© Simge Gücük

Leestijd 7 — 10 minuten

Nieuwe netwerken: Vlaanderen-Istanbul

Het festival 0090, dat hedendaags theater en dans uit Turkije naar België brengt (0090 is het telefonisch kengetal voor Turkije), is nog maar achter de rug of de organisatie bereidt al weer een nieuwe editie voor. Ze doet dat op een bijzondere manier: samen met de ‘spiegelorganisatie’ 0032 brengen ze Belgische artiesten naar Istanbul om daar met lokale artiesten te werken. Bezielers Mesut Arslan en Wim Viaene: ‘Wij komen hier niet zomaar shoppen. We willen een kruisbestuiving op gang brengen, nieuwe netwerken opzetten.’

Om hedendaagse dans en theater in Istanbul ademruimte te geven is er echter nog een lange weg te gaan. Al is de stad in 2010 culturele hoofdstad van Europa, voorlopig moet je er bijvoorbeeld hedendaagse dans met een vergrootglas zoeken. Mensen hebben in deze metropool met zestien miljoen inwoners wel wat anders aan hun hoofd. De stad is het toneel van een – voorlopig vreedzame – clash tussen de traditionele cultuur van mensen die van het platteland naar de stad trokken, en de op Westerse leest geschoeide stedelijke cultuur.

De negentiende-eeuwse, Frans aandoende wijk Beyoğlu is het epicentrum van de stedelijke, moderne cultuur. In de hoofdstraat Istiklal Caddesi waan je je in een brede West-Europese winkelstraat. Met zijn immense afmetingen en grote drukte is het Taksimplein een waardige concurrent van pakweg de Parijse Place de la Concorde. Toch is er een verschil: zijn bij ons de winkelstraten ‘s nachts ontvolkt, hier kan je dag en nacht over de koppen lopen. Als je erg goed toekijkt, merk je ook dat alles net een beetje minder luxueus en afgewerkt is dan bij ons: de middelen zijn hier niet onbeperkt. In de smalle straatjes in de onmiddellijke omgeving tref je al een heel andere economie aan: kleine neringdoeners die, net zoals onze ambachtslui vroeger, per ambacht in één straat samentroepen. Hier de elektriciens, daar de loodgieters, nog een straat verder de instrumentenbouwers. Nog minder ‘westers’ is de wijk rond het oude kerkhof aan de andere kant van de Gouden Hoorn (een zijarm van de Bosporus). Ver weg van toeristische trekpleisters als de Aya Sofia of de koopgekte van Beyoğlu stoot je hier op een vaak armere, en zeker veel traditionelere bevolkingsgroep. De sluier domineert hier het straatbeeld, mensen (en zeker vrouwen) zijn nooit alleen onderweg.

De aanzwellende vloed immigranten en Turkijes neoconservatieve ruk naar rechts zetten die ketel flink onder druk. En dan zijn er nog de ‘gewone’ problemen zoals de verkeerschaos. Een danseres die een jaar in London studeerde, merkte bij haar terugkomst op dat de stad merkbaar drukker, voller en grimmiger was geworden. Toch voel je dat er van alles broeit in de stad. In de piepkleine concertzaal Babylon – Patti Smith trad er ooit op! – loopt een uitgelaten publiek storm voor Baba Zula, dat een mengsel van rock en Anatolische volksmuziek brengt, met buikdanseressen toe. In het weekend zijn er feestjes te kust en te keur en zitten discotheken afgeladen vol.

Hedendaagse dans

Er is ook een kleine maar koppige kern van mensen die proberen hedendaagse dans te maken. Niet zonder succes overigens, want artiesten als Aydin Teker, Mustafa Kaplan of Ayşe Orhon konden hun werk in het buitenland al op verschillende plaatsen tonen. Mesut Arslan merkt op: ‘Je kunt het werk van die mensen vaak eerder in het buitenland zien. Zij overleven door hun contacten daar.’ Vaak ontstaan die contacten door opleidingen in het buitenland. Aydin Teker studeerde bijvoorbeeld aan de New York University toen Anne Teresa De Keersmaeker daar ook school liep. Ayşe Orhon studeerde in Nederland en Duitsland, en was recent nog te zien op Springdance in Utrecht. In Istanbul daarentegen schurken deze mensen dicht tegen elkaar aan. Er zijn immers weinig middelen, zodat dansers en choreografen vaak op elkaar aangewezen zijn. Een choreografe als Zeynep Tanbay weet een hele compagnie op de been te houden, maar zij is dan ook de spreekwoordelijke uitzondering die de regel bevestigt. Als je doorvraagt, blijkt trouwens dat het werk dat zij brengt nog sterk aansluit bij beproefde – belegen? – recepten van theaterdans. Daar zijn Teker, Orhon of Kaplan al lang niet meer mee bezig.

