ALL TOGETHER NOW! – Suze Milius / House Crying Yellow Tears & Toneelhuis
Een overladen tafel zonder poten
Natalie Gielen
© Veerle Vercauteren
In mei ging Nocturnes for a Society van Myriam Van Imschoot en Lucas van Haesbrouck in première tijdens het Kunstenfestivaldesarts. Een tachtigtal mensen verzamelde toen kort voor zonsondergang in een vrijstaand gebouw aan de oever van het Brusselse kanaal, om er deel te nemen aan een geluidsperformance die een half etmaal later eindigde, kort na zonsopgang aan de overkant van het water. Een groot deel van die tijd kon het publiek slapend doorbrengen. Hoe was deze mooie, ingetogen nocturne precies gecomponeerd in tijd en ruimte? En welke maatschappelijke verbeelding riep ze op?
Twee maanden voor de première. Myriam Van Imschoot geeft een seminarie over Nocturnes for a Society voor een klas theaterwetenschappers van de UGent. Op het schoolbord verschijnt een wolk van termen die we als groep al pratende met het werk in verband brengen. Eén daarvan verrast me in het bijzonder. ‘Avant-garde’. Van Imschoot vertelt dat ze zich inschrijft in de traditie van de avant-garde.
Wacht. Is niet alle avant-garde ondertussen ‘historisch’ geworden?, vraag ik. De idee dat er een kleine voorhoede bestaat, die de weg van de artistieke en maatschappelijke vooruitgang baant voor de achterop hinkende massa’s – wat kunnen we daar anno 2023 nog mee?
Van Imschoot verduidelijkt – ik parafraseer – dat ze zich allesbehalve identificeert met de machistische figuur van de kunstenaar als grensverleggende held. Ze voelt meer voor de credo’s ‘alles is kunst’ (Duchamp) en ‘iedereen is kunstenaar’ (Beuys). Dat dilettantisme heeft een gigantische artistieke toolbox tevoorschijn getoverd, een eindeloze waaier van mogelijke artistieke praktijken. En wat met de politieke pretenties van de avant-garde? Van Imschoot houdt van de ‘heteronome’ grensvervaging tussen kunst en leven die vele avant-garde kunstenaars nastreefden, al mag die gerust ontdaan worden van alle revolutionaire pathos. Kunst kan wel enige rol spelen in maatschappelijke verandering, maar op een véél bescheidener manier dan de manifesten deden uitschijnen.
Van Imschoot en haar artistieke sparringpartner voor dit project, de lichtontwerper-scenograaf Lucas van Haesbrouck, ontwikkelden Nocturnes for a Society samen met hun team aan de hand van een reeks publieke ‘SESSIONS’, momenten waarop zijzelf of genodigden artistieke praktijken deelden met een stukje bij beetje aanzwellende groep medeplichtigen.
Aan het eind van de première van Nocturnes zie je bij het buitengaan een indrukwekkende lijst met meer dan tweehonderd namen van mensen die zulke sessies bijwoonden. Een aantal van die participanten hielp bijvoorbeeld mee om de vilten dekens te maken die een belangrijk element vormen van de uiteindelijke scenografie. Het gros van de sessies draaide rond geluid, bij uitstek het geluid van de menselijke stem – het centrale instrument in Van Imschoots oeuvre. Geïnspireerd door de deep listening-praktijken van de Amerikaanse componiste Pauline Oliveros (1932-2016) nodigde het team de participanten uit om via eenvoudige scores samen sonore omgevingen tot stand te brengen en te beluisteren. Muzikale expertise was daar niet voor nodig, en die laagdrempeligheid is cruciaal.
