‘L’Allegro, il Penseroso ed il Moderato’. Monnaie Dance Group. Foto: Klaus Lefebvre

Alexander Baervoets

Leestijd 7 — 10 minuten

Mark Morris een kruis voor De Munt?

Sinds het doek achter Béjart viel, kent de dans in de Munt veel nieuwe wendingen. Mortier treedt op als gastheer en coproducent voor verschillende boeiende choreografen: Reinhild Hofman, William Forsythe, Anne Teresa De Keersmaeker. Tegelijk haalde hij een vast gezelschap in huis o.l.v. Mark Morris. Deze heeft nog niet bewezen dat hij met zijn produk-ties meer brengt dan wat kunst- en vliegwerk.

Exit Béjart

Het was puur toeval — of bestaat dat dan werkelijk niet? — dat ik die dag de Belgische ambassade langsliep. Het was ook de eerste keer sinds lang dat ik een Belgische krant in handen kreeg. Béjart was frontpaginanieuws. Béjart ging weg uit Brussel. België was reeds ver uit mijn gedachten, maar-toen toch weer even dichtbij. In het verre, verre Beijing ging ik aan het mijmeren over wat voorbij was en wat nu komen moest.

Dat Béjart niet zou blijven, was toen al lang geen geheim meer. Hij had de laatste jaren veel van zijn vitaliteit verloren: hij ging te diep graven, leefde eenzaam op zijn Parnassus, gehuld in een charisma en badend in zijn eigen cultus. Béjart stelde zichzelf al lang niet meer in vraag. In zijn volheid ging hij een groot deel van het publiek vervelen. Zijn ontegensprekelijke choreografische kwaliteiten gingen steeds meer verloren in een monotone breedsprakerige theatraliteit. Het was soms drie uur wachten op een kleine vonk van het oude vuur.

Het was tijd dat Béjart wegging, voor hem en voor ons. Dat hij een grote leegte zou achterlaten was te voorzien.

Morris Intro

Na een korte periode van droefheid en onzekerheid kwam toch de hoop, hoop op nieuwe prikkels. Er was ook de vraag naar wat Gerard Mortier van plan was met zijn opera. Wilde hij de dans daar weer bij betrekken of zocht hij naar een nieuwe, zelfstandig werkende choreograaf die losstond van het operagebeuren? Men zegt dat Peter Sellars hem had aangeraden Mark Morris te kiezen. Morris was voor mij een volslagen onbekende, maar in de States werd hij blijkbaar als een grote belofte beschouwd. De vele goede kritieken van over de Grote Plas schiepen verwachtingen.

Dat Mortier koos voor een Amerikaan is zijn goed recht, al schijnt niet iedereen het daarmee eens te zijn. Het is waar dat sommige choreografen van hier met zeer beperkte middelen moeten werken. De mogelijkheden die de Muntschouwburg heeft steken daar schril tegen af. Toch mag men daaruit niet afleiden dat de Muntdirecteur zich over die inlandse choreografen moet ontfermen. Dit is niet noodzakelijk zijn taak, het is de taak van de bevoegde overheid. Had Mortier De Keersmaeker in dienst moeten nemen? Niemand kan hem die keuze opdringen.

Dat Morris de kans kreeg zich een jaar lang voor te bereiden en niet werd verplicht zich meteen waar te maken, is natuurlijk een grote luxe. Zo had hij de tijd om dansers te zoeken, ze naar eigen smaak op te leiden of bij te werken en zo tot een zekere stijluniformiteit te komen. Dat is een hele serieuze manier van werken die de Munt siert.

Dat Morris toch een kerngroep eigen dansers meebracht, is, om redenen van stijl en repertoire, ook te begrijpen. Het overwicht aan Amerikanen in het gezelschap zou mettertijd wel wegebben. Ikzelf was niet echt opgewonden om het feit dat er zo weinig Belgen bij Morris dansten. Dans is nu eenmaal een internationale aangelegenheid en in dit opzicht vergelijkbaar met het operagebeuren, waar men zich ook niet echt om de nationaliteit bekommert. Trouwens, waren er dan zoveel Belgische dansers bij Béjart?

Wanneer de eerste berichten over de eigenlijke start van Morris begonnen door te sijpelen, veroorzaakte de naamkeuze toch een lichte irritatie: Monnaie Dance Group Mark Morris. Frenglisch en franglais stuiten mij zo al tegen de borst — ik verkies dan nog de Mint… – maar waar is het Nederlands gebleven? Zelfs Béjart, toch een Fransman, had nog voldoende respect voor de taalmeerderheid in dit land om zijn gezelschap, eveneens gehuisvest in de Nationale Opera, tweetalig te dopen. Is zelfverloochening dan eens temeer een kenmerk van de Nieuwe Belg? Bepaalde Vlaamse milieus uit het derde gewest proberen mij ook zoiets op te dringen als Les halles de Schaerbeek. Moet ik dan Skarbek zeggen?

