Claude Lévi-Strauss

Leestijd 6 — 9 minuten

Manifest: Kunst/Wetenschap

Op zoek naar een theoretische fundering van de verbanden tussen kunst en wetenschap stootten we op een passage uit ‘Het wilde denken’ van de Franse structuralistische cultuurantropoloog Claude Lévi-Strauss waarin hij zijn gezichtspunt argumenteert ‘dat de kunstenaar tegelijk iets van de geleerde en iets van de knutselaar heeft: door middel van handwerk vervaardigt hij een stoffelijk voorwerp dat terzelfdertijd een objekt voor het kennen is.’

‘Er bestaat (…) bij ons op technisch gebied nog een vorm van aktiviteit, die het mogelijk maakt een tamelijk goed idee te krijgen van wat op het gebied van de spekulatie een wetenschap heeft kunnen zijn waarvoor we liever de benaming eerste’ wetenschap dan primitieve wetenschap zouden willen gebruiken: deze vorm van aktiviteit wordt gewoonlijk aangeduid met de Franse term ‘bricolage’ (knutselen). In zijn oude betekenis wordt het werkwoord ‘bricoler’ gebruikt voor balspel en biljart, voor jagen en paardrijden, maar altijd om een onverwachte beweging aan te geven: de bal die terugstuit, de hond die afdwaalt, het paard dat van de weg afwijkt om een obstakel te ontwijken. En tegenwoordig is de knutselaar (‘bricoleur’) iemand die nog met zijn handen werkt en daarbij heel andere middelen gebruikt dan de vakman. Het typische van het mytisch denken is nu dat het om zich uit te drukken gebruik maakt van een verzameling middelen, waarvan de samenstelling heterogeen is en, hoe omvangrijk ook, toch beperkt blijft. Het moet er wel gebruik van maken, welke taak het ook wil uitvoeren, want iets anders heeft het niet tot zijn beschikking. Zo lijkt het mytisch denken een soort intellektueel knutselen en dit biedt tevens een verklaring voor het verband dat tussen deze twee is waar te nemen. Zoals het knutselen op technisch gebied, kan het mytisch denken op intellektueel gebied tot schitterende en onvoorziene resultaten komen. Omgekeerd is vaak gewezen op het myto-poëtische karakter van het knutselen: op het gebied van de zogenaamde ‘natuurlijke’ of naïeve’ kunst; in de fantastische architectuur van de villa van de postbode Cheval en in die van de decors van Georges Méliès; en ook in de door Dickens in ‘Great Expectations’ onsterfelijk gemaakte, maar ongetwijfeld door waarneming geïnspireerde architektuur van het ‘voorstadkasteel’ van Mr. Wemmick, met zijn miniatuurophaalbrug, zijn kanon dat om negen uur afgaat en zijn moestuin met sla en komkommer, waarmee de bewoners een beleg zouden kunnen doorstaan, als het nodig mocht zijn…

Het is de moeite waard de vergelijking nog verder uit te diepen, we leren daardoor beter begrijpen wat de werkelijke relaties zijn tussen de twee soorten wetenschappelijke kennis die wij onderscheiden hebben. De knutselaar is in staat een groot aantal uiteenlopende taken uit te voeren: maar terwijl de ingenieur bij alles wat hij doet ervan afhankelijk is of hij de grondstoffen en de instrumenten kan krijgen, die speciaal voor ieder projekt zijn ontworpen en aangeschaft, is voor de knutselaar de wereld van zijn instrumenten beperkt en zijn spelregel is, zich altijd te behelpen met de middelen die hij heeft, d.w.z. met een steeds beperkte hoeveelheid van gereedschap en materiaal dat bovendien nog heterogeen is, omdat de samenstelling ervan niets te maken heeft met het projekt van dat ogenblik, trouwens met geen enkel bepaald projekt; zijn instrumentarium is het toevallige resultaat van alle kansen die hij heeft gehad om zijn voorraad te vernieuwen of te vergroten of met overblijfselen van vroegere konstrukties en destrukties op peil te houden. De middelen van de knutselaar kunnen dus niet door het projekt worden vastgesteld (wat trouwens zou inhouden dat er net als bij de ingenieur bij elk soort projekt een ander stel instrumenten hoort, altans in theorie); zijn middelen worden alleen bepaald door hun bruikbaarheid als instrument, in de taal van de knutselaar: omdat hij dingen verzamelt en bewaart volgens het principe ‘dat het altijd wel ergens voor te gebruiken is’. Dergelijke dingen zijn dus maar ten dele op een specifiek gebruik afgestemd; specifiek genoeg om ervoor te zorgen dat de knutselaar het zonder uitrusting kan stellen en zonder de kennis van alle beroepen, maar niet genoeg om ieder ding aan een precies en vast omschreven gebruik te binden. Ieder ding vertegenwoordigt een geheel van konkrete en mogelijke relaties; het zijn operatoren, die echter alleen bruikbaar zijn voor werkzaamheden binnen een bepaald type.