Wanneer Oliveros in 1970 in een invloedrijk artikel voor de New York Times inging op de vraag ‘why have there been no “great” women composers?’, somde ze niet alleen de maatschappelijke obstakels op die het voor vrouwen altijd al een stuk moeilijker maakten om de positie van componist te claimen. Tegelijk stelde ze het exclusieve karakter van de kwalificatie ‘great’ in vraag: ‘It does not matter that not all composers are great composers; it matters that this activity be encouraged among the population, that we communicate with each other in non destructive ways.’1
Ook uit het werk van Van Imschoot spreekt het verlangen om het dilettantisme van de avant-garde écht te democratiseren tot een breder gedeelde en collaboratieve culturele praktijk. Al langer heeft de kunstenares een zwak voor de amateur, in de dubbele betekenis van ‘liefhebber’ en ‘(eeuwige) beginner’. Voor veel van haar projecten richt ze ‘communities of practice’ op – een term waarmee Etienne and Beverly Wenger-Trayner verwijzen naar ‘groups of people who share a concern or a passion for something they do and learn how to do it better as they interact regularly’.2 Zo werd IN KOOR! (ism Willem De Wolf, 2017) uitgevoerd door een onconventioneel amateurkoor; voor Splash! (2018) werkten zij en Christine De Smedt samen met zwemliefhebbers. De YouYou-groep, waarmee Van Imschoot sinds 2014 performances en films creëert, bestaat dan weer uit vrouwen van verschillende leeftijden en culturele achtergronden die samen de Youyou beoefenen, een eeuwenoude stempraktijk met wortels in Afrika en het Midden-Oosten.
Anders dan bij deze eerdere projecten, waarin nog een afgetekend onderscheid bestond tussen performers en publiek, is iedereen die meedoet aan de SESSIONS een amateur onder de amateurs. Ik merk tijdens een van de sessies dat je samen, al praktiserende, een bijzondere esthetische sensibiliteit ontwikkelt. Je exploreert geluiden, luistert naar hoe ze van elkaar verschillen, hoe ze subtiel veranderen onder wijzigende omstandigheden. Het esthetisch grenzen verleggen gebeurt hier voorzichtig, stapje voor stapje. Een avantgardistische amateur lijkt meer weg te hebben van een situationistische wandelaar dan van een futuristische racepiloot.
In Nocturnes for a Society lopen kunst en leven expliciet door elkaar heen. De performance is een compositie van geluidspraktijken à la Oliveros en dagdagelijkse activiteiten zoals eten en slapen, die voor de duur van één nacht uit hun gewoonlijke, doorgaans meer private verband worden gehaald. Als sociaal experiment gaat het werk ver voorbij aan het fatalisme en de linkse melancholie waar een flink deel van de kunsten al te lang zo gemakzuchtig in zwelgt. We zouden het zelfs ‘progressief’ kunnen noemen, maar dan op de manier zoals Bruno Latour dat begrip invult in zijn zelfverklaarde ‘poging-tot-manifest’, het Compositionist Manifesto uit 2010: ‘The nuance I want to outline is that between progress and progressive. It is as if we had to move from an idea of inevitable progress to one of tentative and precautionary progression.’3
Voor de première van Nocturnes verzamelt een tachtigtal deelnemers tussen 19h30 en 20h druppelsgewijs in K1, een paviljoen van KANAL-Centre Pompidou. Het rechthoekige gebouw heeft twee ruime, open verdiepingen met over de hele lengte grote ramen die uitkijken op het kanaal en de omliggende stad. Een infoblaadje vertelt me dat we dertig minuten lang kunnen ‘aankomen’, ‘dertig minuten volgens buikgevoel’. Daarna mogen we ‘het geschenk’ opendoen. Die geschenken liggen op een meterslange vilten strook die door het tweede verdiep loopt.

