“Macbeth” (De Munt)

Johan Thielemans

Leestijd 4 — 7 minuten

Macbeth – De Munt

KRONIEK – MEER DAN GENOEG BETWETERIGE (JONGE EN OUDE) SCHOOLMEESTERS

Eerst is er het Muntorkest, dat deze partituur van Verdi met bijzonder veel zin voor de mooie samenklank uitvoert. De koperblazers hebben zelden zo homogeen en zo warm geklonken.

Dan is er Franz Grundheber, die van de titelrol een boeiende vertolking weggeeft. Hij gaat het grote volume uit de weg, en zoekt gevoelsstemmingen uit te drukken door de stem in het mezza-voce telkens een andere kleur te geven. De onzekerheid en de angst worden zo met de stemmiddelen uitgedrukt. Voortreffelijk.

Dan is er de dirigent, die bijzonder attent de zangers volgt, en aan het Muntorkest talloze nuances ontlokt, zodat de partituur van Verdi uitstijgt boven haar dienende, begeleidende functie.

En dan is er het koor, dat bijzonder vol en krachtig klinkt. Gunter Wagner mag deze keer meer dan tevreden zijn over het behaalde resultaat.

En dan.

Dan zijn er niet anders dan problemen.

Bijvoorbeeld een Lady Macbeth die een hele avond saai en onecht is. Sylvia Sasz zingt dit behoorlijk, meer niet, en geen enkel ogenblik is er iets van vuur of getormenteerdheid te merken. De scène waarin ze haar handen wast, is leeg en zinloos.

Bijvoorbeeld de dirigent Michael Schonwandt, die alleen tot een schone klank komt, maar verder volledig in de valstrik trapt die deze vroege partituur van Verdi spant. Alles klinkt oppervlakkig en dansend. Van Shakespeare is er geen spoor te merken. Het is mooie muziek, maar ze zou beter met een andere, liefst luchthartige tekst werken. Ik beluister na de voorstelling nog eens de uitvoering onder de leiding van Sinopoli, en het lijkt of ik andere noten hoor. In de uitvoering van Sinopoli is het banket aangrijpend, vol spanning, vol afgrijselijke momenten. Het koor is verbijsterd door wat het ziet. En ik denk weer even aan de indruk in de zaal. Daar was het banket van een ongepaste vrolijkheid in driekwartsmaat, daar leek het of Verdi de tekst van Shakespeare nauwelijks begrepen had.

Bijvoorbeeld de scenograaf, Jean-Paul Chambas, overgewaaid uit Frankrijk. Zijn scènebeeld, gewild lelijk, is gewoon lelijk. De idee, uit het brein van de dramaturgen en de regisseur ontsproten, dat alles zich afspeelt in een slachthuis, is slecht gerealiseerd, want te timide, te weinig slagkrachtig. Zo is het verworden tot een banale inval.

Bijvoorbeeld de regisseur, Philippe Sireuil, die hier voor het eerst een grote operamachine op gang moest brengen. Hij heeft geprobeerd tegen de geest van de muziek in een hedendaagse versie van Macbeth op de scène te zetten. Als vage schaduwen schuiven ideeën over de scène, maar bijna nooit wordt het duidelijk wat die ideeën zijn. Wellicht is er enige kritiek op een koningsfiguur als Macbeth, maar welke? Wellicht wordt Lady Macbeth als een personage uit de theatertraditie beschouwd, vandaar haar lelijk kostuum, en dan? Van de ene verwarrende idee sukkelt men in de andere, en alle grote scènes mislukken: het banket maakt niet de minste indruk, omdat de hoofdpersonages voortdurend op de verkeerde plaats staan. Dit is wellicht een experiment met de theatertaal, maar de waarde van de oeroude tekens blijkt zeer groot, wat een lichtvaardig negeren ervan des te sterker aantoont. Dat Macbeth en zijn edelen niet op de juiste plaats zitten om de situatie en de muziek te laten functioneren, loopt niet uit op een nieuwe betekenis, maar gewoon op de absolute afwezigheid: hier gebeurt niets.

Dat Sireuil van het theater komt, laat hij te veel merken op de slechte momenten: wanneer zangers grote aria’s zingen, worden ze gestoord door lansen die luidruchtig worden uitgedeeld. Als de muziek in een pianissimo uitsterft, wordt alles overstemd door lompe koorledenvoeten, die langs bonkende praticabels weg moeten zien te komen. Als Macbeth de beroemdste zin zingt (“Life is a tale, told by an idiot…”) verdwijnen én de woorden, én het moment, én de opmerkelijke orkestratie onder het geweld van binnenstromende soldaten. Opera regisseren eist dat men laat zien dat men zelf muzikaal uiterst gevoelig is.

In dit ruïneus landschap staan alleen de heksen overeind, en daar de muziek die ze van Verdi meekrijgen, heel problematisch is, is het een pluim voor Sireuil, dat hij met dat materiaal toch iets zinnigs heeft weten te zeggen. De introductie van de twee dwergen, als vertekenende spottende spiegels van het gebeuren, is een gelukkige vondst.

Ten slotte is er Verdi, jong nog (vierendertig jaar) en ambitieus, als hij de eerste versie van de partituur schrijft. Hij greep te hoog, want pas later zou hij in de volle rijpheid van zijn talent terechtkomen. Het is dus nog een strijd tussen zijn hanteren van het conventionele, Italiaanse idioom en het verschijnen van een nieuwe vorm van dramatiek. Het resultaat is ongelijk, zijn visie op Shakespeare ons volledig vreemd. Hoe gevaarlijk de partituur is, blijkt uit deze muzikale uitvoering, want bij Schnowandt hoort men hoe de traditie de overhand krijgt op de vernieuwing.

Met de negentiende eeuw is er iets heel merkwaardigs aan de hand. Dat blijkt onder meer uit het feit dat er in het nieuwe museum aan de Quai d’Orsay in Parijs onder een neoconservatieve impuls ruim aandacht wordt geschonken aan de officiële schilders, de pompiers, naast de erkende meesters van het modernisme. Behoort het weer bovenhalen van de vroege Verdi, vraagt men zich na deze opvoering in de Munt af, tot dezelfde tactiek? Dat het, integendeel, meer zou zijn dan een historische reflex, dan een onderdanig toegeven aan de ideologie van het genie, heeft men hier niet duidelijk kunnen maken.

De nieuwe Verdi-cyclus in de Munt kent alvast een wankel begin.

 

MACBETH

Muziek: Verdi; libretto: F.M. Piave, naar Shakespeare (Parijse versie, zonder het ballet); dirigent: Michael Schonwandt; regie: Philippe Sireuil; decor en kostuums: Jean-Paul Chambas, Anne Charles; dramaturgie: Michel Vittoz, Jean-Marie Piemme; belichting: Philippe Sireuil; met Franz Grundheber (Macbeth), Sylvia Sasz (Lady Macbeth), Dennis O’Neill (Macduff) en anderen.

Gezien op 13 februari 1987 (première), in het Koninklijk Circus te Brussel.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#17

15.03.1987

14.06.1987

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

recensie