Zo liggen ook de elementen van het mytisch denken altijd tussen waarnemingen en begrippen in. Waarnemingen kunnen onmogelijk losgemaakt worden uit hun konkrete kontekst, terwijl het gebruik maken van begrippen zou vereisen dat het denken, althans voorlopig, zijn bedoelingen ‘tussen haakjes zet’. Er bestaat echter een overgangsvorm tussen beeld en begrip: het teken; omdat het altijd, zoals De Saussure het voor de bijzondere kategorie van de linguïstische tekens heeft ingevoerd, gedefinieerd kan worden als een verbinding tussen een beeld en een begrip; in de zo tot stand gekomen eenheid speelt het beeld de rol van het betekenende en het begrip de rol van het betekende (signifiant/signifié nvdr).

Het teken is, evenals het beeld, iets konkreets, maar het lijkt op het begrip vanwege zijn vermogen naar iets te kunnen verwijzen; beide hebben niet uitsluitend betrekking op zichzelf, maar kunnen in de plaats staan van iets anders. Toch bezit het begrip in dit opzicht een onbeperkt vermogen, terwijl dat van het teken beperkt is. Hun verschil en overeenkomst wordt duidelijk in het voorbeeld van de knutselaar. Laten we hem bekijken als hij aan het werk is: hij is entoesiast over wat hij wil gaan doen, maar zijn eerste praktische stap is retrospektief: hij moet terugvallen op een reeds bestaande hoeveelheid instrumenten en materialen; hij moet er de inventaris van opmaken of opnieuw opmaken en er tenslotte – dat vooral – een soort dialoog mee aangaan om, voordat hij een keuze gaat maken, een overzicht te krijgen van alle mogelijke antwoorden die zijn instrumenten en materialen op het probleem kunnen geven. Al deze onsamenhangende voorwerpen, die zijn ‘schaf uitmaken, raadpleegt hij om te weten te komen wat elk voorwerp zou kunnen ‘betekenen’. Zo bakent hij een geheel af, dat nog verwerkelijkt moet worden, maar dat zich uitsluitend slechts van het geheel van instrumenten onderscheidt door de interne rangschikking van de delen. Dit blok eikehout kan als steun dienen waar een plank van vurenhout niet voldoende is, of kan ook als sokkel dienen, wat het mogelijk zou maken de struktuur en de glans van oud hout tot zijn recht te laten komen. In het ene geval komt het aan op de vorm en in het andere geval op de aard van het materiaal. Maar deze mogelijkheden blijven altijd beperkt door het bijzondere verleden van ieder stuk en door wat daarin al van tevoren bepaald is door het gebruik waarvoor het oorspronkelijk ontworpen is of door de wijzigingen die het heeft ondergaan doordat het op andere manieren gebruikt werd. Zoals de samenstellende delen van een myte waarvan het aantal kombinatiemogelijkheden beperkt is, zo zijn ook de elementen, die de knutselaar verzamelt en gebruikt ‘bij voorbaat beperkt’. Aan de andere kant hangt de beslissing over de plaats van de elementen af van de mogelijkheid of een ander element de vrijgekomen funktie kan overnemen, zodat iedere keuze een volledige reorganisatie van de struktuur met zich mee zal brengen, die niet zo zal uitvallen als men vagelijk gedroomd heeft, en evenmin zo als men het misschien liever gehad zou hebben.