© Veerle Vercauteren
Nocturnes for a Society kent niet alleen geen duidelijk startuur; het programma van de héle nacht zal zich, zo blijkt, los van de kloktijd ontvouwen. De ene fase van de performance vloeit telkens organisch over in de andere, zonder dat het artistieke team ons vertelt wat te doen. Van bij het begin mengen de medewerkers zich trouwens relatief onzichtbaar onder de deelnemers. Er is dus geen duidelijke instantie waar we ons toe kunnen wenden; na het binnenkomen blijven we elk apart zitten met onze eventuele vragen en verwarring. Het is goed mogelijk dat mijn dertig minuten sterk verschillen van de dertig minuten van de persoon naast mij, die wat meewarig rondkijkt. Ikzelf ervaar een welkome rust na een propvolle dag, maar misschien kruipt de tijd voor hem wel confronterend traag vooruit? Die tijd laat zich dan ook maar moeilijk doden, want er is betrekkelijk weinig te doen of te zien hier. Praten gebeurt ook al niet. Er wordt, vergelijkbaar met het gedrag in een kerk of een bibliotheek, hoogstens wat gefluisterd.
Lucas van Haesbrouck ontwierp een sobere en elegante scenografie met een lage kleursaturatie. In het grijze interieur van de twee verdiepingen van K1 plaatste hij overwegend grijze en witte elementen: stapels verhuisdekens, kussens, matrassen, houten bankjes,… De vilten doeken hangen neer aan touwen, waarmee we zelf de hoogte kunnen aanpassen. Over dat alles schijnt een zacht, geelwit licht, dat pas zichtbaar wordt naarmate de nacht valt. En hoe donkerder het buiten is, hoe meer de grote ramen transformeren in spiegels. Waar we eerst nog ver konden uitkijken over het kanaal en de stad, zien we daarna vooral de reflecties van onszelf en de ruimte waarin we staan.
De enige plek in K1 die voor wat afleiding zou kunnen zorgen is het aparte kamertje aan het eind van de tweede verdieping, waarin je het materiaal en de uitleg terugvindt om zelf vilt te maken. Mij niet gelaten, maar ik vind die lege tijd en ruimte, toch in vergelijking met de overgesatureerde buitenwereld, net een weldaad. Leegte scherpt de zintuigen: wat eerst nietsig lijkt, wint geleidelijk aan belang en substantie. Zou ik anders het briesje voelen dat plots door het gebouw trekt, of zien hoe het licht door de gelaagde textuur van de vilten doeken heen valt? Om de aandacht op te brengen die het ‘diepe luisteren’ volgens Oliveros nodig heeft, lijkt de leegte net een cruciale conditie.
Mijn buik vertelt me dat de dertig minuten voorbij zijn. Ik maak mijn geschenk open. Net als alle andere geschenken op de vilten strook gaat het om een bord of een kommetje met daarin een aantal minuscule knikkers. De kleurrijke doeken waarin de bescheiden cadeaus zijn gewikkeld en de titels die ze meekregen, laadt elk van hen in zekere zin op met een eigen karakter en identiteit. Even twijfel ik tussen Free my Orbits en The Little Pig maar ik kies uiteindelijk voor Between North and South. In mijn kommetje zitten twee knikkers, die vanaf dan dus voor het Noorden en het Zuiden staan, al is het onmogelijk om de identieke knikkers uit elkaar te houden.
Een nieuw infoblaadje leert ons dat we deze instrumenten kunnen bespelen door de balletjes in de borden of kommetjes te laten rondcirkelen, en binnen de kortste keren is het hele gebouw vergeven van de avantgardistische amateurs die knikkers laten ronddraaien alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Zoom eens in en daarna weer uit, suggereert een van de scores op het blaadje. Van dichtbij blijken Noord en Zuid erg scherp te klinken, als een metalige miniatuurversie van de Grote Prijs van Francorchamps. Wanneer ik mijn luisterveld uitbreid naar de hele ruimte wordt het gezoem minder hard en ook een stuk gelaagder. Er zijn meer afwisselingen, faseverschuivingen binnen de algehele indruk van repetitiviteit. Her en der steken ook sonore ‘gebeurtenissen’ als signalen af tegen de achtergrondruis: iemand gooit de knikkers op om ze daarna terug op te vangen; een interactie tussen twee participanten stuurt even een lachsalvo door de ruimte.
