Drift MUZIEKTHEATER TRANSPARANT foto Schelfhout

Marleen Baeten

Leestijd 6 — 9 minuten

Monteverdi op Petroleum Zuid

Jongerenopera Drift (Muziektheater Transparant) tijdens de Zomer Van Antwerpen

Tijdens de voorbije Zomer van Antwerpen ging de jongerenopera Drift (Muziektheater Transparant) in première. Prachtige barokmuziek, uitstekend gemusiceerd, gezongen en op scène gezet door een 40-tal jongeren en jongvolwassenen vanaf 16 jaar. Ontroering en staande ovatie, elke avond welverdiend opnieuw. Een kritisch artikel schrijven over een mooie jongerenvoorstelling is een hele evenwichtsoefening. Hoe je kritiek helder verwoorden zonder het jonge enthousiasme te temperen? Anderzijds is de productie volledig professioneel omkaderd en worden de artistieke ambities luidop verwoord. Met Drift zijn de makers dan ook niet aan hun proefstuk toe.

Tien zomers geleden (augustus 1994) presenteerden een 30-tal jongeren in het Provinciaal Cultureel Centrum Dommelhof (Neerpelt) het resultaat van een week intensief werken: een opvoering van Purcells opera Dido and Aeneas. De jeugdige zangers en muzikanten genoten zichtbaar van hun medewerking aan een productie met alles erop en eraan. Ze hadden hun partij op voorhand ingestudeerd, zodat ze zich de volledige week zouden kunnen concentreren op het muzikale samenspel en de realisatie van een voorstelling. De cursusweek met een voorstelling als eindresultaat was een initiatief van Wouter van Looy, coördinator van Mallemuze, een in Peer gehuisveste jeugddienst voor muziek. Hij werkte een eenvoudige, maar functionele enscenering uit, die de jongeren voldoende vrijheid liet voor eigen invullingen, maar die tegelijk garanties bood voor een maximaal professioneel effect. Zijn broer Gerd van Looy, die enkele jaren later technisch leider, decor- en lichtontwerper bij Les Ballets C. de la B. zou worden, stond in voor decor en licht. De muzikale leiding was in handen van Dick van Gasteren, geholpen door enkele repetitoren, waaronder Jan van Outryve. Voor de meeste deelnemers was de operaweek een gedroomde vakantieinvulling, voor sommigen was het een welkome aanvulling op hun klassieke muziekopleiding: ervaring opdoen met een productieproces, samen musiceren met mensen met diverse achtergronden, leren bewegen op scène. Het proces was belangrijk, maar ook het resultaat mocht gezien worden.

De operaweek werd een vaste waarde in het zomercursusaanbod van Mallemuze. Al vanaf het tweede jaar werd de begeleidings- en productieploeg uitgebreid met een choreografe, Jo-An Lauwaert. Later zou daar ook nog een kostuumontwerper bijkomen. Vanaf 1999 vond Mallemuze in Muziektheater Transparant een partner om de jongeren-opera’s te coproduceren en de opvoeringskansen uit te breiden. Vanaf 2000 werd Musica in het kader van het kersverse muziekdecreet gesubsidieerd als educatieve organisatie; Mallemuze hield op te bestaan. Wouter van Looy wou een meer artistieke weg volgen en vond onderdak bij Muziektheater Transparant, waar hij artistiek coördinator van de jongerenopera’s en educatieve projecten werd. Sinds de jongeren-opera’s onder de vlag van Muziektheater Transparant varen, worden de artistieke ambities nog sterker in de verf gezet: coproducenten uit de kunstensector, speelkansen op grote podia, de seizoensbrochure die het geloof in het vernieuwingspotentieel van deze jongeren voor het muziektheater verwoordt, programmablaadjes met lovende citaten uit de perskritieken van vorige producties. Het is de jongerenopera’s van harte gegund, maar binnen die context zijn enkele kritische noten toch wel op hun plaats.

