’

De hier afgedrukte schetsen werden gepubliceerd in een boek dat als aandenken aan Sven Use werd samengesteld en gerealiseerd door Micheline Heyse, Guy Joosten en Hendrik Opdebeek m.m.v. Luc Joosten en Marie-Antoinette van Caelenbergh. Het boek kost 250 Bf. en kan besteld worden bij Hendrik Opdebeeck, Dansaertstraat 24, 1000 Brussel.

interview
Leestijd 3 — 6 minuten

Bruno Koninckx

interview