Toe. Varieer maar, spoort het infoblaadje me aan. Loop eens rond door het gebouw, waag je aan trio’s of duetten, en waarom niet aan een heel orkest? Ik laat al die uitnodigingen voor wat ze zijn, vervuld als ik ben, zo merk ik gaandeweg, door een prettige onwil tot creativiteit. Laat Noord en Zuid maar eindeloos ronddraaien in dat kommetje, met krak hetzelfde tempo – hoe minder origineel het klinkt, hoe liever ik het heb.
Met dezelfde instelling participeer ik later op de avond aan de groepszang Move a Mountain. We kunnen variëren op ‘o, a, e, i, u or a sound of your own choice’ maar ik houd het op een langgerekte, monotone ‘eeeeeeee’. Bijzonder is het om die ‘eeeeeeee’ te horen en tegelijk het grotere, meerstemmige geheel waar de eigen stem in opgaat… Merkwaardig genoeg vervalt dat geheel trouwens maar zelden tot een volslagen kakofonie. Hoe komt het toch dat zich in die veelheid voortdurend patronen aftekenen, dat verschillende stemmen zich keer op keer samenvoegen tot een min of meer samenhangende, polyfone kosmos? Meer nog: de hele nacht stelt het zonder kloktijd of dirigent. Hoe nemen wij als groep vreemdelingen, zonder veel praten, dan collectief beslissingen? Wat zorgt ervoor dat we plots allemaal beneden op de bankjes soep zitten te eten, en dat we daarna naar boven gaan om Move a Mountain in te zetten?
Zijn het de infoblaadjes? Die vormen maar een deel van het antwoord. Gedurende de hele nocturne krijgen we er maar drie, met informatie die overigens erg summier en suggestief blijft. Het geheel van onze interacties heeft soms iets weg van het zwermen van vogels. Bij gebrek aan een Hoofdvogel die de weg wijst, stemmen individuele vogels hun eigen vlieggedrag continu af op de hen direct omringende soortgenoten. Naast conformisme is er ook een zekere graad van autonomie – die is nodig om keuzes te maken, om een plots opdoemende toren te ontwijken bijvoorbeeld – maar de beslissingsvrijheid van vogels is steeds op een complexe en dynamische manier gedistribueerd over de hele groep.
Natuurlijk zijn wij mensen geen vogels; ons individuele gedrag lijkt doorgaans een stuk eigenzinniger, individualistischer dan dat van een individuele vogel. Bovendien lopen heel wat lijnen van verschil door deze specifieke groep van vreemdelingen die even met elkaar de nacht doorbrengen, qua karakter, sociabiliteit, gender, seksuele voorkeur, etnisch-culturele achtergrond, maatschappelijke waarden en normen,… Ook al komt lang niet gelijk welke Brusselaar naar het Kunstenfestivaldesarts, meer dan een eengemaakte ‘gemeenschap’ zien we hier toch een ‘samenleving’, vol onmiskenbare diversiteit.
En zo verschijnen na verloop van tijd de contouren van de concrete utopie die in Nocturnes for a Society lijkt te worden uitgetest, met de nodige ‘progressive precaution’. We bevinden ons ergens halfweg op het spectrum tussen superdiverse samenleving en community of practice; de geraffineerde soberheid van de artistieke praktijken en de aandacht voor dagdagelijkse handelingen roepen een mogelijke cultuur op die zowel doet denken aan zenboeddhistische spiritualiteit als aan het ‘genoeg’ van de degrowth-beweging; de lichtjes anarchistische onbepaaldheid die de hele nacht tekent, appelleert aan de autonomie én verantwoordelijkheidszin van elke individuele deelnemer.