De meest recente jongerenopera heet dus Drift en blaakt van artistieke ambities. Geen kant-en-klare opera uit het repertoire, maar een compilatie van muzikaal en literair materiaal uit de barok, hoofdzakelijk van Monteverdi. Diens Lamento d’Arianna, het enige overblijfsel van de opera Arianna, vormde samen met ander barokmateriaal en fotoreportages van Sebastiao Salgado en Corinne Day het vertrekpunt om een verhaal op te bouwen over ‘het vluchtelingenaspect’ en ‘jongeren op drift’, zo vermeldt het programma blaadje. De grote loods waarin Drift in première ging, accentueerde echter niet alleen de imheimlichkeit van het op-de-vlucht-zijn, maar ook enkele ongelijkmatigheden tussen en in de zangstemmen. Voor het orkest bouwde Gerd van Looy – voor het eerst in lange tijd weer van de partij – links op de scène een soort schuilhok met twee open wanden in plastic golfplaten, helemaal in de lijn van het materiaal waarmee het loodsdak jaren geleden werd opgetrokken, Deze akoestische ingreep draagt zeker bij tot de homogene klank van het orkest onder leiding van Jan van Outryve, die sinds 2000 de algemene muzikale leiding van de jongerenopera’s op zich neemt. Centraal vooraan herinnert een stukje binnenmuur met burgerlijk behangpapier aan het ouderlijke huis, rechts is de scène volgebouwd met hokjes, die veel weg hebben van de kleine winkeltjes en eethuisjes die je in verre landen aantreft in de omgeving van busstations en andere drukke plaatsen. Ook de kostuums en bewegingen, in handen van nieuwkomers Machteld van de Perre en Nicoletta Branchini, zijn heel wat minder abstract dan we gewend waren van Joost van Wijmen en Jo-An Lauwaert, die de voorbije jaren samen met Sascha van Riel (decor) de dienst uitmaakten. De scènes die de leefwereld van de jongeren oproepen, ogen in het algemeen nogal Alain Platel: een dansend en roepend meisje op de platte daken van de hokken/huisjes, boksende jongens op de achtergrond terwijl op de voorgrond traag en zacht zingend eeuwige liefde beloofd wordt. De scènes die verwijzen naar de mythologische godenwereld zijn dan weer veel typischer opera. In hun traagheid en keuze voor één duidelijk beeld, zoals Amor die een reuzen Venus op een pallettenkar voorttrekt, contrasteren ze met de chaotische wereld waarin de jongeren ronddolen.

Zoals dat tegenwoordig gebruikelijk is in de opera, kan de toeschouwer het verhaal volgen met behulp van tekstprojecties. Hier zijn die teksten echter geen vertaling van de meestal poëtische oud-Italiaanse verzen die gezongen worden, maar uiterst dunne zinnetjes, zoals in een fotoroman. Hun bondigheid contrasteert met de wijdlopige barokliederen. Zoals Guy Cassiers dat al deed met de tekstprojecties in Rotjoch of The Woman Who Walked into Doors, brengen diverse letterzettingen ‘reliëf’ in de tekst. Het feit dat dat reliëf hier figuurlijk toch wel erg ‘plat’ uitvalt, is niet zozeer te wijten aan de eenvoudige middelen waarmee in Drift gewerkt wordt, maar aan een schijnbare willekeur, waarvan de bedoeling mij ontgaat. Misschien is de visueel expressieve, maar betekenisloze tekstbehandeling bedoeld als een hedendaagse tegenpool van Monteverdi’s experimenten met muzikale tekstexpressie, vooral in zijn madrigalen? Wil men aan de hand van een ontoereikende taal en vorm weergeven dat er vandaag de dag niet zoveel uit te drukken valt? Dat niet zozeer verlangens en idealen, dan wel driften en noodlot ons leven bepalen? Het opschrift Zijn drift, haar noodlot, dat een tijdje na de voorstellingstitel Drift geprojecteerd wordt en zo de betekenis van een melodramatische ondertitel krijgt, wijst in die richting. Andere tekstfragmenten spreken de these van ironisch opzet dan weer tegen.

De weinig coherente tekstprojecties zijn symptomatisch voor de manier waarop het hele verhaal verteld wordt. Het vertrekpunt is nochtans ‘uitdagend’ in zijn volle betekenis: aanlokkelijk, ambitieus en spannend. In de jongerenopera’s onderzoekt Wouter van Looy al enkele jaren de mogelijkheden om opera- en ander muzikaal repertoiremateriaal uit de barok, bij voorkeur Monteverdi, op een vrije manier te hanteren en al ‘samplend’ een persoonlijk, eigentijds verhaal te monteren. In het theater maakt deze manier van werken al geruime tijd opgang, maar in de opera is deze werkwijze zo goed als ongebruikelijk. Over de muziekdramaturgie kan ik niet oordelen, maar ik begrijp niet waarom er zo krampachtig geprobeerd werd om dit muzikaal prachtige en emotioneel zo geladen materiaal in een verhaalstructuur te wringen. Bovendien vertelde dit uiterst dunne ‘hedendaagse’ Ariadneverhaal mij, in weerwil tot de bedoelingen, niets over dolende jongeren of over vluchtelingen. In combinatie met de tekstprojecties werkte de theaterdramaturgie – of het gebrek daaraan – de muziek(dramaturgie) soms letterlijk tegen. De regie is op de eerste plaats een acteursregie. De sterkste momenten zijn dan ook die waarop spel en beweging van koor en dansers de muziek zodanig versterken dat ze het verhaal en de tekst naar de achtergrond duwen en de emoties naar voren halen.