Morris Ars open deuren ice-cream

Toch was deze irritatie klein bier in vergelijking met wat komen moest. L ‘allegro, il penseroso ed il moderato op muziek van Händel — Morris’ eerste creatie voor Brussel — sloeg mij met verstomming. Nooit zag ik zoveel zelfingenomen oppervlakkigheid bijeen. Nooit voelde ik sterker de wurggreep van de coca-colarisering. Nergens was deze choreografie vernieuwend, essentieeel of passioneel. Ze verhield zich tot de danskunst als hamburgers tot de gastronomie: smaakloos en reukloos. Morris bereikte de absolute gelijkschakeling, het nietszeggende, het perfecte tegendeel van engagement. Nu moeten het voor mij niet allemaal Pina Bauschen zijn en ik verdraag zelfs een zekere graad van puur estheticisme, maar geen leegheid. Alstublieft, geen leegheid.

Morris’ muzikaliteit — hij laat zich graag fotograferen met een partituur in de hand — beperkt zich tot het noot voor noot uitbeelden van de muziek. Nergens zitten er tegentijden, anticipaties, versnellingen of andere verrassende antwoorden op Händel’s compositie. In muziektermen is wat Morris doet zoiets als op de piano de melodielijn van de rechterhand twee octaven lager meespelen met de linkerhand. Zo een muzikaal afgietsel, zeker van de zeer onderhoudende en voor een hedendaags luisteraar gemakkelijke muziek van Händel, is een esthetische marteling. Omdat je weet wat komt en Morris steeds weer de evidente onderlijning aflevert, gaat een doorwinterd dansliefhebber gauw denken dat men hem in het ootje neemt. Meermaals sloeg ik uit schaamte de handen voor de ogen, met de gedachte: “Het is niet waar, hij dóet het!”. Morris is de kampioen van het open-deuren-intrappen.

Dat hij graag werkt met barokcomponisten — maar dan blijkbaar liefst in een romantische uitvoering met slepende tempi en te weinig dieptewerking — is voor mij helemaal geen bewijs van goede smaak. De ingehouden passie van de barok wordt bij hem een snotterige bedoening. Dat zijn grote voorbeelden uit de danskunst eveneens de mijne zijn, volstaat evenmin. Of dacht hij zijn muzikaliteit te kunnen meten aan die van grootmeester Balanchine? Evenmin raakt hij de hielen van Paul Taylor wat elegantie of verfijning betreft. En Cunningham? De meest dwaze opmerking die ik hoorde was dat Morris zoiets zou zijn als Cunningham, maar dan ‘in de maat’. Gaat Cunningham dan soms uit de maat? Neen, Cunningham is muziek. Als de lichamen van zijn dansers noten waren, dan hoorde je de meest sublieme muziek. Mijnheer Morris, laat het in de maat stappen over aan de kleuterklassen.

Het kon allemaal wat minder erg zijn indien de bewegingen van de dansers afzonderlijk betekenisvol waren, maar ze missen de meest elementaire dramatische kracht. Het is allemaal oppervlaktewerking: men steekt een arm omhoog of een been vooruit, zondermeer. Het hoeven voor mij geen hoge benen te zijn. Een beweging mag heel miniem zijn, maar ze moet ergens vandaan komen, een reden hebben, noodzakelijk zijn. Na zo’n vijftig choreografieën te hebben afgeleverd (op acht jaar tijd!), is Morris zijn stijl niets meer dan een gemiddelde, een matte doorsnee van alle mogelijke bestaande stijlen en één (1) specifieke armbeweging, waarbij de danser zijdelings in de opgeheven hand kijkt, op zich de perfecte illustratie van Morris’ maniëristisch exhibitionisme.

Alsof dit alles nog geen voldoende kleffe smaak zou achterlaten, overgiet Morris het geheel met zoveel pastelkleuren dat mijn indigestie compleet was. Morris heeft zijn roeping gemist. Hij had pasteibakker kunnen worden.

Ars Moriae
open doeken
I scream

Toch kwam het meest ontstellende voor mij pas op het einde van de voorstelling: het publiek gaf een ovatie. Nu druk ik mij meestal zeer voorzichtig uit wat smaak betreft en tracht ik begrip te tonen wanneer het publiek het moeilijk heeft met ongewone of moeilijke voorstellingen, maar deze keer voel ik het als mijn plicht de verdwazing te bezweren. Heeft België een danspubliek? Nog niet echt, denk ik. Dat heeft grotendeels te maken met het aanbod. Indertijd was er een groot en specifiek Béjart-publiek, dat niets anders kende of wilde kennen, en alle andere choreografen mat aan de ‘ene ware meester’. Het schijnt dat er nu charters worden ingelegd naar Lausanne voor Béjart-weekends. Dat verwondert me niet.

Aan de andere kant werd het publiek de laatste jaren overspoeld met de meest vooruitstrevende produkties. Het gevolg van dit alles was het ontstaan van twee kampen, twee groepen met een overdreven extreme ingesteldheid. De afstand tussen beide had moeten overbrugd worden door repertoire-voorstellingen, maar de balletgezelschappen der beide gemeenschappen konden alleen die kloof niet dichten en de goede buitenlandse gezelschappen komen te zelden naar hier. Het ziet er niet naar uit dat deze nieuwe Guerre des Bouffons spoedig zal luwen.