Bijzonder is het om te zien hoe de nocturne erin slaagt om de interpersoonlijke verschillen af en toe, al is het maar voor heel even, te overbruggen. De gedeelde artistieke praktijken en omstandigheden zorgen voor een minimale vorm van gezamenlijkheid. Ook de relatieve afwezigheid van gesproken taal doet dat: de stilte helpt om eventuele barrières tussen talen, sociolecten, culturele en sociale referentiekaders te verkleinen. Verder is het cruciaal dat er verschillende gradaties van participatie mogelijk zijn. Niet iedereen hoeft de hele nacht even hard ‘mee te doen’. Je een tijdlang terugtrekken of het gebeuren vanop een afstand gadeslaan is ook oké.
Die erkenning van verschil blijkt paradoxaal genoeg van doorslaggevend belang voor het socialiserende potentieel van dit nachtelijke experiment. Je merkt het zelfs aan hoe de matrassen zijn gerangschikt: op de benedenverdieping liggen ze kriskras en avontuurlijk dicht tegen elkaar aan; boven zit er meer afstand tussen, voor zij die in deze context van intimiteit tussen vreemden toch wat meer privacy nodig hebben.
En zoals het experimenten past is ook Nocturnes for a Society niet vrij van enig risico. Er hoeven maar een paar aspirerende Hoofdvogels tussen de deelnemers te zitten, of een iets te enthousiaste valse zanger, een bijzonder luide snurker, een zelfverklaarde sjamaan die met zijn devote gedrag de grens van de ‘heiligheid’ oversteekt, een egoïst die teveel dekens voor zichzelf oppot,… en de energie van het geheel komt in een negatieve spiraal terecht.
Van het grootste deel van de nocturne herinner ik me niets. Over het algemeen herinner ik me mijn dromen dan ook maar zelden. In hoeverre worden wij al dromende beïnvloed door wat voorafging? Stemmen onze tachtig verschillende dromen zich telepathisch op elkaar af, een beetje zoals die zwerm vogels in de vlucht? Ontstaat in deze tijdelijke samenleving van slapers iets van een collectieve verbeelding? Ik heb absoluut geen idee.
Wat ik me wel nog herinner is het zachte ontwaken, het heen en weer als eb en vloed tussen slapen en waken. In die grijze zone kunnen we de soundscapes horen die ons overigens al de hele nacht vergezellen, nu eens wat luider en aanweziger en dan weer subtiel verdwijnend in de achtergrond ten opzichte van de live gemaakte geluiden. Tijdens het grootste deel van de performance bivakkeert de muzikant Christophe Albertijn achter zijn laptop. Hij bewerkt en combineert er de klanken die voortdurend worden opgevangen door vaste microfoons en door een aantal medewerkers die discreet als reporters door de ruimte trekken met opnameapparatuur in de aanslag. De sonore kosmossen die Albertijn terugstuurt klinken soms warm en rustgevend, soms onheilspellend stormachtig.
De simultaneïteit van de digitale echo’s van eerdere geluiden en de analoge, in het nu gemaakte klanken doet denken aan de sneeuwbal van Henri Bergson. Het is misschien wel de beroemdste van de vele metaforen waarmee de filosoof de tijd omschreef: een neerwaarts rollende sneeuwbal draagt in zijn actuele vorm ook steeds het – aanzwellende – verleden met zich mee. De verschillende laagjes tijd versmelten met elkaar; heden en verleden zijn onlosmakelijk verbonden. Ergens in Albertijns mix moeten Noord en Zuid nog steeds ronddraaien, en blijft mijn langgerekte ‘eeeeeeee’ maar verder doorklinken…
Toch loopt ook iets definitief ten einde. De spiegels van K1 zijn terug ramen geworden. We zien én horen hoe de stad tot leven komt: auto’s, bouwvakkers, joelende kinderen, een sirene,… Oh, daar zwaait iemand aan de overkant van het kanaal! Ze wenkt ons. Kom, kom, kom! Het is nog wat frisjes wanneer we de brug oversteken, terug naar al onze eigen dagdagelijkse levens, maar er staan koeken en koffie voor ons klaar waar we ons nog even kunnen aan warmen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.