(c) Beata Szparagowska

Leestijd 4 — 7 minuten

newpolyphonies – Myriam Van Imschoot & HYOID

Elementaire cultuur

newpolyphonies, een nieuw werk van Myriam Van Imschoot, ontstond in nauwe samenwerking met de vier vocalisten van het ensemble HYOID. Samen creëerden ze een geluidskunstwerk dat uitsluitend op klanken van het menselijk lichaam – maar lang niet alleen zang – gebaseerd is.

Veel liep onrechtstreeks omdat de coronacrisis live samenwerken bemoeilijkte. Een alternatieve versie van de voorstelling, in Kunstencentrum Buda in Kortrijk, was dan ook niet live, maar had de vorm van een installatie. Toen viel al op hoe ruimtelijk het werk gedacht was. Bij de eerste live-uitvoering in Antwerpen was dat aspect nog sterker aanwezig door de bijdrage van vijftien extra ‘amateur’-stemkunstenaars.

Klanken opgewekt met het eigen lijf

Een leeg podium. Op de voorgrond zweven aan gekruiste latten verfrommelde vaantjes, een A4-tje groot, van zacht gekleurd cellofaan of plastic. Vijf mensen duiken op en gaan, min of meer in een kring, tussen die vaantjes staan. Een bont gezelschap: een man in pak, met schoenen aan, maar ook een wat oudere man in T-shirt en op blote voeten, en enkele jonge vrouwen, ook weer blootsvoets, in losse kledij. Iedereen komt hier blijkbaar ‘zoals hij of zij is’. 

Dan gaan de mondmaskertjes -voor even- uit. Meteen gebeurt akoestisch iets bijzonders. Gezoem klinkt op tussen de performers. Door de elektronische versterking valt de bron ervan moeilijk te bepalen. Misschien is het niet meer dan neuriën wat de performers doen, maar het resultaat klinkt heel anders. Dat is het gevolg -dat is wel heel duidelijk- van de bewegingen die ze maken. Een hand die heen en weer wappert voor een mond, of armen die schokkerig, als de stangen van een stoomlocomotief op en neer gaan. Het doet de adem, en dus de klank, stokken en herstarten, haperen en vloeien. Het deed me denken aan een kinderspelletje: zo lang mogelijk ‘aaaaa’ zeggen terwijl je op je borstkas klopt. ‘Aaaa’ wordt dan ‘A-A-A-A’. 

Dat ‘spelletje’ wordt complexer als de man in T-shirt er het geluid aan toevoegt van zijn hand die over zijn arm strijkt. Het is oermuziek: klanken opgewekt met het eigen lijf, zonder instrumenten, zonder toonleer, zonder vals of juist. Gezoem en gedaas, als krekels in de maquis. En ook: als een ervaring die we delen, die ons verenigt. Het lijkt dan ook vanzelfsprekend dat her en der in het publiek toeschouwers opstaan en meedoen met dit spel, terwijl de performers op het podium zich in de zaal begeven. Natuurlijk is dat opgezet spel, een enscenering, maar ze ‘pakt’ wel het momentum dat ontstaat bij de ‘echte’ toeschouwers. De klanken verspreiden zich zo ook door de zaal. Je waant je in het Zuiden, tussen krekels en cicades. 

Bezieling, verbinding, eenstemmigheid

Plots, zonder dat ik het bewust registreerde, staan er daarna terug vier of vijf mensen opzij en achter het podium. Die zetten nu wel expliciet hun stem in als hun klankbanden trillen. We zien niet langer lichamen die resoneren, maar horen stemmen die hun bereik aftasten. Het register is klein, minder dan halve of zelfs kwarttonen, en zonder duidelijke toonaard, maar wel nog steeds met een ritme dat ook in gebaren vertaald wordt. Het is een golf van tonen die zwelt en krimpt. 

Je kan het vergelijken met een Indische raga, die zweeft rond één of een paar tonen. Ook dat is magisch, maar op een heel andere manier: de stem komt los van de lichamen, als een fundamentele klank die in eindeloze variaties rondzweeft over het podium. Het gaat niet om individuen, karakters, psychologie want er is geen melodie of tekst.  Het gaat om bezieling. In de stem ontstaat verbinding, eenstemmigheid. 