Het grote publiek — dat mag u hier pejoratief verstaan — vindt het werk van Mark Morris dus aanvaardbaar. Het is er zelfs ronduit gelukkig om. Morris levert licht verteerbare commerciële kost, in de muziek te vergelijken met het werk van Andrew Lloyd Webber, en niemand maalt erom dat de anachronismen welig tieren, dat het bulkt van de platitudes.

Integendeel, iedereen is gelukkig alles voor één keer te hebben begrepen. Dat is ook niet zo moeilijk. Zelfs een hond kan het helemaal begrijpen.

Ik dien eerlijkheidshalve toe te geven dat het tweede programma mijn felle oordeel ietwat heeft afgezwakt. Hoewel. Het ballet op Vivaldi’s Gloria had meer inhoud, was vinniger, maar toch zag ik ook hier enkele simplistische beelden die een ernstig choreograaf schuwt. Zo gebruikt Morris te vaak de canon — waarbij iedere danser na een interval dezelfde beweging uitvoert — en laat hij dit zonder schroom duren tot de laatste danser. Wanneer zelfs die dan nog geen variatie op het thema brengt, blijft uw waarnemer perplex. Van een groepje amateur jazz-dansers mag je zoiets verwachten, maar in de Munt…?

Morris’ spektakels zijn braaf en gestroomlijnd. Dat merk je ook aan de holle pathetiek in Frisson (muziek van Igor Stravinsky) en in Sonata for Clarinet and Piano (muziek van Francis Poulenc). Dat moet waarschijnlijk Morris’ meer cerebrale werk voorstellen. Het mag ronduit saai heten, houterig, statisch, oppervlakkig, zonder overtuiging. Tussenin bracht Morris zelf een ‘opkikkertje’: Ten Suggestions, op muziek van Alexander Tcherepnin, de Bagatelles, opus 5. Van een bagatel gesproken. In een rose zijden pyjama voert de nieuwe huischoreograaf van de Munt enkele cabareteske nummertjes op met attributen als een hoepel en een hoed. Een deel van het publiek vond de hevig geaffecteerde gesticulaties van de danser-‘choreograaf’ niet van humor gespeend. I cried out for dignity.

Exit Morris

De eerste vraag die bij mij spontaan kwam opwellen, reeds na een kwart uur voorstelling, was: hoe lang duurt die man zijn contract? En vijf minuten later: wat kost het om zo een contract op te zeggen? Maar eigenlijk komt het hier op neer: welk belang hecht Gerard Mortier aan dans? Ik denk niet dat hij zeer lang over de zaak heeft nagedacht. Blijkbaar beschouwt hij dans als een noodzakelijk kwaad. Nochtans waren er veel betere oplossingen dan dit. Ten eerste had Mortier kunnen kiezen voor een echt operagezelschap. Het is toch eigenaardig dat hij zowat in alle elementen van opera belang stelt — zowel muziek, zang, koor, decor en licht, als regie — maar het aandeel van de dans in opera volledig miskent. Hij heeft de kans laten verloren gaan hierin een pioniersrol te spelen, want het hele operagebeuren is wat dat betreft aan een grondige herbronning toe.

Een tweede mogelijkheid was tijdelijk te werken als receptief theater en gedurende een paar jaar enkel gastgezelschappen uit te nodigen. Dat betekent misschien veel werk, maar het biedt ook meer mogelijkheden. Het publiek krijgt veel variatie en het bestuur kan uitkijken en uittesten. Nu lijkt de vervanging van Béjart alleszins één grote gemiste kans te zijn. Heeft Mortier eigenlijk wel gekozen? Heeft hij zich afgevraagd of hij een repertoire-gezelschap, een opera-gezelschap, moderne of klassieke dans of danstheater wou? Was het budget veilig stellen misschien zijn eerste zorg? Deze oplossing is in ieder geval de Munt onwaardig. Door niet oordeelkundig te kiezen heeft Gerard Mortier zich mijns inziens ernstig vergist.

L ‘allegro, il penseroso ed il moderato

Monnaie Dance Group Mark Morris

tekst: John Milten, bewerkt door Charles Jennens;

muziek: Georg Friedrieh Händel;

choreografie: Mark Morris;

orkestleiding; Craig Smith;

decor: Adrianne Lobel;

kostuums: Christine Van Loon;

belichting: James F. Ingalls.

Gezien op 8 december 1988, Muntschouwburg, Brussel.

Gloria and other works

Monnaie Dance Group Mark Morris

muziek: A Vivaldi, L Stravinsky, A. Tcherepnin, F. Poulenc;

choreografie: Mark Morris;

orkestleiding: Craig Smith;

belichting: Phil Sandström.

Gezien op 15 en 21 december 1988, Muntschouwburg, Brussel.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#25

15.03.1989

14.06.1989

Alexander Baervoets

recensie