Waar de gemiddelde leeftijd van de zangers in de eerste editie rond 17 jaar lag, ligt die nu eerder rond 22 jaar. Een aantal zangers stapte jaren geleden als 15- of 16-jarige in de Mallemuze-operaweek en bleef jaarlijks terugkomen. De herhaalde podiumervaring, met veel aandacht voor een verruiming van de bewegingstaal van de zangers, werpt zijn vruchten af. Bovendien begonnen verschillenden onder hen intussen aan een professionele zang- of instrumentopleiding. De muzikale prestaties en de fysieke vertolking van de jongeren liggen intussen ver boven het amateurniveau. Een belangrijke verdienste van de jongerenopera’s.

Wat begon als een avontuur in de kunsteducatiesfeer groeide in de loop van de voorbije tien jaar uit tot een gegeven dat zijn plek opeist in het artistieke veld. Hoe moet het nu verder? De jonge muzikanten en zangers worden hoe langer hoe professioneler en zijn intussen goed gewend om met algemeen artistiek leider Wouter van Looy en muzikaal leider Jan van Outryve te werken. Maar hoe ‘ancien’ mag en kan je zijn om nog in ‘jongerenopera’s’ te functioneren? Wanneer is de tijd rijp voor ieder om zijn eigen weg te gaan? Of is een professioneel ensemble de ultieme droom? En is dat ook in praktijk te realiseren? Vanaf wanneer? Onder wiens vlag (en met wiens geld)? Onder wiens leiding? En is zulk een vroege ensemblevorming de meest aangewezen weg voor de ontwikkeling van jonge zangers en muzikanten? En voor een jonge, zoekende regisseur? Welke context biedt de meeste mogelijkheden op artistieke ontwikkeling, op individueel en collectief vlak, zonder dat je al meteen voor de leeuwen gegooid wordt?

De kracht van de jongerenopera’s in een kunsteducatieve context lag in de extra’s die de productiecontext bood, maar er werden geen hoge artistieke eisen gesteld. Het volstond om een minimaal artistiek en technisch kader te bieden voor een stimulerend leerproces en een zo goed mogelijke uitvoering. In een context die zich zeer sterk als artistiek affirmeert, ligt dat anders. Daar laat kwaliteit zich niet alleen aflezen aan de basisopties en de uitvoering, maar ook aan het artistiek onderzoek en de vertaling daarvan naar de scène. De ambitie om dat onderzoek te voeren is er. De ambitie om jongeren meer kansen te geven op muzikale ontwikkeling en podiumervaring is er ook. De uitdaging bestaat erin om een geschikte organisatievorm te vinden waarin beide ambities gerealiseerd kunnen worden.

Drift

MUZIEK Claudio Monteverdi en anderen

MUZIKALE LEIDING Jan van Outryve

REGIE Wouter van Looy

DECOR EN LICHT Gerd van Looy

CHOREOGRAFIE Nicoletta Branchini

KOSTUUMS Machteld van de Perre

SOLISTEN Elise Caluwaerts, Sinan Vural, Liselotte Mostinckx, Jonathan de Ceuster

KOOR EN SOLISTENKOOR Inge Clerix, Iris Luypaers, Ana-Maria Otxoa Pando, Dick Vandaele, Els van Daele, Jean-Michel van Oosten

KOOR tien jongeren

ORKEST zeventien jongeren

BOVENTITELING Hendrik de Smedt

PRODUCTIE Muziektheater Transparant

COPRODUCTIE YO! Internationaal Jeugdopera Festival Utrecht

IN SAMENWERKING MET Zomer van Antwerpen

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#89

15.12.2003

14.03.2004

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.