Ongetwijfeld stelt ook de ingenieur vragen, want voor hem vloeit het bestaan van een ‘gesprekspartner’ voort uit het feit dat zijn middelen, zijn vermogens en zijn kennis nooit onbeperkt zijn; op deze negatieve manier stuit hij op een weerstand waarmee hij hoe dan ook een schikking zal moeten treffen. Men zou bijna zeggen dat hij de wereld ondervraagt, terwijl de knutselaar zich richt tot een verzameling overblijfselen van menselijke produkten, d.w.z. tot een onderdeel van de kuituur. De informatietheorie toont trouwens aan hoe het mogelijk en vaak ook nuttig is de werkwijze van de fysicus terug te brengen tot een soort dialoog met de natuur, wat een afzwakking zou betekenen van het onderscheid dat wij proberen aan te brengen. Toch zal er altijd een verschil blijven bestaan, zelfs als we rekening houden met het feit dat de geleerde nooit een dialoog voert met de zuivere natuur, maar met de verhouding tussen natuur en kuituur zoals die op een gegeven ogenblik is; deze verhouding wordt bepaald door de historische periode waarin hij leeft, de beschaving waartoe hij behoort en de materiële middelen die hij tot zijn beschikking heeft. Gesteld voor een bepaalde taak kan hij, evenmin als de knutselaar zomaar alles doen; ook hij zal moeten beginnen met zich een overzicht te verschaffen van een tevoren vastgestelde hoeveelheid aan teoretische en praktische kennis en technische middelen, die het aantal mogelijke oplossingen zal beperken. Het verschil is daarom ook niet zo absoluut als men geneigd zou zijn te denken; het blijft echter reëel, in zoverre een ingenieur tegenover deze beperkingen die hem door een toestand van de beschaving worden opgelegd, altijd naar een uitweg zoekt om er bovenuit te komen, terwijl de knutselaar gedwongen of vrijwillig aan deze kant blijft staan; met andere woorden de ingenieur werkt met begrippen en de knutselaar met tekens. Op de as, waarop natuur en kuituur tegenover elkaar liggen, is het geheel van middelen zichtbaar verschoven. In feite komt minstens een van de manieren waarop het teken met het begrip een tegenstelling vormt hierop neer, dat het begrip geheel en al doorzichtig wil zijn ten opzichte van de werkelijkheid, terwijl het teken toelaat en zelfs eist, dat er in deze werkelijkheid een zekere hoeveelheid menselijkheid opgenomen is. Volgens de krachtige maar moeilijk te vertalen uitdrukking van Pierce: ‘It addresses somebody’.

Men zou dus kunnen zeggen dat de geleerden en de knutselaar beide loeren op mededelingen, maar voor de knutselaar gaat het om mededelingen die op een of andere manier reeds zijn overgedragen en die hij slechts verzamelt: zoals koopmansregels die, omdat ze een beknopte samenvatting zijn van alle in het verleden opgedane beroepservaring, het mogelijk maken op ekonomische wijze het hoofd te bieden aan elke nieuwe situatie (op voorwaarde echter dat die van dezelfde aard is als vroegere situaties); terwijl de man van de wetenschap, of hij nu ingenieur is of fysicus, altijd voorbereid is op een nieuwe mededeling die een gesprekspartner ontfutseld zou kunnen worden, ondanks zijn terughoudendheid zich over vragen uit te spreken waarvan de antwoorden niet van tevoren zijn doorgenomen. Zo gezien is het begrip de operator van het begin van het geheel van middelen waarmee gewerkt wordt en is de betekenis de operator van de reorganisatie: deze breidt het geheel van middelen niet uit, vernieuwt het ook niet, maar beperkt zich ertoe de verschillende transformaties te bewerkstelligen.

Claude Lévi-Strauss, Het wilde denken (uit het Frans vertaald door J.F. Vogelaar en H. ten Brummelhuis, uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1968, tweede druk 1976)

 

statement
Leestijd 6 — 9 minuten

Claude Lévi-Strauss

statement