Je hoeft niet lang in deze stad rond te lopen om een quasi compleet beeld te krijgen van de hele dansscène. Als je alle dansers en choreografen optelt, kom je aan niet veel meer dan een honderdtal mensen. Op de twee avonden dat Meg Stuart in Garajistanbul samen met Vania Rovisco vroeger werk van Damaged Goods en een improvisatie brengt, zijn ze ongeveer allemaal present. Tuğçe Tuna, docente aan de dansafdeling van de Mimar Sinan Universiteit, vertelt met spijt in haar stem dat ze elk jaar de ronde doet van de scholen in Istanbul om studenten warm te maken voor dans, maar dat zoiets slechts een handjevol nieuwe studenten oplevert. Ze vertelt het op het oude kerkhof van Istanbul, waar het ‘oude Turkije’ in de meerderheid is. Meteen begrijp je dat ze, voorlopig toch, vecht tegen de bierkaai. Jobs of economische zekerheid vallen er vooralsnog niet te rapen in de sector, en een aanzienlijk deel van de bevolking heeft sowieso geen kaas gegeten van of achting voor zoiets buitenissigs als hedendaagse kunsten.

Overleven is inderdaad de zaak voor choreografen in Istanbul. Candaş Baş bedenkt dansjes voor de shows van Turkse popsterren, zoals de act van Sertab Erener op Eurosong 2006. Niet omdat ze dat zo leuk vindt, maar omdat ze zo geld verdient om haar eigen werk te kunnen maken. Dat neemt niet weg dat ze een mooie eigen website heeft en ondertussen met enkele vrienden het kleine gezelschap ‘çiplak ayaklar kumpanyasi’ oprichtte. Op een avond ga ik kijken naar een voorstelling van die groep in het Frans Cultureel Centrum (het zijn de Fransen en niet de Turken die de jonge Turken steunen, zo blijkt). dzzzt dzzzt, Turks voor het gegons van insecten, blijkt een afknapper. Het gezelschap heeft zonder twijfel hoogte van West-Europese ontwikkelingen in het theater, zoals het gebruik van niet-lineaire teksten en video, de afwezigheid van psychologische personages, enz. Wanneer zij die stilistische middelen echter toepassen op een thema als grootstedelijke vervreemding of politiek fundamentalisme, blijkt de saus nauwelijks te pakken. Het gezelschap heeft zijn eigen stem duidelijk nog niet gevonden en imiteert, bij gebrek daaraan, onhandig de buitenlandse voorbeelden. Het is een mooi maar pijnlijk voorbeeld van wat een gebrek aan middelen kan aanrichten. Baş neemt overigens uitdrukkelijk afstand van deze voorstelling en treedt er ook niet in op. Je vraagt je af of haar lidmaatschap van de groep dan ook niet veeleer een gevolg is van een gebrek aan opties dan wel een positieve keuze voor een samenwerking met geestesgenoten. Lesgeven is een andere overlevingsstrategie.  Aydin Teker en Tuğçe Tuna doen dat. Beiden werken op de afdeling ‘moderne dans’ van de Mimar Sinan Universiteit. De universiteiten zijn hier trouwens een niet onbelangrijke hefboom in de culturele ontwikkeling. De Bilgi Universiteit bijvoorbeeld renoveerde een oude elektriciteitscentrale tot een centrum voor hedendaagse kunst dat ‘Istanbul meer slagkracht wil geven binnen de wereldwijde culturele netwerken’.

Sociaal project

Er zijn ook een paar organisaties die, hoe klein ook, deze ontluikende kunsten een plek willen geven. 0032 moet voor haar pionierswerk niet van niets vertrekken. Het lokale steunpunt is Garajistanbul, een theater dat, zoals de naam suggereert, in een oude garage gehuisvest is. Je denkt meteen terug aan de opkomende kunstencentra in Vlaanderen in het begin van de jaren tachtig: dezelfde kleine schaal, dezelfde scherpe profilering in het programma. Toch is er ook een verschil: de zaal is mooier en technisch  beter uitgerust dan wat we hier destijds gewoon waren. Dankzij hard labeur van stichters Mustafa en Ôvül Avkiran en veel lokale werklozen. Dit project is namelijk ook een sociaal project voor de buurt, vertelt Simge Gücük. Bij het betreden van het theater bots je meteen op een video die de transformatie van garage tot theater uitvoerig documenteert. Aan de ene kant gaat het over de discussies met aannemers en het praktische handwerk, aan de andere kant zie je via persconferenties ook het politieke lobbyen dat daarbij hoort. Dat politieke lobbywerk zette tot dusver echter weinig zoden aan de dijk: Garajistanbul krijgt nog steeds weinig overheidssteun, terwijl er wel elke maand vijfduizend euro huur wordt betaald.