Op dat ogenblik dalen zowel achteraan als vooraan kleine ronde luidsprekers, gevat in een houten bekisting, neer. Ze brengen totaal nieuwe klanken mee. Achteraf vertelde Myriam Van Imschoot me dat het oefeningen en testopnames zijn die de zangers van HYOID maakten tijdens de gedwongen afzondering gedurende de coronacrisis. Ze zouden de turbulentie van vliegtuigen of ‘het klinkende geluid van botten en weefsel’ weergeven. 

Dat herkende ik er niet meteen in, wel het plezier van geluiden produceren op elke denkbare manier. Je vraagt je voortdurend af hoe de performers deze of gene klank voortgebracht hebben. Die verwondering was nog veel groter bij de installatie in Kortrijk. Die berustte helemaal op het principe van op- en neergaande luisprekers, verspreid door de ruimte, met bizarre ruimtelijke interferenties als gevolg. Die stijgende en dalende luidsprekers kregen een visuele pendant in stijgende en dalende, halfvolle waterkruiken. Ze deden me denken aan de manier waarop je muziek kan maken door met een natte vinger langs de rand van een wijnglas te strijken. 

Dicht geweven klanktapijt

Als de performers het bij de live uitvoering weer overnemen van de luidsprekers ontstaat door alle gezoem, geneurie en gezang een zweverige samenklank, die een trance opwekt. Het heeft iets weg van sommige stukken van György Ligeti, en zeker van de stemexperimenten van Meredith Monk. De geest van James Tenney lijkt hier ook meer dan eens over het podium te waren. Toch gaat het niet om citaten, en is hier geen sprake van epigonisme. Ik vermeld deze componisten eerder als een referentie om iets weer te geven van een ervaring die haast niet in woorden om te zetten is. (Het is een paradox van formaat: een tijdperk dat geobsedeerd is door ‘sound’ heeft eigenlijk te weinig woorden ter beschikking om daar iets over te zeggen). 

Je raakt vanaf nu mentaal op drift omdat je oren zich verliezen in de eindeloos vele, maar haast onbenoembare details van dit dicht geweven klanktapijt. Tot je dan plots door een minieme wijziging in het patroon weer helemaal wakker schiet. Zo’n wijzigingen krijgen ook telkens een ruimtelijke vertaling. Naar het einde van de voorstelling vleien vijf of zes performers zich neer voor het podium,  terwijl het HYOID ensemble plaats neemt achteraan het podium op een verhoogje, en nog weer andere zangers links en rechts van het podium plaats nemen op stoelen. Als akoestische beleving van de ruimte is dat bijzonder. 

Plato’s grot

Het is ook qua scenografie een bijzonder moment. Achter de zangers links en rechts van het podium gaat een bijna verblindend licht op. Het werpt scherpe schaduwen van de performers op de muren van de publieksruimte. Bedoeld of niet, het roept ontegensprekelijk de ‘Allegorie van de grot’ van Plato op: wat de zaal bereikt is slechts de afschaduwing van de ‘waarheid’ op het podium. Die ‘waarheid’ zit hier in de klanken die opborrelen uit de lichamen. Het beeld is er slechts een zwakke afschaduwing van. 

Het is als een terechtwijzing: het visuele domineert vandaag overal, maar verschijnt hier als een bedrieglijk neveneffect van klank en ruimte. Klank, dat spreekt vanzelf, maar over ruimte gaat het ook. Die is hier geen visueel gegeven, maar een klankkast. 

Dat is ontwapend. Hoe geletterd je muzikaal of visueel ook bent, hier gebeuren dingen die je raken door het direct fysieke van samen klank maken. Het gaat om lichamelijke, akoestische handelingen die heel secuur, maar toch als vanzelf op elkaar afgestemd  raken.  Er spreekt een bijzonder plezier uit in de verkenning van het lichaam als akoestisch medium en de ruimte als klankkast. Primitief en gesofisticeerd. Simpel plezier en precieuze aandacht. Cultuur in zijn meest naakte verschijning. 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#164

01.06.2021

02.09.2021

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis. Hij richtte recensieplatform Pzazz op.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!