Naast Garajistanbul timmert onder meer ook Bimeras, de organisatie van Aydin Silier en Gurur Ertem, aan de weg. Bimeras organiseerde in 2007 het festival I-dans, met op het programma werk van een cutting edge selectie Turkse en buitenlandse artiesten, waaronder Xavier Le Roy, Ivana Müller en Vera Mantero. Geen ‘makkelijk’, maar wel boeiend en sterk conceptueel werk, waarvoor het festival een publiek op de been wist te brengen. Bimeras produceert daarnaast het werk van de inheemse choreografe Aydin Teker en is gastorganisatie voor kunstenaar Ibrahim Quarishi. Deze van oorsprong Pakistaanse wereldburger woonde al in metropolen als Parijs en New York en resideert op dit ogenblik in Amsterdam, maar koos Istanbul als uitvalsbasis om nieuw werk te maken.

Net zoals hier destijds draait de werking van beide organisaties echter op privégeld en de hulp van talrijke sponsors. Voor de individuele kunstenaar is het nog moeilijker. Een eigen werkplek zoeken is vaak een werk van jaren. Candaş Baş vond met vrienden een oude loods, die ze met eigen handen ombouwden tot een gammele studio. Aydin Teker kon na jaren zoeken via familie een (veel te lage) lege ruimte in een flatgebouw in gebruik nemen.

De overheid kijkt – vooralsnog – de andere kant op als het gaat over overheidssteun voor dit ‘jonge geweld’. Niet dat ze aan cultuur geen lippendienst bewijst. Turkije heeft een theaterfestival, theater en ballet. Maar de vorm is belegen en traditioneel, de werking ambtelijk en sterk politiek gekleurd. Het bolwerk van de officiële cultuur is een grootse schouwburg op het Taksimplein. Bij het zien van dit modernistisch gedrocht gaat meteen een lichtje bij je op: als Garajistanbul iets heeft van onze vroege kunstencentra, dan is dit is de Turkse versie van de Antwerpse Stadsschouwburg anno 1980, voor Perceval er de boel overnam. De overheid holt met haar beleid de feiten achterna, want niet alleen 0032 geeft intussen impulsen in Istanbul. Ook een instituut als de Rotterdamse Schouwburg of een curator als Maria Schwaegermann hebben in de mot dat hier iets leeft. Ook zij willen investeren in Istanbul en een uitwisseling met ‘Europa’ op gang brengen. Verschiet dus niet als 0090 binnenkort een Rotterdamse pendant heeft en ook in Brussel zijn tentakels uitslaat.

Improvisatie

Ondertussen heeft 0032 zijn eerste wapenfeit achter de rug. De organisatoren vroegen Meg Stuart in Istanbul een workshop te geven aan choreografen. In de marge volgde een debat over de plaats van het ‘object’ in een stuk. Ten slotte presenteerde Stuart op twee avonden een selectie uit vroeger werk en een improvisatie, met danseres Vania Rovisco, muzikanten Hahn Rowe en Niko Hafkenscheid en beeldend kunstenaar Vaast Colson. Het effect van dit bezoek was verbazend. En wel wederzijds. Als het Mesut Arslans droom is ‘dat artiesten uit België leren hoe men naar de dingen kijkt hier en omgekeerd’ om zo ‘andere lichamen te ontdekken’, dan is die droom hier even uitgekomen.

Voor de choreografen en de dansgemeenschap ter plaatse was het debat een uitgelezen kans om lucht te geven aan de vele vragen (en ook frustraties) waar zij mee kampen. Zij hebben immers amper de gelegenheid om gestructureerd na te denken over wat ze aan het doen zijn in een grotere context, ook al omdat er in Istanbul nauwelijks danskritiek bestaat. De workshop bood dan weer een blik in Stuarts artistieke keuken. Het belang daarvan is moeilijk te overschatten. In Istanbul krijgen choreografen zelden de kans om aan den lijve te ervaren hoe andere kunstenaars praktisch omgaan met de vraag hoe je dingen voorgesteld krijgt. Vooral dan als die ‘dingen’ zich niet laten inpassen in de klassieke theatervormen. De geslaagde improvisaties boden ten slotte de proef op de som van wat de workshop al aangaf. Een en ander liet Meg Stuart echter evenmin koud: ‘Ik zal de Turkse gemeenschap in Europa nooit meer op dezelfde manier zien nu ik hier ben geweest. Plots versta ik veel gebruiken beter.’ Belangrijker nog: Stuart heeft de smaak van deze metropool te pakken. ‘Ik wil hier nog werken. Dit doet mij denken aan Lissabon in de jaren tachtig.’ Dat wil wat zeggen: Lissabon is een van haar favoriete werkplekken. Als er nu druk plannen gesmeed worden om in 2010, wanneer Istanbul culturele hoofdstad van Europa is, een internationaal festival op te zetten in Garagistanbul, dan moet je niet vreemd opkijken als Stuart daar een nieuw werk creëert. Met inwoners van Istanbul zelfs.

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

reportage
Leestijd 7 — 10 minuten

#112

01.06.2008

31.08.2008

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis. Hij richtte recensieplatform Pzazz op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!